Persschouw
1993-02-12
Op verzoek neem ik hierbij in deze rubriek onderstaand artikel over uit de 'KERKBODE van Nederlands Gereformeerde Kerken'. Het ligt in de bedoeling over veertien dagen het tweede artikel een plaats te geven in de kolommen van ons blad.- Jaargang 37
- nummer 4
Enschede, O. Mooiweer
Een kerk ging stuk (1)
'De crisis der jeugd.' Onder die titel heeft dr. H. Bouwman in 1914de geschiedenis beschreven van de afgescheiden kerken in de eerste twintig jaar van hun bestaan, tussen 1834en 1854. In 1834hadden twee jonge dominees, Hendrik de Cock en Hendrik Pieter Scholte, zich losgemaakt van het hervormde kerkverband, en zo de eerste aanzet gegeven tot het ontstaan van wat later de gereformeerde kerken zouden worden. Scholte en De Cock waren het toen hartelijk met elkaar eens. Ze hadden, zoals De Cock zei, een verbond gesloten als David en Jonathan. Deze eensgezindheid onder de afgescheidenen is spoedig verstoord.
In die eerste twintig jaar is het aantal gemeenten wel snel gegroeid, en de oproep tot afscheiding bleek veel weerklank te vinden. Maar die-' zelfde jaren vertellen ons ook een verhaal van onderlinge twist, veroordeling en verkettering. Kleine verschillen werden tot beginselen verheven en verstoorden de eenheid. Pas in 1854 kwamen alle partijen weer tot elkaar.
Dat is de crisis der jeugd. Ze vond haar oorzaak in het onverdraagzaam, ongeestelijk gekrakeel van de mensen, en ze werd overwonnen, schrijft Bouwman, omdat God niet laat varen het werk zijner handen. De kerk die aan stukken gelegen had werd in 1854 hersteld.
Naar dat jaar 1854gaan de gedachten onwillekeurig uit, als we het boek lezen dat ds. G. van den Brink en ds.
H.J. van der Kwast gewijd hebben aan het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken omstreeks 1968. Het is een boek waarnaar we hebben uitgezien.
We kennen onszelf niet, als we ons verleden niet kennen. Uit dit boek leren we dus iets over onszelf. Het legt uit waarom er Nederlands Gereformeerde Kerken bestaan. Het doet ook beseffen, waarom die zo lang een andere naam gevoerd hebben. Vroeger sprak men van 'vrijgemaakten buiten verband'. Die naam is omslachtig en onduidelijk, en het is wel te begrijpen .dat hij door een nieuwe is vervangen. Maar de oude naam had ook voordelen. Ten eerste was hij zo eigenaardig, dat je hem vaak aan anderen moest uitleggen. Je moest je dus rekenschap geven van je positie.
Ten tweede lag in de naam iets voorbijgaands en voorlopigs. Hij gaf een tijdelijke toestand aan met de woorden 'buiten verband'. Tegelijk handhaafde hij het blijvende karakter van de kerken als 'vrijgemaakt'. Dat was je identiteit, die je met de kerken binnen verband gemeen had. Alleen de toestand van beide kerken verschilde. De oude naam stelde je dus voortdurend voor de vraag, of onderscheid in toestand een goede reden is voor gescheiden bestaan.
Rondom deze twee vragen zou ik nu willen ingaan op het boek van de predikanten Van den Brink en Van der Kwast. Hoe geeft het rekenschap van onze positie, en wat zegt het over de voorlopigheid van de Nederlands Gereformeerde Kerken?
Het eerste hoofdstuk brengt ons terug naar de vrijmaking van 1944.Terecht draagt de eerste paragraaf als titel: 'de veelkleurigheid van de vrijmaking'.
De kerkscheuring van 1944 is gemaakt door de gereformeerde synode, die één bepaalde theologie aan de kerken wilde opleggen. Iedereen moest over de doop net zo denken als Abraham Kuyper gedaan had. Dat besloot de gereformeerde synode in 1942.Ze sprak uit, dat in de kerk alleen plaats was voor de aanhangers van één speciale theologie. Ze versmalde de kerk tot een theologische stroming. Daartegen moest haast wel ieder in verzet komen, die begreep wat een kerk werkelijk is.
Daarom was de vrijmaking veelkleurig.
Ze verenigde mensen die samen ergens tegen waren. Hun vrijgemaakte kerk zou even breed geschakeerd moeten zijn als de ongedeelde kerken geweest waren. Spoedig bleek echter, dat 1944 niet voor iedereen dezelfde betekenis had. Er waren er, die het gebeurde vooral zagen als een breuk, als een scheuring tussen mensen, die één waren in het geloof. Ze wilden in de scheiding niet berusten, en zochten naar wegen waarlangs de beide partijen elkaar weer konden ontmoeten.
Er waren echter anderen, bij wie juist de vreugde van de vrijmaking overheerste, de reformatie van 1944,zoals ze al vroeg door hen genoemd werd.
Contacten met de synodaal gereformeerde kerken wezen ze af. Zij wilden de nieuwe reformatie uitbouwen en vorm geven in hun eigen kerkelijk leven. De sterke nadruk op de betekenis van de vrijmaking werd het middel om eenheid te scheppen in een kerk die haar oorspronkelijke verenigingspunt alleen had gevonden in de gezamenlijke afwijzing van de synodebesluiten.
Hoe denk je over de vrijmaking? Dat werd een centrale geloofsvraag. Ds. Van der Kwast haalt van ds. P. Lok een uitspraak aan - ze kreeg ook plaats in de later te noemen Open Brief - die dat treffend duidelijk maakt (p. 67): '...
wil de zaak van Jezus Christus nog een toekomst hebben in ons land, dan zullen degenen, die bij deze zaak betrokken zijn, elkaar voor alles hebben te vinden in de benoeming en waardering van wat er in 1944 in Nederland is geschied binnen de Gereformeerde Kerken'. Dat is eenheid van geloof: gelijk denken over de vrijmaking van 1944. Die boodschap zul je dus voor moeten houden aan ieder, binnen en buiten de vrijgemaakte kerken. Christenen moeten het met elkaar eens worden over de betekenis van een historisch feit uit 1944. Daaraan is de toekomst van de zaak van Jezus Christus verbonden.
Dan kan er ook slechts één ware kerk van Christus zijn, namelijk de vrijgemaakte.
Het vraagstuk van de kerkelijke verdeeldheid moet je dan niet proberen op te lossen door met broeders en zusters van andere kerkgenootschappen samen te zoeken naar herstel van de eenheid. Dat is een verkeerde weg, want eigenlijk bestaat er helemaal geen vraagstuk van de kerkelijke verdeeldheid. Er is immers maar één ware kerk, en wat je dus moet doen als je streeft naar eenheid van allen die Christus belijden, is hen op te roepen zich te voegen bij de vrijgemaakte kerk.
Wie zo denkt, zal tegelijk heel gereserveerd staan tegenover samenwerking met leden van andere kerken, bijvoorbeeld in de politiek of in het onderwijs.
Je bent met hen toch niet werkelijk één, want ze weigeren zich bij de ware kerk te voegen. Daarom moest op de vrijmaking van de kerk, op de reformatie van 1944,een doorgaande reformatie volgen, die uitdrukking zou krijgen in een eigen partij, een eigen vakbond, eigen kranten en eigen scholen. Binnen enkele jaren na de vrijmaking kreeg dit program zijn beslag, met het Gereformeerde Gezinsblad en het Gereformeerd Politiek Verbond als bekendste blijvende resultaten.
De aanhangers van de doorgaande reformatie sloten zich meer en meer van de buitenwereld af. Maar het was haast onvermijdelijk, dat zij ook binnen de eigen kring front zouden gaan maken. Als alle contacten met andere kerken vermeden moest worden, vooral met de synodaal gereformeerden, hoeveel vertrouwen kon je dan nog stellen in kerkgenoten, die niet alleen bereid waren dat gesprek te voeren, maar het zelf ook zochten?
Wie tot de minderheid behoorde en dus niet voor de doorgaande reformatie had gekozen, kwam niet meer op het tal voor ouderling of diaken: hij zou aan de gemeente toch geen goede leiding kunnen geven. Het werd hem ook niet gemakkelijk gemaakt. Menige predikant verkondigde 's zondags het evangelie in de vorm van een pleidooi voor de doorgaande reformatie.
Er waren er, die het allemaal teveel werd. Dat zijn er ook geen tien of twintig of honderd geweest. Het gaat om enkele duizenden, en er waren heel wat dominees bij. In de eerste twintig jaar na de vrijmaking zijn zij die de doorgaande reformatie afwezen gewoonlijk overgegaan naar de synodaal gereformeerde kerken. Dat deden ze niet omdat ze over 1944anders waren gaan denken. Wat hen bewoog is duidelijk gezegd door Albeda (aangehaald door ds. Van den Brink, p. 20): de leeruitspraken waren fout, maar in de vrijgemaakte kerk viel niet te leven.
Eigenlijk kozen ze dus voor het kleinste van twee kwaden.
Een erg goede reden kan dat natuurlijk niet zijn. Wie 's zondags de dienst in een bepaald kerkgebouw alleen bezoekt omdat hij zich in een andere kerk nóg minder op zijn gemak voelt, loopt groot gevaar dat hij zijn keus voor het kleinste euvel eerst zal gaan ervaren als een noodzakelijk kwaad, en tenslotte alleen nog maar als een kwaad. Daarom waren er toch velen, die ondanks al hun bezwaren tegen de doorgaande reformatie in de vrijgemaakte kerken bleven. De interne ontwikkelingen binnen de synodaal gereformeerde kerken hebben dat ongetwijfeld ook bevorderd. Die kerken hebben in de jaren zestig de definitieve rekening voor 1944gepresenteerd gekregen. Toen had men te eng gebonden en dat met een kerkscheuring moeten bekopen. Dat mocht in geen geval weer gebeuren. Dus werd het beleid precies omgedraaid. Hadden de synodes vroeger de grenzen van de kerk nauwer getrokken dan de Schrift, nu gingen ze ruimte geven ook als de Schrift zelf weersproken werd.
Een belijdende kerk veranderde in een discussiegemeenschap.
Veel vrijgemaakten hadden daarop destijds niet het juiste zicht. De minderheid, die graag hereniging wilde, besefte niet altijd, dat de synodale kerken bezig waren hun gereformeerde karakter prijs te geven. De meerderheid daarentegen had de synodaal gereformeerde kerken allang afgeschreven, en was reeds kort na de vrijmaking begonnen alles wat door synodalen werd gezegd en gedaan, uit te leggen als tekenen van ernstig verval.
Dat verschil in visie op de synodaal gereformeerde kerken bemoeilijkte de onderlinge omgang tussen vrijgemaakten. Beide hadden in hun oordeel over de synodalen last van een zekere bevangenheid. Het heeft iets tragisch, dat juist op deze wederzijdse misvattingen de kerk is stuk gegaan.
Want daar ligt de oorzaak van de breuk. Wie een enigszins volledig overzicht van het conflict wil geven, moet ook andere punten noemen die in de jaren zestig hun rol gespeeld hebben, en daarom besteedt 'Een kerk ging stuk' alle aandacht aan de verwikkelingen rondom ds. Oosterhoff in Beverwijk en ds. Telder in Breda.
Maar het ging in 1968 niet om de algemene verzoening (ds. Oosterhoff) of de leer van de tussentoestand (ds. Telder).
Wat de partijen wezenlijk verdeelde was de visie op kerk en vrijmaking.
De minderheid zag het als haar plicht eenheid te zoeken met allen die Christus belijden, en wilde daarom in gesprek blijven met de synodaal gereformeerden.
De meerderheid meende dat er geen andere weg naar eenheid bestond dan alleen de oproep aan alle christenen, zich te voegen bij de vrijgemaakte kerk. Toen dan ook in Groningen ds. A. van der Ziel niet bereid bleek alle contacten met synodaal gereformeerden te verbreken, leidde dat na een lange en moeizame procedure tenslotte in 1965tot zijn afzetting als predikant.
A.Th. van Deursen
N.a.v. Een kerk ging stuk, ds. G. van den Brink en ds. H.J. van der Kwast, 245 pagina's, f 39,75.