De wedergeboorte van Sebastiaan
1993-04-09
Een gedicht, en dan nog wel zo lang! Niets voor u? Ach, ga nu niet direct door naar een andere bladzijde. Laten we samen eens proberen te achterhalen wat Nijhoff met dit merkwaardige gedicht heeft willen zeggen.- Jaargang 37
- nummer 8
Doet u mee? U bent toch ook wel een beetje nieuwsgierig, hoop ik.
Wie was Sebastiaan?
Laten we eens met die Sebastiaan beginnen. Wie was dat? Volgens oude verhalen leefde hij ongeveer 300 jaar na Christus. Hij was officier in de lijfgarde van keizer Diocletianus, maar toen hij christen was geworden, werd hij ter dood veroordeeld. In het amfitheater werd hij met pijlen doorschoten; naar men zegt, waren het duizend pijlen die hem troffen, maar dat lijkt me wel wat erg veel. Hoe dan ook, de executie blijkt niet effectief te zijn geweest, Sebastiaan heeft het overleefd.
De weduwe van de martelaar Castulus heeft hem verpleegd en zo is hij van zijn wonden genezen.
Later ontmoette Sebastiaan de keizer en dapper als hij was, verweet hij die zijn wreedheid als vervolger van de christenen. Dat werd hem nu wel fataal, want prompt werd hij met knuppels doodgeslagen. Zijn lijk werd in het grote riool van Rome geworpen, maar christenen hebben ervoor gezorgd dat hij op een behoorlijke manier werd begraven.
Toch, sommigen zeiden dat Sebastiaan opnieuw niet werkelijk dood was, maar dat hij in de gedaante van een zwaan in de richting van de zee was verdwenen Afbeeldingen van Sebastiaan kunt u in allerlei vormen tegenkomen, als beeldhouwwerk en op schilderijen; altijd ziet u hem dan aan een boom of paal gebonden en met pijlen doorschoten.
Het is déze Sebastiaan die we nu ontmoeten in het gedicht van Nijhoff. Wel overbrugt de dichter een tijd van 1600 jaar en plaatst hij Sebastiaan in een oerhollands landschap.
Dat is toch wel vreemd. Kan dat zo maar? En wat is daarvan de bedoeling?
Het zijn vragen waarop we graag antwoord willen hebben en daarom gaan we het gedicht nóg eens ,en nu nauwkeuriger, lezen.
Dood of levend?
Het is allemaal erg ongewoon met Sebastiaan. Was hij nu dood of niet?
Uit de eerste en tweede strofe krijgen we de indruk: nee. Hij maakt het touw los, rukt de pijlen uit, werpt die weg en gaat zich wassen. Dan kijkt hij om zich heen, hij loopt een eind, komt bij een kanaal en blijft daar staan. Allemaal menselijke handelingen. Maar... in regel 20 wordt ineens gesproken van "de geest". Overigens kan die "geest" op menselijke manier van alles zien: de veerpont en de drukte eromheen.
Hij hóórt ook allerlei geluiden. En in regel 40 is sprake van "de gestorvene".
De dieren reageren abnormaal: ze vertrouwen de zaak niet helemaal, maar toch, de hond blaft niet en de kippen maken evenmin herrie. Over de volgende regels.hebben we het straks nog; ik verwijs nu eerst naar regel 56: de stilte des doods, en in regel 72 lezen we van "Sebastiaan, de schaduw".
In regel 73 staat: "toen hij in leven was" en in de regels 83/84 wordt gesproken van "de barre tocht naar de overzijde uit een onvruchtbaar graf".
Wat kunnen we nu vaststellen? De dichter plaatst Sebastiaan in een soort tussenpositie: gestorven, een geest, maar wel met de beschikking over lichamelijke vermogens. Hij leeft niet meer, zou je kunnen zeggen,maar hij is ook nog niet echt dood. En... hij moet nog ergens naar toe, hem wacht nog "de barre tocht naar de overzijde."
Zijn definitieve eindpunt heeft hij nog niet bereikt.
Een klassiek motief
De toestand van Sebastiaan doet denken aan de klassieke voorstelling van de dood. Wie gestorven was,moest naar de Hades, het dodenrijk. Maar dat was omgeven door een rivier, de Styx, en die kon je alleen maar over in de boot van de knorrige veerman Charon.
Als die je niet wilde overzetten, moest je buiten de Hades blijven ronddolen, een hoogst onaangename situatie.
U begrijpt nu natuurlijk hoe Nijhoff ertoe kwam Sebastiaan bij dit veer te plaatsen. Weliswaar een Hollands veer in een Hollands landschap,maar de dichter doet méér dan alleen maar een geschiedenis vertellen. Dat zullen we nog wel zien.
Een nog ouder motief
Laten we teruggaan naar de tweede strofe. Links liggen de duinen en de zee, rechts de stad. Sebastiaan kiest een pad dat daartussen ligt. Typerend voor de hele "tussensituatie" van Sebastiaan? In de regels 15-17 krijgen we een beschrijving van het water, het kanaal.
Sinds oeroude tijden wordt het begrip water verbonden met twee tegengestelden: het brengt de dreiging van de dood met zich mee, maar het is eveneens onmisbaar voor het leven.
Misschien herinnert u zich het gedicht van Vasalis: De idioot in het bad. Daar is het badwater symbool van het vruchtwater waarmee de mens voor zijn geboorte is omgeven. En leven ligt in het verlengde van de dood.
Kent u het middeleeuwse gedicht over Heer Halewein? Als hij door de prinses is onthoofd, zegt het afgehakte hoofd: "Ga ginder onder de galg en haal daar een pot met zalf en strijk dat aan mijn rode hals." Men geloofde dat onder de galg uit het bloed van een gehangene een plant groeide die vrouwen vruchtbaarheid schonk en die de ergste wonden kon genezen.
Leven uit dood! We kennen het ook uit de bijbel: de graankorrel moet sterven en brengt dan pas vrucht voort. Geen wonder dan ook dat de beschrijving van het water in regel 15-17 als symbool voor de moederschoot is gezien en in verband is gebracht met wat volgens strofe IV te verwachten is: de geboorte van een kind.
Nijhoff heeft niet alleen de klassieke voorstelling van de doodsrivier in dit gedicht verwerkt, we vinden er ook het oeroude symbool van water en de verbinding met dood en leven. (In de psychologie noemt men zo'n symbool een "archetype")
Het verdubbeld beeld
In de derde strofe heet Sebastiaan "de geest". Dat krijgt meer inhoud nu we de verbinding hebben gelegd met de klassieke voorstelling van de tocht over de doods rivier. Merkt u op dat er niets gezegd wordt over wat er aan de overzijde van het water ligt? De boot komt aanvaren,de mensen gaan van boord en dan vertrekt de pont weer, maar het doel is niet zichtbaar.
Inmiddels verstrijkt de tijd, het wordt donkerder. Daarbij past de beschrijving van de manier waarop Sebastiaan de ruimte om zich heen waarneemt: eerst ziet hij van alles, daarna lezen we vooral over wat hij hoort.
Wilt u eens kijken naar regel 32? De boot is daar "'t verdubbeld beeld".
Natuurlijk denkt u aan "spiegelbeeld".
Er zijn twee boten te zien, de echte en de spiegeling ervan in het water. Je kunt zeggen: de boot is "verdubbeld".
Maar in plaats van "boot" staat er "beeld". Moeilijk? Vervangt u "beeld" eens door "symbool" en de zaak wordt duidelijk: de boot is beeld, symbool.
Beeld in dubbele zin.
Natuurlijk wordt de gedachte opgeroepen aan de boot van Charon: beeld van de laatste reis naar het definitieve einde. Maar tegelijk is er een groot verschil: de veerboot is ook beeld van het leven dat daar volop aanwezig is.
De reizigers kunnen heen en terug. Er is sprake van een doel, een overzijde: voor elke passagier anders. Sebastiaan hoort niet tot die reizigers, hij houdt zich verborgen en ziet het allemaal aan. Hij heeft geen deel meer aan het leven, hij is de gestorvene. Hij moet een heel andere reis maken; kijk maar eens naar de regels 82-85. Hij staat voor de reis zonder terugkeer: de barre tocht naar de overzijde. Het lidwoord "de" past hier, want dit is de tocht die hij, alleen, zonder anderen, moet maken naar de overzijde die hém wacht. Bij de veerpont is het een en al leven, bij Sebastiaan is er sprake van een onvruchtbaar graf. Na die tocht zijn alle kansen voorgoed voorbij.
Sebastiaan talmt dan ook, hij komt er nog niet toe die tocht te beginnen.
Licht in de stilte
Het wordt nacht. De veerboot ligt aan de wal. Het is stil, zo stil, na al die drukte, dat het vreemd,onwezenlijk aandoet. Het gedrag van de dieren versterkt dat. En dan valt ineens licht door een raam naar buiten. Haarscherp is te zien wat daar in die kamer is. Een nerveuze man zit bij de tafel.Er ligt een vrouw in bed. Kennelijk wordt de geboorte van een kind verwacht; zie het woord pijn in r.54, maar ook de regels 63, 64 en 93. Van de vrouw wordt gezegd dat zij daar lag "te zien naar dingen die zij zag en hoorde, maar niet bevatten kon." Dat staat natuurlijk in verband met de "trek van bevreemding" om haar mond. Wat zij hoorde en zag, wordt niet gezegd, maar onwillekeurig denk ik aan een soort visioen. De hele sfeer is overigens onwezenlijk en daar past dit element ook in. En het komt meer voor dat pijn wordt verbonden met een bovenaardse ervaring. Ook Sebastiaan heeft iets dergelijks meegemaakt: "hemels licht, toen pijlen hem doorboorden"
Een ander inzicht
Zo komen we bij strofe V. De stilte en het licht in de kamer roepen allerlei gevoelens en gedachten op. Wat Sebastiaan nu ervaart, staat tegenover wat hij onderging bij zijn executie.
Geen bovenaardse, bijna extatische beleving bij het einde van zijn aardse bestaan, maar juist het tegengestelde.
Geen stilte des doods, geen hemels licht, geen rust, maar er is sprake van: aards en warm, zwanger, hoop, aanvang en... geluk! En opnieuw is Sebastiaan bevreemd; er breekt nu een inzicht door.
De kern van het gedicht zit mijns inziens in de regels 76-78: dat hij begeerd had naar de geest terwijl het wonderbare lichaam in de tijd hem gans bewoonde.
De woorden in de tijd duiden het leven aan (na de dood bestaat er geen tijd· meer): tóen was hij helemaal lichaam, in tegenstelling met de tussenpositie waarin hij nu verkeert.
Het zal u opvallen dat hier niet het ons vertrouwde beeld gebruikt wordt van de ziel die in het lichaam woont, maar dat het net andersom is. Sebastiaan wordt aangeduid als de schaduw (r.72), gelijk te stellen met: geest. En in déze situatie, nu het lichamelijke maar meer ten dele aanwezig is, verwondert hij zich erover dat hij tijdens zijn leven, toen hij helemaal lichaam was, zich vooral op de geest gericht heeft.
Niet op het lichamelijke en aardse. Het loopt parallel met regel 73/74: tóen stelde hij zijn hoop op een hoger heil.
Het is als een weerklank van dat andere gedicht van Nijhoff dat u vorige week in Opbouw aantrof, "Het Lied der dwaze Bijen". Die bijen hebben zich mee laten lokken door "een geur van hoger honing" en ze hebben daarvoor hun gewone aardse bestaan verloochend.
Zoals die bijen achteraf inzien hoe dwaas zij zijn geweest, komt ook Sebastiaan tot het inzicht dat hij verkeerd geleefd heeft; hij heeft te weinig oog gehad voor het aardse, lichamelijke bestaan. Dat beseft hij nu hij "schaduw" is; hij weet nu hoe dieper 't bloed is dan de hemel hoog (r.79).
Bloed is ook in de bijbel een bekend begrip; het hoort bij het lichaam, bij het leven; het is even wezenlijk als de adem.
Zie b.v. Deut. 12:23: Het bloed is de ziel. Met dat woord "ziel" wordt natuurlijk niet hetzelfde bedoeld als wat wij eronder verstaan; het heeft ongeveer de betekenis van: levenskracht.
Nijhoff heeft ergens geschreven: "Het diepste geheim der schepping, zou men het Oude Testament na kunnen zeggen, is in het bloed." En Sebastiaan beseft: Wie sterft, ziet pas in hoe wezenlijk het lichamelijke leven is.
Straks is het afgelopen, er' is geen uitzicht meer, geen verder leven, ook niet via een kind. Dat tekent opnieuw zijn tekort. Er rest slechts een onvruchtbaar graf.
Thuiskomen in een slapend vruchtbegin
De laatste strofe levert nu weinig problemen meer op. In regel 75 is aangegeven wat Sebastiaan als mogelijkheid heeft gezien: thuiskomen in een slapend vruchtbegin. Met dat laatste woord heb ik wel een beetje moeite, maar het is duidelijk dat daarmee het kind bedoeld wordt. Het woord thuiskomen lijkt me opgeroepen te zijn door de man in blauw hemd (r.48) die de indruk maakt pas thuisgekomen te zijn. Zo zou Sebastiaan ook een einde aan zijn zwerftocht kunnen maken: hij zou in dit kind opnieuw een aards leven kunnen beginnen. En de dichter zegt: Als God echt barmhartig is, heeft Sebastiaan een nieuwe kans gekregen.
Dan is zijn ziel niet als een vogel verdwenen, maar dan is die tot vlees geworden, geïncarneerd in een kind.
Een kind dat bij de aanblik paradijselijke beelden oproept. Een nieuw leven, lichamelijk, aards.
Anders dan anders
Een vreemd gedicht? Wat moet die heilige uit het Rome van de vierde eeuw in een Holtand van 16 eeuwen later? Waarom beschrijft de dichter de zaken heel anders dan ze in werkelijkheid zijn geweest? En wat is dat voor een vreemde gedachte over iemand die wel gestorven is, maar toch niet helemaal? Kan dat allemaal maar zo?
Het antwoord is dat de dichter deze voorstelling van zaken gekozen heeft om een gedachte uit te drukken die hem al jaren bezig hield. Hij is daarin, vind ik, voortreffelijk geslaagd. Over de gedachte zelf zou ook nog heel wat te zeggen zijn. In de jaren twintig was er een grote waardering voor het lichaam.
Van invloed waren theorieën van Freud en het historisch materialisme.
Nijhoff had ook veel belangstelling voor schrijvers als Nietzsche en D.W. Lawrence (Lady Chatterley's Lover), maar het lijkt me niet waarschijnlijk dat de lezers van Opbouw geïnteresseerd zijn in uitvoerige filosofische verhandelingen. lk zal me beperken tot enkele korte opmerkingen.
Over de grondgedachte
Uit het gedicht is niet op te maken dat Nijhoff zelf in reïncarnatie geloofd heeft; hij gebruikt deze voorstelling van zaken alleen ten dienste van de gedachte die hij heeft willen uiten. Ik geloof ook niet dat Nijhoff de waarde van het geestelijke element in het leven heeft willen ontkennen. Maar hij geeft wel aan dat de mens allereerst een concreet levend wezen is dat zijn plaats op deze aarde heeft en dat op deze aarde moet functioneren. Geen kloostermentaliteit, niet de sfeer van: met een boekje in een hoekje, geen vaag streven naar het al even vage "hogere" zoals dat bij de dwaze bijen het geval was. En is dat niet voluit bijbels? Zet de bijbel ons ook niet met beide benen op de grond? Hebben wij niet hier en nu onze taak?
Tegelijk weten wij dat wij hier geen blijvende stad hebben, wij zoeken de toekomstige. De gedachte zoals Nijhoff die heeft verwoord, houdt wél het gevaar in van een te eenzijdig accent op het aardse en lichamelijke; als het geestelijke wordt veronachtzaamd, kan de grens naar het heidendom gemakkelijk worden overschreden.
Algemeen wordt Het Veer gezien als een keerpunt, een wending in het denken van Nijhoff die hij in dit gedicht heeft verwoord: een getuigenis hoe wezenlijk het lichamelijke is in het bestaan van de mens. In zekere zin is er ook bij Nijhoff sprake geweest van een soort "wedergeboorte". Ik hoop dat ik uw belangstelling heb kunnen wekken.
Tenslotte: wat ik hierboven heb geschreven, heb ik natuurlijk niet allemaal zelf bedacht.Een lijst van wat ik geraadpleegd heb, zal ik u besparen.
Alleen wil ik de naam van professor Sötemann noemen; aan Lijn boeiende colleges denk ik nog met veel waardering.
En laat ik niet mijn eigen leerlingen vergeten: ze maakten soms opmerkingen die heel verhelderend konden werken.
De illustraties werden gemaakt door P.U. van 't Hoff te Ommen. Ik ben hem erkentelijk voor de vele moeite die hij daaraan besteed heeft.
Over het leven en werk van Martinus Nijhoff
Nijhoff leefde van 1894 - 1953. Zijn moeder heeft veel invloed op hem gehad; zij las haar kinderen elke morgen uit de bijbel voor en liet hen allerlei teksten uit het hoofd leren. Na het gymnasium studeerde hij rechten, in 1914 moest hij onder dienst, in 1921 behaalde hij de meesterstitel, maar in de praktijk heeft hij er weinig mee gedaan. Hij reisde veel, werd in 1926 redacteur van De Gids, schreef gedichten, boekbesprekingen, en maakte vertalingen. Van 1932 - 1937 studeerde hij Nederlands, afgesloten met een doctoraal examen. Korte tijd was hij leraar aan een H.B.S. In 1940 nam hij vrijwillig dienst als kapitein bij een korps wielrijders. Zijn moed en verantwoordelijkheidsgevoel worden geroemd.
Toen daarna professor Donkersloot uit zijn ambt werd gezet, kreeg Nijhoff het professoraat aangeboden.
Hij weigerde, dook onder en steunde het verzet. Na de oorlog werd hij letterkundig adviseur bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Hij werd ook een actief lid van de commissie die de nieuwe psalmberijming verzorgde. Op 26 januari 1953 stierf hij aan een hartaanval.
Zijn eerste bundel gedichten, De Wandelaar, verscheen in 1916. In 1924 volgde Vormen, in 1934 Nieuwe Gedichten (met o.a: Het Lied der Dwaze Bijen en Het Veer), in 1941 Het uur U.
In de oorlog werden van hem ook illegaal gedichten uitgegeven. Hij schreef ook enkele toneelstukken, o.a. De Ster van Bethlehem waarbij hij zich liet inspirer door wat hij in een koffertje van zijn moeder had gevonden: toneelstukjes van het Leger des Heils.
Ter afsluiting citeer ik H.J.M.F. Lodewick: Martinus Nijhoff is een van de belangrijkste dichters uit de moderne literatuur. Er is niet gemakkelijk een dichter aan te wijzen wiens poëzie een dergelijk gelijkmatig hoog niveau vertoont als dat bij Nijhoff het geval is.