Ter verdere decoderlag van het boek Openbaring (1)

1993-03-26
  • Jaargang 37
  • nummer 7
Enige tijd geleden heb ik in dit blad enkele suggesties gedaan met betrekking tot de uitleg van het boek Openbering(1). Wat mij in het bijzonder was opgevallen is, dat het motief van Israëls uittocht (uit Egypte eerst, uit Babel later) zo sterk bepalend is voor het stramien waarop een heel aantal vizioenen in dat boek is geborduurd. Wat stad en land en volk van Israël blijkens deze vizioen en in de nabije toekomst te wachten staat, wordt hunen ons - voorgeschoteld in beelden, ontleend aan Gods grote daden in Israëls verleden.
Dit laatste bijbelboek blijft mij boeien. (Ook vanwege zijn relatie met het Johannesevangelie, dat mij al langer bezig houdt. Men heeft dat in mijn artikel 'Schapen uit een andere stal' kunnen bemerken.) Als vrucht van nadere bezinning wil ik in dit artikel voor nog een tweetal plaatsen uit dit bijbelboek suggesties doorgeven, die anderen misschien eens willen overwegen.

'Niet met vrouwen bezoedeld'
Allereerst dan voor 14, 4. In het vizioen dat in de eerste verzen van hoofdstuk 14 ons beschreven wordt, ziet Johannes het Lam - dat Herder werd, zoals we zagen(2) - met zijn kudde van de 144000, die uit 'Egypte' is uitgeleid (7, 1-17), staan op de berg Sion, het einddoel van de woestijntocht (Ex. 15, 17). Van deze op haar eindbestemming gearriveerde kudde heet het dan in v. 4: "Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bezoedeld, want ze zijn ongerept".
Hier hebben we de gemeente, die Christus nu als zijn bruid "zonder vlek of rimpel, kuis en onberispelijk aan zijn zijde heeft gesteld" (Ef. 5, 27).
Maar wat betekenen hier de woorden "die zich niet met vrouwen hebben bezoedeld"? De exegeten hebben zich daarover het hoofd gebroken. Ik zal hier niet opsommen, wat men zoal ten beste heeft gegeven(3). Ik voor mij ben geneigd een vingerwijzing voor het verstaan van deze uitdrukking te vinden in de brief aan Pergamum, 2,12-17. (In een eerder artikel zei ik reeds, hoezeer de opmerking van Van der Waal behartiging verdient, dat wij de zeven brieven uit Op. 2 en 3 niet mogen loskoppelen van de vizioenen die daarna volgen.) In 2, 14 lees ik nl.: "Maar Ik heb u enkele dingen ten laste te leggen: dat u daar mensen hebt die zich houden aan het advies van Bileam. Deze adviseerde Balak de Israëlieten in de val te lokken door ze aan een offermaal voor afgoden en (de daarmee gepaard gaande) ontucht te laten deelnemen".
Ook 14, 4 bevat rn.i., evenals 2, 14, een zinspeling op Baäl-Peor. Deze afgodische hoererij kostte aan 24000 Israëlieten het leven (Num. 25, 9), en daarmee de intocht in het beloofde land.
Slechts zij die van "de dochters van Moab" (Num. 25, 1) afbleven, beërfden het land en bereikten de berg van God.
Dát verleden ziet Johannes, als ik mij niet vergis, herleven in het vizioen aan het begin van Op. 14.

Nogmaals Ez. 37
Het tweede gedeelte dat mijn aandacht trok is 11, 11.12.
Visser schrijft: "De perikoop 11:1-14 is mogelijk wel het meest raadselachtige gedeelte van de gehele Openbaring".
Nu had ik in mijn artikel 'Drie oudtestamentische sleutels' wegens de zinspeling in Op. 20, 8 op Ez. 38 en 39 het gewaagd Op. 20, 4 te verklaren vanuit Ez. 37. Welnu, uitgerekend Ez. 37,10 wordt letterlijk geciteerd in Op. 11, 11: "een levensgeest uit God kwam in hen, en zij gingen op hun voeten staan".
Om te beginnen sterkt dit citaat mij in de gedachte, dat ik bij de verklaring van 20, 4 wel eens terecht naar Ez. 37 kon hebben gegrepen.
Maar verder vraag ik mij af, of wij in 11, 11 dan niet met hetzelfde gebeuren te doen hebben als in 20, 4. Met dit verschil, dat in 20, 4 gesproken wordt van alle kinderen Gods die hun verzet tegen het beest met de dood hebben moeten bekopen, terwijl in hoofdstuk 11 aan de 'voorgangers' van deze standvastige Christus-belijders aandacht wordt geschonken.

Mozes en Elia
"Getuigen" heten die twee (v. 3); of ook "profeten" (v. 10); want hun "lastgeving" is: "profeteren" (v. 3)(4).
Ze vertonen onmiskenbaar de trekken van de profeet Mozes ("zij hebben de macht over de wateren, om die in bloed te veranderen, en om de aarde te slaan met allerlei plagen", v. 6b) en Elia ("indien iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden" (v. 5): vgl. 2 Kon. 1, 10.12; en zij "hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt gedurende de dagen van hun profeteren" (v. 6a): vgl. 1 Kon. 17, 1).
Mozes en Elia: "de twee getuigen van Mij" heten ze (v. 3). Dat klinkt alsof ze niet alleen het getuige zijn als vaste functie hebben, maar ook de enigen zijn die met die taakzijn belast.
Verder worden ze aangediend als "staande voor het aangezicht van den Heer der aarde" (v. 4). Dat wil zeggen: zij zijn in dienst(5) aan het hemelse hof. (Vgl. wat Gabriël zegt: "Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht sta", Lc. 1,19.) Vandaar werden ze ook uitgestuurd om met Jezus te spreken "over zijn uitgang die Hij te Jeruzalem zou volbrengen", Lc. 9, 30.31. En van den profeet Elia werd een missie naar de aarde aangekondigd in Mal. 4, 5.

Uit het Nieuwe Testament weten we, dat deze profetie vervuld is in de komst van Johannes den Doper (Mt. 11, 14). Daaruit mogen we opmaken, dat het ook in Op. 11 niet gaat over den Mozes dien wij uit Exodus -, en over den Elia dien wij uit Koningen kennen. Met deze twee moeten de getuigen niet worden geïdentificeerd; ze worden alleen door een verwijzing naar hen gekarakteriseerd. Het gaat hier in Op. 11 om figuren die "in de geest en de kracht van Elia" (vgl. Lc. 1,17) in het belegerde Jeruzalem zuIlen uitgaan om te profeteren(6); om te getuigen van Jezus, in de hoop dat Gods afkerig volk "al is het dan ter elfder ure alsnog zal inzien, welke weg ze moeten inslaan om vrede met God te krijgen" (vgl. Lc. 19,42).

Ez. 2 en 3
Want dat is, dunkt mij, de teneur van de beide - onderling samenhangende - vizioenen die tussen de zesde (9, 13-21) en de zevende bazuin (11, 15 vlgg.) zijn ingelast(7). Het eerste vizioen (hoofdstuk 10) is immers geborduurd op het stramien van Ez. 2, 9 - 3,3. Nu, in dat Schriftgedeelte is het beleg van Jeruzalem aanstaande: zie Ez. 4. Maar vóórdat de Heere zijn stad aan de verwoesting prijsgeeft, zendt Hij nog éénmaal een profeet. Hij weet weliswaar uit ervaring, dat Hij met een opstandig en afvallig volk te doen heeft. Maar evenwel: "Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: 'Zo zegt de Heere HEERE'.
En zij, of zij horen dan wel het nalaten - want zij zijn een weerspannig geslacht - zullen weten, dat er een profeet in hun midden is geweest", Ez. 2, 4.5. Niemand zal den Heere ooit kunnen verwijten, dat Hij niet tot het uiterste zijn best heeft gedaan zijn volk te behouden. Met het volste vertrouwen in de negatieve beantwoording ervan kan Hij de rhetorische vraag stellen: "Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen, dat Ik er niet aan gedaan heb?" (Jes. 5,4).
Wel, hier in Op. 11 is het opnieuw 'vijf voor twaalf': nog even, dan zal de laatste bazuin klinken (11, 15). Het gericht is op handen. En weer zendt God een profeet. Wat zeg ik? Twee getuigen ditmaal! Om de waarheid van hun boodschap onaanvechtbaar te maken (Dt. 19, 15)(8).

Zach. 4
Hoezeer ook hfdst. 11 een vervolg is op hfdst. 10, het sluit niet naadloos daarbij aan. Van een uitvoering van de opdracht tot profeteren (10, 11) door Johannes krijgen we niets te horen. Er vindt een wisseling van tafereel plaats. Van den profeet Ezechiël, in wiens schoenen Johannes in hfdst. 10 kwam te staan, richt de camera zich nu op de profetie uit Zach. 4. Profeteren gaat nu niet Johannes, profeteren gaan twee getuigen.
Deze zijn tegelijk de kandelaar en de olijfboom, die in Zach. 4 gescheiden worden genoemd.
De bedoeling zal zijn, dat ze niet alleen in hun profetische voor-licht-ing als kandelaren fungeren (vgl. wat Jezus van Johannes den Doper zegt: "hij was de brandende en schijnende lamp", Jh. 5, 35: zie ook Filipp. 2, 15.16) maar dat ze de olie waarop hun licht brandt, ook zelf aanleveren, dus tegelijk olijfbomen zijn. Daarin zullen we wel moeten zien een vervuld zijn met den Geest. Jezus zegt nl. tegen de Samaritaanse: het levend water dat Ik iemand geef, "zal in hem worden tot een fontein van water dat blijft opspuiten tot in het eeuwige leven", Jh. 4, 14. Later herhaalt Hij dit woord: "Wie in Mij gelooft, stromen van levend water zullen, zoals de Schrift zegt, uit zijn binnenste vloeien", Jh. 7, 38. En dan volgt deze uitleg van Johannes: "Dit zei Hij van den Geest, welken zij die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden", v. 39.
Wat hier van den Geest als het levende water gezegd wordt, geldt evenzeer van den Geest als de olie waarop de vlam der profetie brandt: Hij heeft zich in de getuigen van Jezus genesteld (vgl. Jh. 17) en ze zo 'selfsupporting' gemaakt. (Ligt hier soms een sleutel voor Mt. 25, 4? Vgl. Ef. 5,18b.)

Veiligstelling van eigendommen
Niet alleen t.a.v. de plaats waar de twee getuigen hun einde vinden, lijken ze op hun Heer (vv. 7.8), maar ook in hun onaantastbaarheid, zolang ze hun missie volbrengen. Van Jezus immers heet het: "Zij trachtten Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn ure was nog niet gekomen", Jh. 7, 30. Nu, als hun tegenstanders deze getuigen te na willen komen, krijgen ze lik op stuk, v. 5.
Pas als deze profeten hun getuigenis hebben voltooid, worden ze door het beest uit de afgrond overwonnen, v. 7(9). De getuigen genieten dus tijdens het volbrengen van hun opdracht kennelijk Gods bescherming. En in het teken van die bewarende hand van God staat ook de inleiding op dit vizioen, v. 1. Johannes krijgt een meetlat in de hand geduwd met de opdracht: "Sta op, meet de tempel Gods en het altaar en hen die daarin aanbidden". Visser interpreteert dit 'meten' wel terecht als 'beveiligen'.

Als we in Ps. 60 lezen: "Ik wil Sichem verdelen, het dal van Sukkoth uitmeten. Mij behoort Gilead en mij behoort Manasse", dan is het duidelijk dat degene die hier aan het woord is, de gebieden die hij opsomt, als zijn eigendom claimt. Maar 'uitmeten' is dáár, gezien het parallelle 'verdelen' wel op te vatten als: toewijzen van bepaalde stukken ervan aan zijn onderdanen.
Hier in Op. 11 echter lijkt het te gaan om het afperken van bepaalde stukken van zijn eigendom die God (nog) niétwll afstaan. Vóórdat de Heere - behalve de voorhof die reeds nu wordt prijsgegeven, v. 2 - ook tempel, altaar en aanbidders aan het beest ten prooi doet vallen, waarna dit "zich in de tempel van God kan installeren om zich te presenteren als God" (2 Thess. 2, 4), brengt Hij nog voor korte tijd zijn eigendomsrechten op die drie (tempel, altaar, aanbidders) tot gelding. Die drie houdt Hij nog even vast, reserveert Hij voor Zich(10).
Niet alleen dus zijn tempel en zijn altaar, maar ook zijn aanbidders laat de Heere hier 'meten'. En plotseling realiseren we ons, dat we wat Johannes hier ietwat cryptisch aanduidt, bij Paulus in duidelijke bewoordingen terugvinden. Treurend over de afwijzing van Jezus Christus door het gros van het joodse volk, verwijst Paulus naar de tijd van... Elia!! Jawel: dezelfde figuur die hier in Op. 11 opdoemt.
Paulus citeert dan de woorden die de Heere richt tot den moedelozen profeet, die zichzelf als enige overgebleven waant en zijn leven bedreigd ziet (juist als de twee getuigen hiér); deze woorden: "Ik heb voor Mijzelf zevenduizend man overgelaten die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen", Rom. 11,4 (= 1 Kon. 19, 18).
'In opdracht van God gemeten' heet het in Op. 11 van de restgemeente(11): 'door God voor Zichzelf gereserveerd' zegt Paulus van haar.
Hoe verrassend, telkens weer, deze harmonie der Schriften. En hoe vertroostend, dit woord; ook voor onze dagen.

Noten
1 Opbouw, jrg. 36, nrs. 16, 17 en 20.
2 Zie met name het slot van het eerste van de in de vorige noot aangehaalde artikelen; alsook het begin van het tweede artikel.
3 Een overzicht van de verschillende kanten die men met deze tekst opging, is te vinden bij A.J. Visser, De Openbaring van Joberinee", Nijkerk 1975, blzz. 145 vlg.
4 Vgl. wat de tolkengel in 19, 10 tegen Johannes zegt: "Het getuigenis van Jezus is de Geest van de profetie". D.W.Z. in het getuigen door zijn leerlingen van wat Jezus gedaan heeft is de Geest uit God actief, die ook de profeten dreef, vgl. 1 Petr. 1, 11; 2 Petr. 1,21.
Overigens hoop ik t.z.t. op 'getuigen' en 'getuigenis' nog eens terug te komen.
5 'Staan' - zowel het simplex als de samenstelling met 'para' (= 'bij') - wordt nogal eens gebezigd in de zin van 'dienst hebben'. Zo is in Hd. 22, 25 in plaats van "den hoofdman die er bij stond" (NBG) de weergave "de dienstdoende honderdman" (Will.) te verkiezen. Ook in Hd. 23, 2 zijn met "hun die naast hem stonden"
wel bedoeld: de dienstdoende suppoosten.
6 Opnieuw laat zich hier een relatie met een van de zeven brieven signaleren. Terwijl we hier nl. met een profeet van het type Elia te maken krijgen, spreekt de brief aan Thyatira van "de vrouw Izebel", Elia's grote tegenstandster (Op. 2, 20), die zich nu zelf profetes waant.
7 Men lette erop, dat wij de uitspraak in 11, 14 "Het tweede wee" (d.i. de zesde bazuin, D.H.) "is voorbijgegaan; zie het derde wee komt spoedig" al aan het slot van hoofdstuk 9, meteen na de zesde bazuin, zouden hebben verwacht, als wij in aanmerking nemen, dat de corresponderende uitspraak in 9,12 "Het eerste wee is voorbijgegaan; zie, nog twee weeën komen hierna" onmiddellijk op de vijfde bazuin volgt.
8 De beklemtoning van de waarheid en rechtsgeldigheid van het getuigenis door erop te wijzen, dat het uit de mond van twee of drie getuigen komt, vinden we vaker bij Johannes: in zijn evangelie 8, 17.18 en in zijn eerste brief 5,7.
9 Als we de bewoordingen van deze tekst vergelijken met die van 13, 7a, dan wordt het toch wel aannemelijk, dat het op beide plaatsen om één en dezelfde strijd gaat, waarin dáár Gods heiligen het onderspit delven, hiér hun 'voorgangers'.
10 Misschien laat de betekenisovergang van 'meten' naar 'reserveren' zich beter indenken, als we ons een parkeerterrein bij een openbaar gebouw voorstellen. Daarop zien we soms enkele vakken door witte lijnen omgeven en met 'NP' gemerkt. Zulke vakken zijn 'gemeten' - wat blijkt uit de omlijning - met de bedoeling dat ze 'gereserveerd' blijven, b.v. voor den directeur of voor den burgemeester.
11 Dat Gods beveiliging zich niet alleen uitstrekt tot de twee getuigen (profeten), maar ook tot de 'aanbidders', is m.i. een aanwijzing temeer, dat de strijd tegen het beest van de twee getuigen uit hoofdstuk 11, evenals hun sterven en opstanding, niet te scheiden is van de strijd tegen het beest, de dood en het herleven van alle andere 'heiligen' (13, 7; 20,4), die immers ook "het getuigenis van Jezus hebben" (12, 17; 19, 10). Wat we in 11, 11.12te zien krijgen is, denk ik, een scherper gesteld détail van wat zich in 20,4 voor onze ogen ontrolt: uit de grote kudde dáár komen hiér de (onder)herders even apart in de schijnwerper.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief