Puzzelhoekje

1993-02-26
  • Jaargang 37
  • nummer 5
Eenmaal per jaar was de grote Verzoendag.
De hogepriester moest dan verzoening doen (vergeving vragen) over de zonden, voor zichzelf en zijn huis en voor het hele volk Israël, in het heilige der Heiligen. Voor zichzetf en zijn familie een jonge stier als zondoffer en een ram als brandoffer. Hij mocht slechts gekleed zijn in het heilige linnen onderkleed want het was een boetedag.
Voor het volk werden twee geitebokken als zondoffer en een ram als brandoffer genomen. Als eerste bracht hij voor het priesterlijk huis offers. Hij nam het bloed van de stier, nam vuur van het reukaltaar om geurig reukwerk te maken. In deze wolk van wierookgeur ging hij in het heilige der Heiligen en sprenkelde bloed aan de voorzijde van het verzoendeksel boven de ark daarna zeven maal voor de ark.
Ditzelfde deed hij met het bloed van de bok voor het volk. Bloed van de stier en bok werden dan aan de hoornen van het brandofferaltaar gestreken waarna er weer zeven maal op de grond werd gesprenkeld. Zo werd ook het heiligdom van onheiligheden zuiver gemaakt.
Wat hij tot slot met de overgebleven bok deed kun je in het volgende geheimschrift lezen.
Als hij dit gedaan had deed hij zijn klederen uit en waste zich zodat hijzelf ook weer rein werd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief