'Jezus, wetende...'

1993-02-26
  • Jaargang 37
  • nummer 5
Wij zijn weer in de lijdenstijd en we verdiepen ons opnieuw in het lijden en sterven van onze Verlosser. We stellen de vraag: Wat heeft Jezus geweten toen Hij aan het kruis hing? Deze vraag heeft een zekere aktualiteit gekregen sinds het geruchtmakende boek van Kuitert. Die ontkent dat Jezus aan het kruis hangend de christelijke leer reeds in het hoofd had en in gedachten bezig was met de zondaars die Hij door zijn dood zou redden. Dat zijn onze interpretaties achteraf, die van de evangelisten inkluis. Niet onjuist maar wel van later datum. Een besef van Knecht des HEREN te zijn zullen wij Jezus niet kunnen ontzeggen maar verder moeten we niet gaan.
Aldus deze godgeleerde. Je schrikt als je zulke dingen leest, maar het argument dat Kuitert ervoor noemt is toch het overwegen waard. Ga je namelijk wél verder en vul je het helemaal in wat Jezus aan het kruis gedacht en geweten heeft dan maak je - zo vindt Kuitert - van Golgota een spel, een doorzichtig drama. We zullen het serieus moeten nemen dat de Here Jezus het aan het kruis van wanhoop uitgeschreeuwd heeft, met zijn kreet: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" "Wat heb je te lijden als je weet dat alles wel goed komt?", vraagt Kuitert. Hij komt dus met zijn beweringen op voor de echtheid van Christus' lijden. Dat is het voor ieder christen herkenbare van zijn betoog, want juist aan die echtheid van het lijden hangt ons heil.
In de VARIANT van het Ned. Dagblad van 31 december staat het verslag van een gesprek tussen professor Douma en professor Kuitert naar aanleiding van het boek van de laatste waarover de eerste een brochure geschreven heeft. Mijn komplimenten aan de redaktie van het ND dat ze deze twee theologen voor een ontmoeting en een gesprek samen wist te brengen. We moeten bij alle verschil van opvatting niet ophouden met elkaar te praten.
Zeker niet wanneer we in de ander de gelovige ontmoeten. In dat gesprek dan kwam ons onderwerp ook ter tafel.
Douma bracht tegen de sterke beweringen van Kuitert het woord in dat Jezus op het einde van zijn lijdensgang gesproken heeft: "Het is volbracht".
En dat is op zijn beurt weer een heel sterk argument. Want dit gezegende woord van de Heiland is een waar rustpunt voor ieder die de lijdensgeschiedenis met altijd weer nieuwe ontzetting leest. Jezus, zo worden we getroost, was bezig met het grote werk van de verzoening en Hij wist het. Het is eigenlijk inverdrietig dat in die diskussie twee woorden waar het geloof zozeer aan gehecht is, zonder dat iemand dat nu bedoelde, in een scherpe tegenoverelkaarstelling terecht kwamen. Terwijl Cornelis Rijnsdorp ze nog zo fijn bij elkaar gebracht had in Gezang 476 : 2: "... Uit een duister, vreeslijk boven mate, riept Gij tot Hem die U had verlaten, maar uw stem breekt door de nacht: Vader, wereld, 't is volbracht".
Hoe moeten we aan beide kruiswoorden recht doen?

De Synoptici en Johannes
Het valt op dat we voor het woord waar Kuitert zich op beroept in de zogenaamde synoptische evangelies moeten wezen. De synoptische evangelies, zo noemen we de eerste drie: Matteüs, Markus en Lukas. Het zijn Matteüs en Markus die ons over de kreet van de godsverlating bericht doen. Terwijl het woord "Het is volbracht" waar Douma mee komt alleen bij de vierde evangelist Johannes te vinden is. Nu weet iedere bijbellezer dat we van de eerste drie naar het vierde evangelie overstappend in een nogal wat andere sfeer terechtkomen.
De synoptische evangelies benaderen de Here Jezus in hun beschrijving meer van onderop. Johannes schrijft meer van bovenaf. De eersten lopen meer met Jezus op, de laatste kijkt meer op Jezus terug. Blijkens het woordje 'meer' gaat het weliswaar om betrekkelijke verschillen maar dat neemt niet weg dat ze zeer beduidend zijn. Daarmee stuiten we op een eigenaardig onderscheid en het is met name over de beschrijving van Johannes dat we ons nog wel eens verbazen.
Laat hij het menselijke van Jezus wel helemaal intakt, neemt hij dat wel overal serieus?, vragen we dan. Laat ik daar eens een paar voorbeelden van geven. Eerst een uit een alledaags voorval, te lezen in Johannes 6. Op gegeven ogenblik wil Jezus de schare die Hem gevolgd is van voedsel voorzien en daarvoor wendt Hij zich met een vraag om informatie en raad tot Filippus: "Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten?" Een normale vraag, maar Johannes haast zich om er een verklarende opmerking bij te plaatsen: "Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf wat Hij doen zou". Blijkbaar wil Johannes de indruk voorkomen dat Jezus van informatie die van buitenaf moet komen afhankelijk zou zijn of op adviezen van anderen aangewezen.
Hij had eerder ook al geschreven dat Jezus de mensen om Hem heen allen kende en dat het niet nodig was dat iemand van de mens getuigde, want Hij wist zelf wat in de mens was (Johannes 2 : 24 en 25). Ieder zal moeten toegeven dat bij kennisneming van zulke details voor ons gevoel bijna alle menselijkheid uit Jezus wegstroomt.
Harten-kenner, welk mensenkind is dat immers?

Van Bovenaf
Johannes is zo vervuld van het van Bovenaf gekomen-zijn van Jezus dat hij zichtbare moeite heeft met het beperkt-menselijke aan de Heiland.
Niet dat hij daar aan morrelt of het ontkent, maar de duidelijke blijken daarvan in de traditie tegenkomend heeft hij de neiging gehad er iets anders naast of tegenover te stellen.
Heel opvallend is bijvoorbeeld dat hij van de verzoekingsscéne in de hof van Getsemane niets afweet (zomin als van de verzoekingen in de woestijn).
Hij is dat natuurlijk tegengekomen in de overlevering (want Johannes schreef zijn evangelie het laatst van allen) maar hij heeft er geen raad mee geweten. Hoe dat nu toch kon, dat de Zoon van God zo door het kwade verzocht werd! De andere evangelisten vlakweg tegenspreken wilde hij niet.
Daarom gaat hij aan de hele episode in de hof, vóór de arrestatie, voorbij.
Maar wel geeft hij op een andere plaats in zijn beschrijving woorden van Jezus weer die op z'n minst op gespannen voet staan met het verzoekingsbericht.
Ik doel nu op wat we in hoofdstuk 12 : 27 en 28 lezen. We horen daar de Heiland zeggen: "Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen?
Vader, verlos Mij uit deze ure?
Maar hiertoe ben Ik (juist) in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk uw naam!" Als je deze passage in onze gebruikelijke vertaling leest dan zie je dat er achter Jezus' woorden "Vader, verlos Mij uit deze ure" een uitroepteken staat in plaats van een vraagteken (zoals in mijn weergave). Dat is misleidend want zo klinkt het gesprokene als een gebed dat Jezus bij die gelegenheid opgezonden heeft. Dat uitroepteken is echter niet oorspronkelijk. De vertalers hebben dat er neergezet om de passage te harmoniseren met de zo bekende verzoekingsgeschiedenis uit de andere evangelies. Het "Vader, verlos Mij uit deze ure!" van Johannes is immers helemaal in overeenstemming met het "Vader, laat deze beker aan Mij voorbijgaan!" van Matteüs.
Toch past dat uitroepteken daar in Johannes 12 van geen kant. Uit het hele redebeleid blijkt immers zeer duidelijk dat Jezus dit gebed om verlossing uit en besparing van het lijden juist kritiseert, afwijst zelfs, en het vervangt door een andere, meer bij de Zoon van God passende vraag: "Vader, verheerlijk uw naam!", waarop de Here dan van Bovenaf antwoord krijgt via een stem uit de hemel die zegt: "Ik heb hem verheerlijkt en Ik zal hem nogmaals verheerlijken".

Verlaten?
Johannes schrijft duidelijk van achteraf en van bovenaf. Hij beschrijft Jezus als de Verheerlijkte, de ten hemel Gevarene. Uit het feit van de hemelvaart leidt hij af dat Jezus de uit de hemel Neergedaalde is (Johannes 3 : 13). Hij is van God uitgegaan en gaat tot God heen (Johannes 13: 3). En dat geeft bij hem aan Here Jezus dat onaardse, dat hemelse (3 : 31). Zeker, ook over de andere evangelies ligt de gloed van Pasen, ook zij zijn geschreven vanuit de gelukkige afloop. Maar bij Johannes is dat veel sterker, is het geradikaliseerd. Ook de kreet aan het kruis "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" ontbreekt opvallenderwijs bij Johannes. En opnieuw vinden we op een heel andere plaats in zijn evangelie een woord van Jezus dat die godslastering lijkt te ontkennen. Dat is in Johannes 8 : 29, tijdens het twistgesprek met de Joden dat het hele middengedeelte van dit evangelie beslaat. "En die Mij gezonden heeft (zegt Jezus daar) is met Mij.
Hij heeft Mij niet alleen gelaten want Ik doe altijd wat Hem behaagt". De Vader heeft Jezus niet verlaten. Ja, zal iemand misschien tegenwerpen, de Vader hééft Jezus ook niet alleen gelaten... totdat, tot aan het moment van de drie-urige duisternis aan het kruis.
Maar dan had er toch niet achteraan moeten komen: "... want Ik doe altijd wat Hem behaagt". Immers, juist aan het kruis deed Jezus ten hoogste wat God behaagde - zeker volgens de vierde evangelist. Het 'niet alleen gelaten zijn door God' is daarom van heel Jezus' dienst op aarde te verstaan, voor al die tijd.

Niet kiezen
We ontkomen er mijns inziens niet aan tussen Johannes en de andere evangelisten een diep verschil op te merken.
Haast wel onoverkornelljk. En toch, kiezen tussen Johannes en de synoptische evangeliën zou ik tot geen prijs willen. Ze hebben allebei hun onvervangbare waarde. Ja maar, zegt u, die onderling. onverenigbare getuigenissen waarmee u ons zoëven konfronteerde - ze kunnen toch niet allebei tegelijk waar zijn? Waarom eigenlijk niet?, zou iK terug willen vragen.
Hangt er soms geen geheimenis rondom de persoon van onze Here zoals Hij onder ons was? Misschien dat iemand, dit artikel lezend, van gedachte is dat ik op het punt dat ik aangesneden heb meer aan de kant van Kuitert dan van Douma sta. Omdat ik Douma in de hoek van de vierde evangelist plaats en nu ja, die Johannes is zo vreemd... Maar dan kent de lezer mijn gehechtheid aan juist het vierde evangelie nog niet. Wat heb ik er vaak over gepreekt! En wat heb ik me er steeds tegen verzet om aan deze getuige het zwijgen op te leggen!
Zoals bijvoorbeeld mode is in het gesprek met de synagoge. Daar wordt Johannes nota bene van christelijke zijde afgedaan met "nou ja, Johannes".
Daar wil ik niet aan meedoen.
Nee, ik ben zielsblij met die verwijzing van Douma naar de Johanneïsche finale van het lijdensverhaal "Het is volbracht". En toch, voor de vraag gesteld wat Jezus nu wist en zich bewust was toen Hij aan het kruis hing, zou ik geloven het antwoord schuldig te moeten blijven - uit eerbied voor het geheel van het apostolisch getuigenis.
Dat apostolisch getuigenis als geheel genomen zegt namelijk enerzijds bij het begin van de passio magna: "En vóór het Paasfeest, toen Jezus wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader, heeft Hij de zijnen die Hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde.
En onder de maaltijd, toen de duivel reeds Judas, Simons zoon Iskariot, in het hart gegeven had Hem te verraden, stond Hij wetende dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging, van de maaltijd op en Hij legde zijn klederen af en nam een linnen doek en omgordde zich daarmee..." (Johannes 13: 1 - 4). Dit is echt "Jezus, wetende...", ten voeten uit. Een duidelijker getuigenis daaromtrent is in de bijbel niet voorhanden.
Maar datzelfde apostolische getuigenis toont ons anderzijds een benauwde Jezus die aan de vooravond van zijn lijden, bij de aanvechting in de hof, in een diep zwart gat kijkt en die aan het kruis zijn radeloosheid uitschreeuwt "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Hoe moeten we dit rijmen? Ik zou het niet weten. Maar we moeten het wel allebei laten staan en serieus nemen. Het niet glad harmoniseren en het evenmin tegen elkaar uitspelen. We stuiten hier op het persoonsgeheimenis van Jezus: God in het vlees verschenen.
Als we bedenken wie Jezus eigenlijk is zal ons dan ook het zozeer uiteenlopende karakter van de evangeliebeschrijvingen niet bevreemden. Het zou ons integendeel meer moeten verbazen wanneer de vertelling aan alle kanfen gladjes verliep. Met andere woorden: het sterk uiteenlopende in de beschrijving van de synoptici en van Johannes pleit voor de echtheid van het evangelie. Wanneer de Schepper zijn schepping bezoekt mag niemand een effen verhaal verwachten. De seismografen die dat registreren beven daarvoor te zeer in uitersten.

Het van Boven van Jezus
Kuitert kiest mij teveel op het onderhavige punt: niet Johannes, maar de synoptici. Ik wil hem daarop aanspreken, als het ware met hem meedenkend.
We horen hem zelf zeggen in het genoemde gesprek in het oudejaarsnummer van het ND (dat overigens volledig spoort met de voorstellingen in zijn boek): "wij kijken van beneden tegen Boven aan en Boven provoceert ons Hem te benoemen. Die provocatie zou je dan openbaring kunnen noemen.
Wij zijn geroepen om antwoord te geven". Tussen haakjes, duidelijk blijkt hier dat Boven voor hem onafhankelijk van beneden staat. Ik hoor Kuiterts bekende zin "alle spreken over Boven is van beneden" wel eens zo uitleggen dat volgens hem Boven 'zelf ook een uitvinding van beneden zou zijn. Dat is een kant en klaar misverstand.
Er gaat volgens Kuitert van Boven aktie uit. Alle spreken over Boven is van beneden, zeker, maar de aanleiding en de impuls tot dit spreken gaat van Boven uit. Dat is wat Kuitert niet alleen bedoelt te zeggen maar ook met zoveel woorden zegt. Op het onomstotelijke bestaan van God rust zijn hele theologie. Maar (om naar mijn punt terug te keren) als er dus volgens Kuitert van Boven aktiviteit uitgaat - Jezus behoort volgens hem toch op de een of andere manier ook tot Boven? Om daarover een uitspraak van Kuitert zelf aan te halen: "Over Jezus spreekt de christenheid 'als over God', omdat God zich met Jezus heeft geïdentificeerd. Met identificatie bedoel ik dan: Hij is bezet door God, 'bezeten', tot aan de rand toe vol met God; verborgen weliswaar (je kon eraan voorbij kijken) maar in de opstanding openbaar geworden" (Het... geloof, p. 140). Als dat waar is dan gaat er van Christus, inzoverre Hij 'Godgevuld' is, toch ook provokatie uit? Aanleiding en impuls om over Hem te spreken? Zogezegde openbaring?
En wie kan dan bij een zo gekompliceerde persoon als onze Here Jezus Christus verbaasd zijn dat er op verschillende wijze op die aanleiding tot spreken die er van Hem uitging ingegaan is? Wie heeft het recht om de ene manier boven de andere voor te trekken en bijvoorbeeld van de synoptici te zeggen dat ze het beter hebben gedaan dan Johannes? Heeft Jezus (wil ik zeggen) niet zelf door zijn persoon en optreden de stoot gegeven tot het sterk uiteenlopende getuigenis over Hem van de synoptici enerzijds en van Johannes aan de andere kant?
En zou je die verschillende getuigenissen niet eerbiedig moeten laten staan om aan zijn persoon en werk werkelijk recht te doen? Denk erom, laten staan, zeg ik, niet dooreen mengen! Dat wil zeggen dat er in de prediking nu eens uit het ene en dan weer uit het andere vaatje getapt moet worden, Zoals ik zelf ook regelmatig probeer te doen.
Hier lijkt me het woord van de theoloog Noordmans van kracht dat de prediking het dogma behoort scheef te trekken, In tijden of situaties dat we gevaar lopen het lijden van Christus te bagatelliseren en er frisch-frölich overheen te lopen moet de prediking diep in de synoptische evangelies tasten. Maar als er in het lijden gezwelgd wordt en Golgota in een kader van klagerige zieligheid terecht komt (zoals ik dat nu wel meen te bespeuren) dan is er alle aanleiding om het majesteitelijke van Christus' lijden naar voren te halen en met Johannes te zeggen: "Jezus, wetende..."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief