Ter verdere decodering van bet boek Openbaring (,2)

1993-04-09
  • Jaargang 37
  • nummer 8
'In de wolk'
De twee getuigen vinden de dood in de stad waar ook hun Heer gekruisigd is, zo vermeldt v. 8. De overeenkomst tussen hun dood en die van hun Heer beperkt zich intussen niet tot de localisering in Jeruzalem. Evenals Jezus, staan ook zij weer op (v. 11) en varen ten hemel (v. 12).
Dat laatste gebeurt 'in de wolk'. Opvallend is hier het lidwoord ('de'). In het voorafgaande is nl. niet van een wolk melding gemaakt, zodat we dit 'de' niet kunnen verstaan als 'de pas genoemde', zoals dit b.v. wél het geval is in Mt. 17,5 "Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: ...". Hier in Op. 11, 12 komt dit 'de wolk', om zo te zeggen, zo maar uit de lucht vallen. Wat kan hier bedoeld zijn?
Het antwoord vinden we, denk ik, in 1 Cor. 10, 1.2, waar Paulus zijn lezers eraan herinnert, "dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee". 'Zee' en 'wolk' zijn hier door hun historische bepaaldheid van soortnaam tot eigennaam geworden. Wij doen dat ook. Als ik tegen mijn vrouw zeg: "Ik moet zo meteen nog even naar de stad", dan weet ze, dat ik naar Groningen ga. Wat die benoeming 'de zee' betreft: we zien in Ps. 114, 3, dat deze parallel staat met de eigennaam 'de Jordaan': "De zee zag het en vluchtte, de Jordaan wendde zich achterwaarts."
Nu, zoals 'de zee' door Israëls historie aanduiding voor 'de Rode Zee' is geworden, zo is 'de wolk' de vaste benaming geworden voor de wolk waarin de Heere God in eigen persoon aanwezig was om de operaties tegen Zijn en Israëls vijanden te leiden. Als vóór de Rode Zee de Egyptenaren de Israëlieten op de hielen zitten, verlaat tegelijk met den Engel Gods, die vóór het leger van Israël uitging, ook de wolk zijn plaats aan de spits, Ex. 14, 19,20.
Wanneer de tabernakel gereed is, lezen we: "En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des Heeren vervulde de tabernakel, zodat Mozes de tent der samenkomst niet kon binnengaan, want de wolk rustte daarop, en de heerlijkheid des Heeren vervulde de tabernakel", Ex. 40,34.35. Als 'de wolk' er is, dan betekent dat: de Heere God is hoogst persoonlijk in al zijn majesteit (heerlijkheid) aanwezig.
Er zouden uit de boeken van Mozes nog wel meer plaatsen te noemen zijn, waar 'de wolk' de presentie van den Heere verraadt. Ik noem er nog slechtséén, t.w. Ex. 24,15-18: "Daarop besteeg Mozes de berg, en de wolk bedekte de berg. De heerlijkheid des Heeren rustte op de berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen lang; op de zevende dag riep Hij tot Mozes midden uit de wolk Mozes ging de wolk in en besteeg de berg".
Wat Mozes hier doet heeft veel weg van wat de 'Mozes' en de 'Elia' uit Op. 11 doen: op Gods roep, op Gods uitnodiging omhoog gaan, de wolk in. Maar dan mogen we, dunkt me, op grond van deze parallellie ook concluderen, dat in Op. 11, 12 niet alleen de twee getuigen naar bóven gaan, maar dat ook de Heere God naar benéden is gekomen. In 'de wolk' presenteert Hij zich in zijn majesteit hier op aarde. Hij is persoonlijk naar beneden gekomen om zijn volk te bevrijden en zijn vijanden te verstrooien.

Wapengekletter
Te ver gezocht, vindt u? Maar de Heere laat zijn aanwezigheid ook verder merken, doordat aanstonds een aardbeving volgt, die een tiende deel van Jeruzalem in puin legt en aan zevenduizend van haar. burgers het leven kost, v. 13. Beven doet de aarde nl. met name dan, wanneer de Heere in eigen 'persoon hier op aarde een militaire operatie leidt ten behoeve van zijn volk. Ik denk aan Ps. 68, 8.9 "O God, toen Gij vóór uw volk uittoogt, toen Gij in de wildernis voortschreedt, beefde de aarde...". Over dezelfde woestijntocht lezen we in Ps. 77 o.a.: "Het gedreun van uw donder rolde voort, de bliksemen verlichtten de wereld, de aarde sidderde en beefde", v. 19. Men vergelijke verder Ri. 5, 4.
Ook valt te denken aan Ps. 18, waar David bezingt, hoe de Heere hem verloste "uit de greep van al zijn vijanden en uit de hand van Saul", v. 1. Hij zegt dan: "Toen het mij bang te moede was, riep ik den Heere aan, ..... Hij hoordt mijn stem uit zijn paleis.
Toen dreunde en beefde de aarde en de grondvesten der bergen sidderden en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was Hij neigde de hemel en daalde neder ", vv . 7-10.
De aardbeving uit Op. 11, 13 krijgt een vervolg, als kort daarna de zevende engel zijn bazuin heeft geblazen (v. 15); dan doen zich nl. bliksems en stemmen en donderslagen en aardbeving en hagel-voor, v. 19b. Welnu, bliksem en donder als wapens van den Heere ontmoetten we reeds in de pas geciteerde 77ste psalm. Dat ook hagel tot Gods wapens behoort, zien we b.v. in Joz. 10, 11. Dit Goddelijk wapen wordt opnieuw gehanteerd in de uitgieting van de zevende (!) schaal, Op. 16,21.

De ark voor de dag gehaald
Doordat in 19b dit Goddelijk oorlogstuig wordt genoemd, krijgt men m.i. ook een betere kijk op wat er in 19a gebeurt: Gods tempel in de hemel gaat open, en in die tempel komt de verbondsark te voorschijn.
Als wij horen van de ark in Gods tempel, denken wij wellicht het eerst aan verzoening. En inderdaad was de ark afgedekt door het verzoendeksel, waarop de hogepriester eens per jaar bloed sprenkelde om verzoening te doen, Lev. 16, 14-16. Intussen mogen we niet vergeten, hoe Lev. 16 begint met de volgende woorden van den Heere aan het adres van Mozes, en via dezen aan het adres van Aäron: "In de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel", v. 2 slot.
Daar is dus duidelijk verband tussen de verbondsark, die in Op. 11, 19 ten tonele komt, en 'de wolk', in 11, 12 vermeld. Boven de verbondsark is God present in de wolk.
Nu verwees ik daareven naar Ex. 40, 34.35 "En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des Heeren vervulde de tabernakel, zodat Mozes de tent der samenkomst niet kon binnengaan, want de wolk rustte daarop, en de heerlijkheid des Heeren vervulde de tabernakel". Deze tekst(1) nu hanteert Johannes straks in Op. 15, 8 "En de tempel werd vervuld met rook vanwege de heerlijkheid Gods en vanwege zijn kracht; en niemand kon de tempel binnengaan, voordat de zeven plagen der zeven engelen voleindigd waren". Maar men mag aannemen, dat reeds in 11, 19a Ex. 40 Johannes door het hoofd heeft gespeeld.
Als hij daar nl. zegt, dat "de ark van zijn verbond in de tempel gezien werd", dan lijkt het er alleszins op, dat hij in gedachten heeft, hoe in Ex. 40, 21 "de ark der getuigenis door het voorhangsel-ter-bedekking aan het oog werd onttrokken". (Men lette daarbij ook op de omschrijving van het allerhetltqste(2)) in 15,5 als "de 'naos' van de tent der getuigenis". Die 'tent der getuigenis' is nl. de tabernakel, het heiligdom tijdens de woestijnreis (tot aan de tijd van David, Hd. 7, 44.45); waarbij onder 'de getuigenis' te verstaan is het verbondsstatuut, dat in de ark was opgeborgen, Ex. 40, 20; waarom ook in v. 21 gesproken wordt van "de ark der getuigenis".) Welnu, als dan blijkens 11, 12 de wolk, Gods wagen, om zo te zeggen (vgl. Ps. 104,3) - wel te verstaan: Gods gevechtswagen; want de Heere is een krijgsheld, Ex. 15,3 - in beweging is gekomen (vgl. Ex. 40, 36); als de Heere God dus Zelf actie is gaan ondernemen, dan behoeven we nauwelijks meer te raden, wat de ark gaat doen, als die voor de dag wordt gehaald. In Ex. 35, 12 worden "de ark-met-draagstokken, het verzoendeksel en het voorhangsel-ter-bedekking" in één adem genoemd. Als dan dat voorhangsel wordt. weggehaald , dan betekent dit, dunkt mij: de ark gaat op mars.
Dáárvoor zitten die draagstokken eraan en om dat in herinnering te houden blijven ze voor altijd (vanuit het heilige) zichtbaar, 1 Kon. 8, 8. De ark blijft mobiel, en speelt een hoofdrol, als de Heere zijn leger mobiliseert: "Wanneer nu de ark opbrak, zei Mozes: 'Sta op, Heere, opdat uw vijanden verstrooid worden en uw haters van uw aangezicht wegvluchten' ", Num. 10,35.
Men denke verder aan het gebeuren in 1 Sam. 4, waar Israël - dáár overigens ten onrechte, vanwege het zondig gedrag van de priesters Hofni en Pinehas - verwacht, dat "de ark van het verbond des Heeren hen zal verlossen uit de macht van hun vijanden". Alsook aan het legitiem gebruik dat David van de ark maakt in de strijd tegen Rabba, 2 Sam. 11, 11.
Het gebeuren uit Op. 11, 19a luidt m.i. dan ook een strafexpeditie in van den Heere in hoogst eigen persoon.

De orde der gebeurtenissen
Trouwens: had u na het blazen van zeven engelen op zeven bazuinen (Op. 8, 6-9, 21 en 11, 15-18) iets anders verwacht dan dat de ark in actie zou komen? Toen immers de verovering van Kanaän - en daarmee de verdrijving van Gods vijanden - begon met de expeditie tegen Jericho, werd de ark des Heeren voorafgegaan door zeven priesters, die op zeven ramshorens bliezen, Joz. 6, 6 vlgg. Een soortgelijk gebeuren - maar daar gaat het over de ark die "weerkeert naar haar .rustptaats", d.w.z. haar vaste verblijfplaats (Ps. 132,8) - vermeldt 1 Kron. 15, 24: "de priesters Sebanja, Josafat, Nethaneël, Amasai, Zeeharja, Benaja en Eliëzer" - dat zijn er zeven - "bliezen op de trompetten voor de ark Gods".
Ik denk, dat wij nog te weinig beseffen, in welke mate met name uit- en intochtsmotieven de bouwstoffen leverden voor de vizioenen in het boek Openbaring.

Bloedwraak
Op de dood van de twee getuigen volgt dus een strafexpeditie. Het vizioen uit 11,19 kondigt dit reeds aan; de voltrekking ervan begint in 15,5. Daar gaat voor de tweede maal het hemelse heiligdom open; nu om de zeven engelen uit te laten die - als een soort sproeivliegtuigen met giftige ladingde een na den ander verderf gaan zaaien over het beest en zijn aanbidders (16, 2).
Hier gebeurt wat de vermoorde qetuigen van God in het vijfde zegel van den Heere hadden verlangd: "Tot hoelang, heilige en betrouwbare Heer, stelt U het vonnissen en het wreken van ons bloed op de bewoners van het land nog uit?" (6, 10). Zij hadden toen te horen gekregen: "Nog even geduld, totdat ook de andere knechten met wie je in dienst bent, jullie broeders, die net als jullie vermoord gaan worden, allemaal aan hun eind zijn gekomen" (6, 11).
Dat laatste is nu een feit geworden door het sterven van de twee getuigen uit Op. 11. Dat beseffen de vierentwintig leden van de hemelse troon raad: ,,'t Is nu tijd geworden om het loon uit te keren aan uw knechten, de profeten, en aan de heiligen en aan wie uw naam vrezen, groot en klein, en te vernielen wie het land vernielen" (11, 18).
"God heeft zijn grote macht gegrepen", zeggen zij (11, 17). Dat bevestigen de feiten in.15, 8: "De tempel werd volgestouwd met rook als gevolg van Gods luister en als gevolg van zijn macht"; en dat duurt voort, totdat alle zeven verderfengelen klaar zijn met hun werk. Vanuit zijn hoofdkwartier zet de Heere een grote wraakactie op touw.
Nadat dan de derde van de bewuste verderfengelen zijn werk heeft gedaan, horen we den ergel die over de wateren gaat, zeggen: "Gelijk hebt U, die bent en die was, U, Heilige, dat U zó hebt gevonnist. Omdat zij het bloed van heiligen en profeten hebben vergoten, hebt U hun ook bloed te drinken gegeven.
Dat hebben ze verdiend!" (16, 5.6).
En meteen bevestigt het altaar dat met de woorden: "Ja, Heer, God die het heelal beheerst, eerlijk en rechtvaardig zijn uw vonnissen" (16, 7).
Dat laatste zegt het altaar!
Herinnert u zich, dat de bloedgetuigen die in 6, 10 om wraak hadden geroepen, daar "neergestoken lagen aan de voet van het altaar"? Vroeger(3) heb ik al eens gezegd, dat Johannes daar op een heel gecomprimeerde manier hetzelfde onder woorden brengt wat we Jezus horen zeggen in Mt. 23, 34.35: "Daarom, zie, Ik zend tot u"schriftgeleerden en Farizeeën - "profeten en wijzen en schriftgeleerden.
Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad, opdat over u kome al het rechtvaardige bloed dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, den rechtvaardige, tot het bloed van Zacharia, den zoon van Berechja, dien gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar".
Omdat ook van Abel gezegd kan worden, dat hij neergestoken werd aan de voet van zijn altaar (vgl. Gen. 4, 3-5).
heeft Johannes de vrijheid van alle vermoorde profeten, van Abel af tot en met Zacharia, te zeggen, dat ze "neergestoken lagen aan de voet van het altaar".
Nu, in het spoor van de oudtestamentische profeten gaan de nieuwtestamentische getuigen-van-Jezus, zo zagen we. Is het niet opmerkelijk, dat de Heere voor de laatsten van hen, t.w. den 'Mozes' en 'den 'Elia' uit hoofdstuk 11, als operatlebasis 'reserveert'weet u nog? - "het tempelhuis met het altaar" (11, 1)? Dáár zullen ook zij de dood vinden.

Het gescheurde voorhangsel
U zult intussen zich misschien al hebben gerealiseerd, dat we in 11, 19a opnieuw een punt van overeenstemming tegenkomen tussen de dood van de twee getuigen en die van hun Heer: op beide volgt een weghalen van het voorhangsel dat de ark bedekt. Alle drie synoptici vermelden het scheuren van het voorhangsel in de tempel, als ze het relaas doen van Jezus' sterven: Mattheüs in 27, 51, Marcus in 15,38, Lucas in 23, 45.
De correspondentie tussen Op. 11, 19 en de genoemde plaatsen uit de evangeliën lijkt mij onloochenbaar. Nu, dan zou het feit, dat de tekst uit Openbaring uitdrukkelijk het bloot komen van de árk vermeldt, wel eens de beslissing kunnen brengen in de discussie die zich naar aanleiding van Mt. 27, 51 e.p.p. heeft ontsponnen over de vraag, of aan het voorhangsel tussen de voorhof en het heilige, dan wel aan dat tussen het heilige en het allerheiligste is te denken. Gezien de parallel met Op. 11, 19 lijkt het toch wel duidelijkwat trouwens al velen hadden betoogd - dat de evangelisten hier bedoelen het 'tweede voorhangsel', waarvan Hebr. 9, 3 spreekt.
Maar dat niet alleen. Ik denk, dat men, .doordat de Hebreeërbrief-schrijver over 'voorhangsel' spreekt in het kader van 'verzoening', ten onrechte ertoe gekomen is in het scheuren van het tempelgordijn bij Jezus' dood een aanwijzing te zien, dat zijn dood verzoening bracht. Dat Christus' dood ons met God verzoent, staat als een paal boven water. Maar of het scheuren van het tempelgordijn daarvan een signaal is, staat te bezien.
Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat de Hebreeërbrief met geen woord rept van -, of ook maar zinspeelt op het scheuren van het voorhangsel.
Behalve in 9, 3 in een opsomming van de bestanddelen van de tabernakel noemt hij het woord 'voorhangsel' nog tweemaal. In 6, 19 zegt hij van onze hoop, dat ze is als "een veilig en vast anker van ons leven, dat zich hecht in de ruimte achter het voorhangsel (d.i. in het allerheiligste van de tempel). waar Jezus als voorloper ten bate van ons is binnengegaan".
En in 10,20 wordt van het voor ons geofferde lichaam van Christus gezegd, dat het als 'voorhangsel' - als 'deur' dus - fungeert, waardoor wij binnenkomen in Gods tempel.

De volgorde bij Lucas
Maar bovendien: de context waarin de evangelisten het scheuren van het voorhangsel vermelden is een totaal andere dan het kader waarin de Hebreeërbrief het woord 'voorhangsel' laat vallen.
Ik wijs er in dit verband op, dat Lucas hier een correctie toepast op Mattheüs en Marcus in de orde waarin hij de gebeurtenissen vermeldt. Hij plaatst het scheuren van het tempelgordijn niet ná Jezus' dood - zoals Mattheüs en Marcus doen -, maar daarvóór, t.w. vlak na de zonsverduistering.
Dat de evangelisten elkaar hier tegenspreken, wil ik niet beweren. Ik stel me voor, dat Jezus' sterven gepaard ging met het scheuren van het tempelgordijn.
Nu, als men twee gelijktijdige gebeurtenissen wil vermelden, zal men eerst de ene, dan de andere moeten noemen. En dan heeft men de keus, in welke orde men dat zal doen.
Wat ik hier zie gebeuren is dit, dat Lucas het scheuren van het gordijn in één adem noemt met de zonsverduistering.
Om dat te laten zien, probeer ik Lc. 23, 44.45 iets nauwkeuriger weer te geven dan de NBG-vertaling doet.
"Het was al rond twaalven, ... daar werd het duister over het hele land tot drie uur in de middag, doordat de zon verstek liet gaan, en scheurde het tempelgordijn doormidden".
Op grond van deze combinatie ben ik geneigd te geloven, dat Lucas dat scheuren, evenals de zonsverduistering, gezien heeft als een onheil spellend signaal, als een blijk van Gods t66rn. Zonsverduistering komt nl. uit het arsenaal van Gods straffen. Men denke aan de voorlaatste plaag over Egypte, Ex. 10, 21-23; aan Jes. 13, 9-11 en Am. 8, 9; aan Op. 8, 12 en 9, 2.
Nu, als Lucas zijn opvallend nauwe koppeling van het scheuren van het tempelgordijn aan de zonsverduistering inderdaad zó bedoeld heeft, dan wordt zijn visie op dit gebeuren m.i. bevestigd door een vergelijking met Op. 11, 19. Door het laten scheuren van het voorhangsel, als zijn Zoon sterft, laat de Vader weten, dat Hij de handschoen die "het hele volk" Hem heeft toegeworpen in de kreet "Zijn bloed kome over ons en onze kinderen" (Mt. 27, 25), op zijn tijd zal opnemen.
Maar eerst werkt Hij door de getuigen van Jezus nog een generatie lang aan hun behoud.

Het vervolg bij Mattheüs
Opmerkelijk is, dat alleen Mattheüs aan het pas besproken gebeuren nog enkele andere gebeurtenissen vastknoopt: een aardbeving (!!), het scheuren van de rotsen, het opengaan van de graven en het opstaan en zich in de stad vertonen van vele ontslapen heiligen.
Zoals ook in de uitgaven van Nestle-Aland en van de United Bible Societies is aangegeven, herinneren die woorden over het opengaan van de graven en het opstaan van heiligen aan... Ez. 37, 12 !! En daarmee lijkt dit gebeuren eens te meer te worden vastgesnoerd aan Op. 11, 11 en 20, 4.
Wat deze samenhang voor de exegese van Mt. 27, 52.53 aan consequenties meebrengt, daarover moet ik eerst eens goed nadenken. En ik hoop, dat anderen dat met mij willen doen.

Noten
1 Vgl. ook 1 Kon. 8, 10.
2 Dat is althans een mogelijke duiding van het woord 'naos' in deze tekst.
3 Opbouw, jrg. 19, blz. 354, kol. 3.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief