Zo moest het
1993-04-09
Herinnert u...- Jaargang 37
- nummer 8
Het lege graf bracht de vrouwen vroeg in de morgen in grote verlegenheid. Dit hadden ze allerminst verwacht. En toen ze, ingelicht over de opstanding van de Here, zijn discipelen gingen vertellen wat er was gebeurd, geloofden die het niet eens. Kletspraat vonden ze het.
Vreemd toch, want Jezus had tevoren meer dan eens met zoveel woorden gezegd dat het zo zou gaan.
In onze bijbel heten dat de 'lijdensaankondigingen'.
Het waren echter ook evenzovele aankondigingen van zijn opstanding! Al bij de eerste keer, nog in Galilea, had Hij het erbij gezegd: De Zoon des mensen moet veel lijden... en gedood worden en ten derden dage worden opgewekt, 9:22.
Was hun dat dan zo totaal voorbijgegaan?
Blijkbaar. Ze waren ook blijven steken bij dat lijden en moeten sterven.
Daar begrepen ze niets van, denk aan de reactie van Petrus: dat verhoede God! Dan is "en ten derden dage opstaan" helemaal aan dovemansoren gesproken.
Bij het lege graf riepen boden uit de hemel Jezus' woorden tot de zijnen terug in de herinnering. En ja, ook die vrouwen konden zich het toen herinneren: dat heeft Hij gezegd, inderdaad.
Niet voor niets had de Here voordat alles ging gebeuren er zo nadrukkelijk en duidelijk over gesproken. Opdat ze zouden geloven als het zover was.
Vergelijk Joh. 13:19
Een belangrijk houvast voor het geloof: Hij heeft het zelf voorzien en voorzegd. Niet vaag, voor tweeërlei uitleg vatbaar, neen heel exact. Dat het zo moest gebeuren.
Voor ons is het ook nog van belang ons dit te herinneren. Om vast te kunnen houden ook, dat zijn lijden niet een duister lot was dat Hij zelf nauwelijks begreep, waarvan Hij ook de uitkomst niet wist. Neen.
Hij heeft het geweten
Dat is uit het getuigenis van alle vier de evangeliën overduidelijk. Hij heeft het zelf heel scherp voor ogen gehad. Niet alleen wat Hem te wachten stond aan lijden en vernedering. Maar ook de heerlijkheid daarna. Is zijn Vader Hem wat dat laatste betreft ook nog niet extra tegemoetgekomen, een week nadat Hij er tegenover zijn discipelenover begonnen was? In de verheerlijking op de berg, 9:28 vv. Dat heeft Hem ook wel bemoedigd om zo beslist "zijn aangezicht te richten naar Jeruzalem": de dagen van zijn 'opneming' waren aangebroken, 9:51. Opneming - als van Elia!
In Hebr. 12:2 worden de gelovigen opgeroepen het oog maar gericht te houden in hun inspannende wedloop op "Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die om de vreugde die voor Hem lag het kruis op zich heeft genomen, de schande niet achtend - en nu is Hij gezeten ter rechterzijde van Gods troon."
Er is beweerd: wat heb je te lijden, als je weet dat alles wel goed komt? Zulke 'logica' getuigt van weinig begrip voor wat lijden is. Zeker wordt zo de zwaarte van Zijn bijzonder lijden schromelijk onderschat. Hoewel onze Here wist, heel zeker, dat Hij uit de doden zou opstaan (zie o.a. ook Markus 9:9), heeft de nadering van dit lijden, van de beker die de Vader Hem reikte, Hem in grote benauwdheid gebracht. Petrus, Jakobus en Johannes zijn er getuige van geweest. In Gethsémane. En laatstgenoemde apostel vertelt in zijn evangelie van nóg een keer: na zijn glorieuze intocht in Jeruzalem kwamen er zelfs heidenen naar Hem vragen. Begin van de oogst! Maar het kan alleen als Hij zijn leven nu gaat offeren als losprijs voor velen. "Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft...
Nu en dat heeft Hem toen zó aangegrepen, dat Hij, met de woorden van Psalm 6 (de psalm: o Here straf mij niet in uw toorn!) bekende: Nu is mijn ziel geschokt.
En dan is er tweestrijd: zal Hij, met de psalmist, bidden: verlos mij?
Vader, verlos mij uit dit uur? Het lijdensuur dat nu voor Hem gaat slaan, van het dragen van de toorn van God.
Maar neen: daarvoor toch is Hij juist op aarde gekomen en nu in Jeruzalem.
Voor juist dát uur, dat werk. En dan wint de gehoorzaamheid het van de angst: Vader, verheerlijk uw Naam. Zie Joh. 12:20 vv. Net als nadien in Gethsémane: niet mijn wil maar de uwe geschiede.
Wat die wil inhield, hoe de Vader zijn Naam wilde verheerlijken, Hij wist het: Dat de Zoon des mensen zijn ziel zou geven als losprijs voor velen, Markus 10:45.
Daartoe heeft Hij zich, toen de verrader kwam, gewillig overgegeven. Petrus moest niet met zijn zwaard slaan. "De beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou ik die niet drinken?", Joh. 18:11.
Zo moest het. Hoe zouden ook anders "de Schriften in vervulling gaan, die zeggen dat het zo moet gebeuren?
Matth. 26:54.
De Schriften
Zó wist de Here ook wat er zou gebeuren, wat er moest. Op die moeilijke weg door dit lijden tot heerlijkheid is zijn oog steeds gericht geweest op wat geschreven staat. "Wat over Mij geschreven is", Luk. 22:37.
Daarvoor hadden de zijnen geen oog.
Zij hebben het pas later verstaan, toen hun opgestane Heer nog eens de moeite nam, "beginnende bij Mozes" (24:27) hun alles uit te leggen. 24:27,44 vv. Toen begrepen ze ook dat op dit lijden en sterven opstanding en heerlijkheid moesten volgen.
Als Johannes later vertelt hoe hij pas toen hij in het lege graf voor de lege doeken stond geloofde, verontschuldigt hij zich a.h.w. tegenover ons: "want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan", Joh. 20:9.
Hij legt verder niet uit hoe en waar de Schrift dat dan aangeeft. Maar was datnog nodig, na wat hij van de kruisiging verteld heeft (waarvan hij ook ooggetuige was)? Daar heeft hij expliciet naar de Schrift verwezen. O.a. bij dat treffende, dat ze de kleding van Jezus verdeelden en er ook om lootten. Nota bene: precies wat in Psalm 22 staat geschreven. Daar staat het en "dat hebben de soldaten gedaan", 19:24. Je hoort er de emotie nog in doorklinken (ook verderop), nog is 'het hart brandend' door het licht dat de Schrift werpt op dat eerst voor hen zo onbegrijpelijke gebeuren (vgl. Luk, 24:32).
Nu, maar wat voor hen inzicht en leidraad achteraf was, dat heeft Jezus zelf van meetaf voortdurend voor ogen gestaan.
"Dit woord, dat geschreven is, moet nu aan Mij in vervulling gaan" zei Hij aan het paasmaal- en dan komt Jes. 53: Hij is met de misdadigers gerekend. Zie Luk. 22:38: En in het bitterste uur van zijn lijden klaagt Hij zijn nood met de woorden van Psalm 22: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten". En... dat waren maar geen losse woorden. Ze behoren bij een gehéé!. Een geheel dat verre van uitzichtloos is. Daarin immers is ook zijn redding en verhoging mede aangegeven.
Evenmin als de 'lijdensaankondigingen' enkel lijden aankondigen, evenmin is Psalm 22 alleen maar een 'lijdenspsalm'.
Neen: Gij hebt geantwoord. Ik zal uw Naam aan mijn broeders verkondigen (vgl. Joh. 20:17). Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de Here bekeren (vgl. Luk. 24:47).
Dat is óók Psalm 22!
Evenzó spreekt Jesaja 53 niet enkel maar van de lijdende knecht des Heren: Deze profetie begint en eindigt met zijn verhóging. Als hij zijn leven tot een schuldoffer heeft gesteld, zal hij nakomelingen zien en de dagen verlengen.
En velen rechtvaardigen. Met machtigen de buit delen. Dat is óók Jesaja 53!
"Hij is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt tot onze rechtvaardiging" - zo vat Paulus de boodschap van deze profetie samen, Rom. 4:25.
Zie, zo heeft Jezus voor enin zijn lijden uitzicht gehad op zijn opstanding. In dit licht, van de Schriften.
Dat lijden was zó zwaar - geen redenering van ons kan er recht aan doen. Ons denken en voelen schiet hier tekort.
Maar het was niet uitzichtloos. "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten" getuigt van diepe nood. Niet van wanhoop. Evenals het begin moest ook het einde in vervulling gaan.
Christus is niet alleen gestorven, maar ook opgewekt 'naar de Schriften', 1 Kor. 15.
Op Goede Vrijdag kunnen we Psalm 22 zingen. Geen lied-van--latere-beschouwing brengt ons zó dicht bij zijn lijden. Maar het is ook een lied voor Pasen. Neem uw Liedboek en lees, of liever zing, van die psalm vers 9 en 10 en 11 en 12 en 13...
Zie, zó moest het. Zo is het ook gebeurd.
Gode zij dank!
Wij kunnen Hem danken en loven, met onze Heiland mee, door deze psalm.
"Van U komt mijn lof in een grote gemeente", Ps. 22:26.
Mooie Paasliederen zijn er gedicht in de loop der eeuwen. Maar welke liederen zullen Hem zelf nader aan het hart gelegen hebben, en nog, dan de Psalmen, uit de Schriften?
Psalm 6 nam Hij op de lippen in zijn benauwdheid. Wat is het mooi om dan bij het gedenken van zijn opstanding dat vervolg te zingen: De Heer heeft in ontfermen / geluisterd naar mijn kermen / en neemt mijn bidden aan, vers 5. En 6, zie Matth. 28:4: zij werden zelf als doden / zij zijn beschaamd gevloden / als in een ogenblik.
En er is nog veel meer: Psalm 30:1 en 2, 116, 118: Ik zal niet sterven maar leven.
En van de steen. Zelf heeft Hij dat aangehaald!
Ja, het moest ervan komen: opstanding, verhoging.
En... het was meer dan een goede afloop van een droeve historie. De knecht des Heren heeft in dit lijden zijn wérk gedaan, Gods plan van verlossing gediend. En kon door zijn opstanding daaraan voortwerken.
... en het welbehagen des HEREN zal door zijn hand voorspoedig voortgang vinden. Jes. 53:10.