'zonder Mij kunt gij niets doen'
1993-03-12
Er bestaat een belangstelling voor de Heilige Schrift die we moeten wantrouwen en zelfs afkeuren omdat ze ongezond is. Allerlei uitspraken van de bijbel worden dan op een goudschaaltje gewogen of onder de mikroskoop gelegd om te zien of ze ook bestand zijn tegen ons redenerend vermogen of onze experimenteerzucht.- Jaargang 37
- nummer 6
Het woord van Jezus waar ik het nu over wil hebben valt gemakkelijk aan deze foute instelling ten prooi. Wat?
Zouden wij mensen buiten Christus om niets kunnen uitrichten? Zou de machine die mens heet het zonder Hem niet 'doen'? En het tegenbewijs is gauw geleverd. Kijk maar eens hoe goed wij het doen nadat we ons van Hem hebben losgemaakt. En let maar eens op de prestaties van al die mensen op de wereld die nog nooit van Hem gehoord hebben. 'Zonder Mij kunt gij niets doen', het is een belachelijke uitspraak.
Het is inderdaad waar dat de mens zonder Christus heel veel kan doen.
En echt niet enkel kwaad. De nietgelovige mens is tot grote en indrukwekkende prestaties in staat. Zijn uitvindingen bijvoorbeeld hebben ervoor gezorgd dat het leven van de mensen verlengd en in veel opzichten veraangenaamd is. Maar eerlijk is eerlijk, tegelijk is hij door diezelfde uitvindingen in staat die levensverlenging en veraangenaming ook weer ongedaan te maken. Hele kulturen worden door de mens opgebouwd, maar diezelfde kulturen worden door diezelfde mens ook weer vernietigd.
Zodat de uiteindelijke uitkomst van het hele menselijke bedrijf toch nul is.
Kijk, als we daarop letten dan zitten we in de buurt van Jezus' uitspraak.
Hij kijkt vanuit het eeuwige koninkrijk van God naar de mens op aarde en stelt dan vast dat het zonder dat koninkrijk of zonder Hem die de belichaming van dat koninkrijk is, met die mens niets gedaan is. Er komt niets wezenlijks uit zijn handen. We moeten dus het koninkrijk Gods als maatstaf nemen en dan is maar al te waar wat Jezus zegt: 'Zonder Mij kunt gij niets doen'.
Wat mij de laatste tijd nogal bezig houdt is dat wij als land en als volk heel wat op onze schot>nemen. En dat zal voorlopig eerder rnëer dan minder worden. Ik heb de opvänq en de integratie van de allochtonen. op het oog, de vreemdelingen in onze poorten. Dat is een heel karwei. Ik bedoel niet te zeggen dat omdat dit niet eenvoudig is de toeloop van de vreemdelingen maar afgeremd moet worden. Dat is meer een politieke kwestie, daar laat ik me op deze plaats niet over uit.
Maar zijn we als volk niet een beetje lichtvaardig bezig? Zo van: We moeten het kunnen en dus kunnen wij het? Het is zelfs zo dat als je in dit verband maar het woord moellijk laat vallen, je al direkt onder verdenking van racisme staat. Dat de anderen inderdaad anders zijn, dat mag gewoon geen naam hebben. Dat te noemen is al diskriminerend.
Maar het is intussen wel de werkelijkheid.
Wij moeten de allochtonen opvangen maar kunnen wij het ook? We kunnen misschien vanuit onze Buitenveldertse villa's de last wel afwentelen op de armere buurten van de stad maar dat mag nog geen kunnen heten.
Dat is alleen maar goeQkoop en schijnheilig. We zullen er echt samen aan moeten gaan staan. Dat betekent ook dat er goede voorlichting moet zijn over wat het eigenlijk wil zeggen anderen een volwaardige plaats in ons midden te geven. Dat we daar maar niet in een vlaag van menslievendheid aan beginnen om er dan vervolgens bij de eerste de beste t~genslag weer mee op te houden. Voorlichting, dat is al een manier om llchtvaardiqhetd te bestrijden. Maar genoeg is het niet. De grote vraag blijft waarwij geestelijke kracht vandaan halen om dit karwei te klaren. De overheid kan de kerk wel vragen of ze de mensen weer wat meer normbesef wil bij'brengen. Dat is een goede vraag en het is zeer be'grijpel ijk dat de overheid Qie stelt. De kerk zal daar naar moeten luisteren. Maar ook hiervan geldt: genoeg is dat niet.
De norm is trouwens oek wel genoegzaam bekend, in dit opzicht. Maar de kracht om naar die norm te doen, is die er wel? Dat is de vraag.
'Zonder Mij kunt gij niets doen', zegt Jezus. Ik begrijp eigenlijk niet dat Nederland nu het vandaaq voor zo'n enorme opgave staat niet massaal naar de kerk holt. Om daar in die kerk te gaan bidden om de nodige kracht.
Naar de kerk. Niet eens dus voor de preek, in de eerste plaats, maar voor het gebed. Als godsdienst en kerk toch iets betekenen in het leven, dan zou dat nu moeten blijken. In plaats daarvan stromen de kerken leeg. Dat is toch heel vreemd. Mijn huis, zegt Christus, zal een huis des gebeds genaamd worden voor alle volken. Het is een woord dat vandaag in een frisse betekenis voor ons komt te staan. Dat we namelijk als plurale samenleving, samengesteld uit vele nationaliteiten, Gods aangezicht zullen zoeken om van Hem het geschenk van een vreedzaam samenleven te begeren. 'Zonder Mij kunt gij niets doen'.
Bedenk: Christus ziet vanuit zijn koninkrijk ons allemaal, tot de sterkst verwortelde Nederlander toe, als allochtonen.
Als vreemdelingen en asielzoekers. 'Een vreemdeling ben ik bij U, een bijwoner gelijk al mijn vaderen', zegt dan ook een psalmdichter die al sinds mensenheugenis in zijn vaderland woont. Hoezo dan vreemdeling en bijwoner? Wel, deze dichter overweegt: Wat befekent vaderland in het licht van het Vaderhuis? Ten opzichte van dat Vaderhuis voelt hij zich vreemdeling. En dat is hij ook. Zóals wij allemaal. En nu is Christus gek~ men om ons toch in dat Vaderhuis op te nemen en te integreren. Daar heeft Hij zich voor geofferd. Dat heeft zijn liefde gedaan. Wij zijn allemaal als vreemdelingen en bijwoners door Hem aangenomen en opgenomen. Als je daarover nadenkt dan kan het niet anders of dat wordt een krachtbron en een inspiratie voor je. Om namelijk Christus na te volgen en vanuit 'diezelfde liefde die Hem bewogen heeft onze medelanders tegemoet te treden.
Zoals het oude Israël geroepen was om de liefde die God in de uittocht uit Egypte getoond had om te zetten in liefde tot de vreemdeling. Nee, we behoeven daarvoor de mooie gave van het vaderland niet op te geven. We mogen God danken voor ons plaatsje op onze geboortgrond. Maar van ons wordt wel gevraagd dat wij het vaderland vanuit het Vaderhuis zullen weten te relativeren. Zweer je bij het vaderland dan ga aan de grenzen staan om al het vreemde te weren. Maar houd je het bij het Vaderhuis dan ga je aan de deur staan om de anderen binnen te nodigen. Uit pure verwondering dat je zelf niet buiten hoeft te blijven.
'Zonder Mij kunt gij niets doen', - ik durf dat woord van Christus toe te passen op onze houding tegenover de vreemdeling die in onze poorten is.
Zonder Christus zullen wij niets goeds voor ze kunnen doen. Zonder Christus zullen de besten onder ons misschien enthousiast beginnen met goed voor de vreemdeling te zijn. Zo zeer zelfs dat men luidruchtig zal zeggen: Zie je wel dat het mogelijk is zonder Christus iets goeds te doen? Maar dan... Dan komen er moeilijkheden en dan zal men afhaken. De kracht en het doorzettingsvermogen zullen ontbreken om de klus te klaren. Onze liefde heeft voeding nodig en die vinden we uiteindelijk bij de liefde van Christus. Hij is niet uitgepraat al zou je dat misschien uit de leegloop van de kerken kunnen opmaken. Wij hebben Hem vandaag even hard nodig als onze voorouders.
Zonder Hem kunnen wij niets van betekenis doen.