Psalm 65

1993-03-12
  • Jaargang 37
  • nummer 6
U komt stilheid toe, een lofzang, 0 God in Slon '.
Dat werd vrij weergegeven in deze woorden: De lofzang is in stilheid tot U, 0 God", Het verwoordt de stemming: daar word ik stil van...
Maar er dient gezongen te worden: voor de koorleider, de dirigent. En wel: een psalm (uit de bundel) van David.
Een zangstuk, een gezang. Straks zingen dreven en heuvelen, landouwen en dalen (vs 13, 14).
Hier is het een gemeentelied.
Ik citeer een oude commentator: ..Deze psalm is een geheel van aanbidding.
Een eigenlijk loflied is het niet, al straalt er overal een toon van dankbaarheid, vreugde in door; maar aanbidding, een zich neerbuigen in heilig ontzag voor God, in bewonderend erkennen van zijne majesteit en goedheid ." 3 Let wel: voorop komt in deze psalm de dankbaarheid; van daaruit wordt gesproken over ellende en verlossing.
Een lofzang is betamelijk (Ps. 147:1).
En betamelijk is óók: U worde gelofte betaald.
Een gelofte: een cadeautje voor God als ik... (en dan vul je maar een willekeurige wens in)? Maar zo wordt een gelofte een handig handeltje. Denk liever aan Hanna en Elkana (1 Sam. 1: 11,21) - een gelofte uit nóód geboren.
Bitter bedroefd bad Hanna tot de HERE en deed een gelofte - niet dwingend maar met een volkomen bereidheid en volkomen overgave.
Naar Sion Ik wil u meenemen, eerst, naar Jeruzalem, naar de oude stad, Sion. Daar woont Israëls God - de HERE, Jahwe.
Daar heft een menigte dit lied aanmisschien is deze samenkomst in Sion w~1(een deel van) de inlossing van de gelofte. Een gelofte afgelegd in nood.
Want nood wás er: ..Hoorder van het gebed ..... In de herfst was er als altijd geploegd, lange voren waren getrokken, maar de grove aardkluiten waren, onder de brandende zon, door de droogte keihard geworden. Zo hard als de bleekwitte stenen in en aan de randen van de akker. De vroege en de late regen bleef uit ondanks de (voorwaardelijke!) belofte (Lev. 26:3-5; Deut.
28:2,12) ... Verschrompeld zijn de zaadkorrels onder haar aardkluiten" (Joël 1:17 v.v.). Het landschap en dus ook straks zijn bevolking verdorstte en hongersnood stond voor de deur.
En dus was er gebeden. Ja en...? De dichter hanteert een ritme in de eerste helft van dit lied dat de toehoorder na elke zin doet vragen: ja en toen ...?
Ja en...? De HERE verhóórde Israëls gebed: Hoorder van het gebed - tot U komt alle vlees, elk nietig, vergankelijk mens.

In het heiligdom
In Sion waren we, en we gaan naar ..uw voorhoven", ..uw huis", ..uw tempel"
- het heiligdom. Daar zijn al de hogepriesters, priesters en Levieten, die God heeft ..genomen" (Nu. 18: 6, 7), ..afgezonderd" (Nu. 16:9), ..verkoren"
(Nu. 17:5, 16:5,7 - Aäron).
Tot hen heeft God gezegd: nader tot Mij, tot mijn altaar. Israël begroet hen vrolijk: zalig, gelukkig te prijzen zijn jullie! Ja, want waar de woninq" is van Israëls God, daar mogen deze 'geluksvogels' wonen".
Welgelukzalig zij - bevoorrechten zijn het - die in Uw huis wonen (Ps. 84:5).
Daar zit iets in van jaloezie", maar ook van opluchting. Want deze ..huisgenoten bij God"s doen dienst bij God, bij het altaar, ten behoeve van Israël, van die tempelgangers. Hoor die laatsten zeggen: ongerechtigheden hadden de overhand over mij - onze overtredingen...
Averechts en tegendraads, rebels waren wij - en daar kan ieder het zijne of het hare bij invullen, 't kwaad werd hun te machtig. David wist daar alles van (Ps. 32; 38; vgl. Spr. 28:13) en Israël - was het weer eens met Baäl in zee gegaan om vruchtbaarheid af te dwingen? Vanwaar anders die droogte in het land van melk en honing?
Maar hoor: Gij - en zelfs niet de (hoge) priester - Gij verzoent ze. Het dekselder verzoening gaat erover heen, ze zijn ... weg! Is dat niet om stil van te worden?
Een lofzang waard? Hoorder van het gebed!
En na dreigende hongersnood: wij worden verzadigd (geen mondjesmaat, volop Ps. 23:5; 34:9; 36:9; vgl.
Jes. 25:6) met het goede van uw huis, het heilige van uw tempel. (Vrede)offermaaltijden?
Maar ook innerlijk verzadigd: het is weer goed tussen God en mij!
Even me verplaatsend naar nu, denk ik aan die andere maaltijd, het avondmaal, als we Gez. 365 (met die wonderschone melodie) zingen: De zonden zijn vergeven!
Dit is een woord ten leven, bevrijdend van de schuld.
Wat God ons ooit beloofde wordt nu voor wie geloofde in Jezus' naam geheel vervuld.
't Is ook voor mij geschreven: ook ik mag uit Hem leven die ons genezen heeft.
Zijn liefde tot de zijnen brengt ons met Hem in 't reine, wij weten dat Hij ons vergeeft.
Ook dat is: verzadigd worden met het goede van uw huis, het heilige van uw tempel - daar word ik stil van!

Het dreigende water
Hoorder van het gebed ... Er komt antwoord, maar als steeds (Ps. 4:2, 20:7; Ex. 2:24,25) met-ter-daad!
Met ontzag-wekkende daden antwoordt Gij ons, in gerechtigheid. Iemands omschrijving: ..Zich houdend aan wat Hij eens beloofd heeft - men zou kunnen zeggen: in trouwen met geduchte daden."? De hele geschiedenis van Israël is daar één getuigenis van: heilsfeiten, heilsdaden.
En nu wordt de dichter geestdriftig.
Met een keur van namen en bepalingen 'schildert' hij de HERE- 't wordt een indrukwekkend schilderij: Heinde: God van ons heil en ver: Gij vertrouwen van alle einden der aarde en van de verste zeeën Krachtige grondvesterS van de aardegeweldige bergen als pijlers in de diepte gegrondvest Machtige beäwtriçer" van de zeeën en van de natiën.
Dank zij Hem, de Schepper van hemel en aarde krijgt de mens vaste grond onder de voeten. Want aan banden gelegd, bedwongen heeft Hij in de oertijd het (be)dreigende water, het bruisen der zeeën, meren en (golf)toppen - het gebulder, geraas, gehuil en geloei.
't Doet denken aan die ramp in de nacht van 31 jan. - 1 febr. 1953 ... Geweldige watermassa's werden die nacht samengeperst tussen Engeland en Nederland, de storm werd een orkaan en hoogtij werd springvloed. Die nacht vrat de zee een weg door onze dijken." Zulke watersnoden, zulk tomeloos geweld van bulderende watermassa's kende Israël niet - zeelui (Ps.
107:23 v.v.), Jona en vissers op het meer van Galilea even daargelaten, evenals de zondvloed.
Ja, het doet denken aan de schepping (Gen. 1:9,10, Ps. 104:5-9), aan het bedwingen van de wateren onder het uitspansel. Maar daar speelt iets anders doorheen - een stukje mythologie, maar dan als in Ps. 29 waar de oorspronkelijke naam Baäl is vervangen door Jahwe.

Mythe en geschiedenis
In de oertijd speelt zich volgens oude mythen de strijd af tussen Jammu (de zee als chaos) en Baälu. Maar het majesteitelijk optreden is bij Israël van de HERE- Jahwe, en dat speelt ook door Israëls (heils)geschiedsbeschrijving heen: de HERE heeft Rahab (Egypte - Schelfzee) en Leviathan neergehouwen (Ps. 89: 11, Job 26: 12; Jes. 51:9,10) en zijn volk bevrijd van de brullende zeeën, de als razend tekeer gaande volken (Ps. 2:1). ZÓ werd Hij Israëls heil, verlossing - het vertrouwen van alle einden der aarde. Hij heeft zijn volk gered uit afgrondelijke zeeën, onpeilbare waterdiepten, woest kolkende stromen - de God van de schepping en 'de God van de geschiedenis liggen voor Israël in één lijn.
Dus belijden we niet een God die te hooi en te gras wel even 'n watersnood keert, maar wel de almachtige God die machten, overheden en tronen bedwingt, aan banden legt en in toom houdt - al was het dood en duivel zelf!
- en zijn volk heilzame verlossing bereidt, met onvoorstelbare kracht omgord bij schepping en herschepping.
Je zult het zien en beleven, en zeggen: daar word ik stil van!
En daarom hebben diep ontzag - vanwege die ontzag-wekkende daden - zij die de einden bewonen, voor uw (wonder) tekenen. Ja, waar de morgen gloort (het Oosten) tot waar de avond daalt (het Westen) brengt Gij gejuich!

Het reddende water
Maar na en naast het (be)a,eigende water nu ook het reddende water!
Want het lied is nog niet uit.
Er blijft nog een vraag (ja, en toen ?) open: Gij Hoorder van het gebed met ontzag-wekkende daden antwoordt Gij.
Maar met wélke daden?
Hier is (eindelijk) het antwoord en dus de hoofdzin.
Sprak het vorige deel van de psalm over wat de HERE voortdurend doet, nu gaat het over één 'eenmalig', bepaald gebeuren. Immers: Gij bezoekt het land en verleent het overvloed, Gij maakt het zeer rijk!" D.w.z. het land is opeens bijna te klein voor de overvloed - 't is alsof het aan alle kanten uit zijn voegen barst vanwege de overweldigende rijkdom, hem verleend. En dat waar armoe troef was en hongersnood dreigde ...
Hoe? De beek Gods is vol water! 't Is alsof de hof van Eden weer even in zicht komt. Dáár een rivier, zich splitsend in vier stromen, die de hof bevochtigde (Gen. 2:10); en ook al ging die hof voor de mens verloren - Gods mogelijkheden zijn niet uitgeput. Want hier opent zich 'de beek Gods' - en we denken nu aan de wateren boven het uitspansel.
De sluizen van het Goddelijk bevloeiingskanaal worden wijd opengezet.
Maar het wordt geen zondvloed: zie, Gij bereidt hun koren, ja waarlijk zó bereidt Gij het! Hoe?
Een gestaag ruisende regen daalt neer op het land - de wateren boven het uitspansel brengen heil!
En als 'aus einem Gusz': doordrenken 10 zijn voren - doorvochtigen 10 zijn (steenharde) kluiten. Van opwinding struikelt de dichter haast over zijn woorden zodat ze bijna stotterend klinken: door regenstromen (birbibïm) maakt Gij het week (temogegennä).
Met als rustgevende conclusie: Gij zegent zijn gewas, dat wat gaat ontkiemen.
Met de regen is Gods zegen weergekeerd (Lev. 26; Deut. 28; vgl.
Joël 2:23 v.v.) in hèt land, onder Israël, en daarmee de rust. Daar word je stil van!

De kroon op het werk
Gij bekroont, omkranst het jaar - een bijzonder jaar en toch is regen zo heel gewoon! - het jaar uwer goedheid.
Ik denk aan Gez. 223, het lied van W.
Barnard, waarin diepe verwondering doorklinkt (2,3,6,7): Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen, zij gaat in alle nood door heel het leven heen.
Zij daalt als vruchtbaar zaad tot in de groeve af omdat zij niet verlaat wie toeven in het graf.
Het zaad der goedheid Gods het hoge woord, de Heer valt in de voor des doods, valt in de aarde neer.
AI gij die God bemint en op zijn goedheid wacht, de oogst ruist in de wind als psalmen in de nacht.

Paradijselijk panorama
Met de landeigenaar beklimmen we nu .een hoge heuvel in het landschap en vóór ons ontvouwt zich een weids, een schitterend panorama. Het gelaat van het aardrijk wordt vernieuwd (Ps.
104:30), het land is herschapen, herboren.
"Het is één lachend bloemtapijt, dat spreekt van zegen en dankjubel. ,,"
Gij kroont het jaar van uw goedheid, uw (voet)sporen druipen van vet (symbool van overvloed). Heeft de dichter gedacht aan Gods wandelen in de hof (Gen. 3:8)? In elk geval ziet het land er paradijselijk uit!
Gods voetsporen - ik denk aan 't lied van Jan Wit (Gez. 305), met een kleine verandering: Waar God de Heer zijn schreden zet daar wordt de mens, van angst gered, weer in het licht geheven.
Kijk: de dreven der steppe druipen; notabene de steppe in de woestijn (Job 38:25 v.), de Negev, het Zuiderland (vgl. Ps. 126:4). Zoëven was alles nog doods, nu is het er voor even (vgl.
Ps. 103:15,16; Jes. 40:6,7) een bloemenzee, grazige weiden.
De (omringende) heuvelen omgorden zich met gejuich, de landouwen (wat waren ze naakt en kaal) zijn bekleed met kudden: het is er goed toeven voor het kleinvee, de schapen en de geiten.
De dalen tooien zich met koren: goudgeel golvend graan. Het land, getooid in feestgewaad, juicht en jubelt. Geen wonder dat dit lentelied bij Israël een paaslied is geworden!
Als de sluizen van Gods goedheid open gaan, even soms en als voorteken van wat straks komen gaat, gebeuren er de schoonste, meest onverwachte dingen 12; ogenschijnlijk heel gewoon: een man en een vrouw vinden elkaar, bijv.
En toch: daar word je stil van ...
Dreven, heuvelen, landouwen, dalenzij jubelen elkander toe, ook zingen zij. Eén overweldigende lofzang. met stem en tegenstem.
En wij, wij zingen mee: een psalm, een gezang (uit de bundel) van David - op naar Sion: "De lofzang is in stilheid tot U, 0 God"!

Noten
1 opgedragen aan ds Henk de Jong en Betsy Mennen bij gelegenheid van de dankzegging en voorbede voor hun huwelijk 2 als in de advertentie in het Ned. Dagblad, 12 febr. 1993 3 J.J.P. Valeton Jr, De Psalmen 11,pg 157; Nijmegen 1903 4 misjkàn (woning; vaak tabernakel)-
siàkan (wonen) 5 naar een (niet gepubliceerde) preek van prof. B. Holwerda 6 Gommen!. v. Strack - Zöckler; H. Keszler, Die Psalmen, a.1.München 1899 7 J.J.P. Valeton Jr. a.w. pg 160;cursivering van hemzelf 8 participia in M.T.
9 Na een reeks imperfecta nu een perfectum gevolgd door waw.-cons. even!. te vertalen door: Gij hebt het land bezocht; enz.
10 infinit. absoluti; gebruikelijk "in lebhafter Erzählung", G. Brockelmann, Hebräische Syntax, Glückstadt 1956,S 47 11 A. Noordtzij. K.V. Psalmen I, pg 188, Kampen 1934 12 M. Luther: Gottes Brünnlein hat Wassers die Fülle, ap. B. Gemser, T.s. U. Psalmen 11, pg 108, Groningen 1949

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief