Ingezonden
1993-03-12
Er zijn van het boek 'Een kerk ging stuk', van de hand van de di. G. van den Brink en H.J. van der Kwast, al verschillende besprekingen gegeven.- Jaargang 37
- nummer 6
Toch zou ik er één aan willen toevoegen.
Allereerst om te zeggen, dat ik erg blij ben, dat met dit boek van onze kant een relaas gegeven is, en vaak heel treffend, van wat er rond de laatste scheuring aan de hand geweest is.
Blij, dat de broeders de moed en de kracht daarvoor gevonden hebben.
Zelf zou ik het niet opgebracht hebben.
Er moet me echter ten aanzien van dit boek toch ook iets anders van het hart.
En dat is de wijze, waarop ds. Telder er af komt in dit boek. Er worden over hem ook wel lovende woorden gespro"
ken, maar tegelijk wordt toch op een manier over hem geschreven, die ik wondend, om niet te zeggen: stotend, vind. En dat betreft dan allicht zijn opvattingen over 'sterven en dan'.
Men kan het nl. met zijn opvattingen niet eens zijn, maar dan zal het moeten komen tot en blijven bij een zakelijke bestrijding, met argumenten van exegese. En inderdaad is zijn exegese hier en daar te verbeteren, overigens niet altijd tot schade voor zijn standpunt.
Nu echter worden allerlei kwalificaties gegeven, die daar ver bovenuit gaan en ds. Telder zelf treffen. Zo wordt gezegd, dat bij hem een 'naïeve bijziendheid' was (blz. 132)en 'een vleug biblicisme' (blz. 134).Verder dat "hij een verkeerde constructie naar buiten brengt, waar hij, door een optredende gezichtsverenging, niet vanaf kon komen" (blz. 159).Ook wordt nog gesproken van 'het soms wat drijverige purisme van ds. Telder" (blz.222).
Daar blijft het zelfs niet bij: in ditzelfde oordeel wordt dan ook meegenomen ds. Vonk (heel nadrukkelijk blz. 134), en via een citaat van Vrijgemaakte kant nog een predikant uit ons midden, en deie in actieve dienst. Maar dat zijn mensen, op wie bovengenoemde kwalificaties dan blijkbaar ook zijn toe te passen. Anders kom je blijkbaar niet tot zulke opvattingen.
Het wordt echter nog erger, als ds. Mooiweer gelijk heeft bij een bespreking van dit boek voor studenten in het kader van de Theologische Studiebegeleiding (Studiemap H-1O).Hij schrijft daarin nl. aan het slot, op blz. 17: "Of het gevoelen van ds. B. Telder en de visie van ds. C. Vonk in de Ned. Geref. Kerken weinig effekt heeft gehad, zoals Van den Brink en Van der Kwast poneren op pag. 133van hun boek, waag ik te betwijfelen. Ik ben tenminste in onze kring al heel wat Telderianen en Vonkianen tegengekomen, hoewel ik er moet bij zeggen, dat ze ook huizen in de vrijgemaakte kerken!
En ik waag ook te betwijfelen of iedere predikant, die dit gevoelen aanhangt daarover op de kansel zwijgt wanneer het in het kader van de preek te pas komt. Velen beleven deze visie als een herontdekking van het spreken van de H. Schrift!"
Er zijn dan dus in ons midden (en zelfs in Vrijgemaakte kring) nog veel meer mensen, op wie genoemde kwalificaties van toepassing zijn. En dat zullen voor het grootste deel - dat is het verband - ook wel predikanten zijn. Predikanten, wier gemeenteleden op deze manier gemakkelijk en duidelijk aan de weet kunnen komen hoe ernstig het met hun voorganger is gesteld. Daa:r hoeft naar exegese niet meer gekeken te worden.
De vraag, die tenslotte gesteld moet worden, is deze: waarom moet op deze manier geschreven worden? Om aan de Vrijgemaakten duidelijk te maken, dat het met ons Nederlands Gereformeerden helemaal niet zo slecht is gesteld? En dat wij toch aannemèlijke candidaten zijn voor samenspreking en herenigingspogingen? Als dat zo is, dan zijn - en dat zal zeker de bedoeling van de schrijvers niet zijn, maar zo werkt dat - de daarvoor benodigde slachtoffers al op het samensprekingsaltaar geschikt. Dat zou jammer zijn in een kerkengemeenschap, waarvan schrijvers "de grote openheid en onbevangenheid en de grote belangstelling voor de exegetische vakken" prijzen (blz. 223).