Omgang met God
1993-04-09
Auke Jelsma heeft jaren geleden in zijn boek 'Ommegang' eens een vraag.- Jaargang 37
- nummer 8
gesteld, die voor herhaling vatbaar is. Hij schreef toen:
"Toch blijft de vraag bestaan hoe het komt dat het christendom zo'n twijfelachtig verschijnsel gebleven is in het geheel van de menselijke samenleving. Steeds die drommen mensen die Jezus wel aanvaarden als de Heer van hun leven maar op zo'n miserabele wijze falen. Wij zouden ons te gemakkelijk van dit probleem afmaken door allen die in de loop van de tijd de naam 'christen' bevlekt hebben schijnheilig te noemen. De 'echte' christenen doen het wel beter, zegt men dan. Wij moeten er echter van uitgaan dat allen die zich christen noemen dit ook werkelijk willen zijn.
Ze trachten zijn volgelingen te zijn.
En toch kunnen zij op zo'n onbehouwen wijze met klompen, soms zelfs met soldatenlaarzen, op de zielen van anderen rondlopen. Waarom falen wij telkens weer terwijl wij niets anders willen dan God gehoorzaam zijn."
Een vraag om even rustig over na te denken! Tenminste, als we niet van oordeel zijn het allemaal heel goed te doen. Zij, die denken, dat de vraag hen niet raakt, hoeven dus niet verder te lezen.
Zelfs met de beste bedoelingen voor ogen doen we het vaak nog verkeerd.
Zelfs al lopen we elke dag op onze tenen om het maar vooral goed te doen, op het beslissende moment zakken we vaak door.
Misschien komt het omdat we te veel zelf willen doen in plaats van dat we het Christus in en door ons láten doen.
Christus leeft in ons. Dat betekent ook, dat onze tenen de gewenste hoogte nooit bereiken kunnen. We luisteren nog even naar Jelsma:
"Christenen zijn mensen die hun Heer willen volgen. In gehoorzaamheid aan Hem willen zij nu op hun beurt verlossend in het leven staan.
Maar halverwege mislukken zij!
Jezus heeft in het liefhebben van de ander nu eenmaal een hoogte bereikt waar wij niet langer kunnen ademhalen. Hij is de berk die boven de boomgrens leven kan. Maar wanneer wij Hem tot voorbij deze boomgrens willen volgen en wanneer wij suggereren dat dit eigenlijk moet, scheppen wij een samenleving van mensen die zichzelf onophoudelijk forceren om althans de schijn op te houden.
Eeuwenlang is de christelijke samenleving door middel van heiligen-levens voorgehouden hoe bepaalde figuren erin geslaagd zijn Christus te volgen tot het einde toe, hoe zij zondige emoties in zich wisten te overwinnen tot zij beschikbaar waren voor de gemeenschap.
Volgelingen van Christus, nu op hun beurt uitgegroeid tot verlossers voor anderen, in staat tot de wonderen die Hij had verricht.
Terecht heeft de reformatorische kerk zich tegen deze heiligenverering afgezet. Zij herkende hierin een aantasting van de unieke betekenis van Christus.
Toch is dit protest ook binnen de reformatorische kerken te weinig vlees en bloed geworden."
Wij kunnen onszelf en de wereld slechts ten dele verbeteren.
Wij kunnen wat, soms veel, doen, maar het lukt ons niet de wereld te redden.
Natuurlijk moeten we elke dag blijven proberen Jezus te volgen.
Wie echt vol is van Jezus, kan niet stil blijven zitten in een wereld, waar zoveel hulpeloosheid is.
Maar bij alles wat we doen, moeten we beseffen, dat onze helpende handen zwak zijn.
Christus navolgen is met Hem wandelen.
Het 'Voorwaarts, christenstrijders" spreekt ons misschien wel aan, evenals het 'God roept ons broeders tot de daad', maar we moeten maar bedenken, dat God ons niet roept tot marcheren, maar tot wandelen, wandelen met Hem (Jesaja 2:5).
Wandelen met God.
Dat deed Henoch. Hij deed het zó, dat hij met God tenslotte alle anderen voorbij was, zodat hij uit het gezicht verdween.
Wandelen met God is geen prestatie van mensen.
Wandelen met God is wandelen in het licht van de Heer. Zo zei Jesaja het!
Als we zó wandelen, is de prestatiedwang weg en blijft de verwondering over.
En bij elke meter, die we met Jezus afleggen, mogen we het zeggen: "Komt verwondert u hier, mensen, ziet hoe God ons bemint..."
God bemint ons, dwars door onze fouten en ons falen heen.
In onze verwondering hierover zullen we steeds weer bemerken, dat het ons eigenlijk te wonderbaar is.