Simeon en Hanna: afscheid of nieuw begin (1)
1993-12-17
Vorig jaar mocht ik iets meedelen over Zacharias zoals hij toen op me afkwam, als een soort spiegel. Ik wil nu proberen een dergelijke benadering toe te passen op de pericoop over Simeon en Hanna.- Jaargang 37
- nummer 26
Met een geladen "En zie," 1 wordt Simeon ineens voor ons geplaatst. En net als Zacharias en Elisabeth wordt ook hij geïntroduceerd in vertrouwde, wervende kleuren. Een rechtvaardig en vroom man te Jeruzalem, die uitzag naar de vertroosting van Israël, dus typisch een figuur die Joodse oren zou doen spitsen. Maar anders dan Zacharias en Elisabeth, blijft Simeon toch ook weer betrekkelijk anoniem: behalve dat hij op dat moment te Jeruzalem was, weten we niets over zijn afstamming, vanwaar hij kwam of waar hij heenging 2.
Of toch wel? Lucas laat ons proeven dat hij iemand was die leefde in de wereld van de profetie en van de Geest. Daar was hij pas echt thuis. We lezen dat de heilige Geest op hem was, dat de heilige Geest tot hem had gesproken en hem leidde naar de tempel. Driemaal wordt de Geest van God met hem in verband gebracht. Dat stempelt hem tot een profeet. Een woordvoerder van God zelf dus. Het lijkt me belangrijk dit voor ogen te houden als we zijn woorden overdenken.
Het meest in het oog springende blijft ondertussen dat Simeon de 'vertroosting van Israël' verwachtte. In zijn dagen was deze aanduiding tot een titel voor de Messias geworden. Verderop, in vs. 38, lezen we een parallelle aanduiding: "allen die voor Jeruzalem verlossing verwachtten". Die vertroosting had dus alles te maken met de hoop van Israël, met de komst van de Messias en de verlossing die Hij zou brengen (vgl. Jes. 52:9). Om daar meer zicht op te krijgen zouden we eigenlijk het hele Oude Testament moeten onderzoeken en ook de intertestamentaire periode. Wat zou men zich daarbij in de tijd van Simeon voorgesteld hebben?
Voedingsbodem
Die Messiaanse hoop werd in allerlei gradaties gekoesterd. Er was niet zoiets als de Joodse Messiaanse hoop. Wel is er een gezamenlijke voedingsbodem aan te wijzen voor de stromingen binnen het Jodendom van die tijd 3. Ten eerste was daar de gezamenlijke herinnering aan de exodus, ieder jaar herdacht op het Pascha. Niet slechts als herinnering, maar als het gedenken van een presente werkelijkheid. En dan de bloeitijd die Israël gekend had onder David 'en Salomo.
De beloften voor Davids huis zullen de herinnering hieraan wakker gehouden hebben. De hierdoor opgeroepen verwachtingen werden nog weer versterkt door de heilsbeloften bij de profeten. En van meer recente datum was de herinnering aan de vrijheidsstrijd van de Maccabeeën. In schril contrast hiermee stond de dagelijkse confrontatie met een vernederende politieke afhankelijkheid, eigenlijk al sinds de ballingschap. We kunnen ons voorstellen dat op deze voedingsbodem allerlei stromingen waren ontstaan. De Romeinen hadden er belang bij nog een schijn van Joods zelfbestuur (de Joodse Raad) te laten bestaan om zo de pax romana te verwezenlijken. De plooibare Herodianen werden als stromannen aangehouden. Er waren er meer die collaboratie als de weg van overleving zagen. De diplomatieke Sadduceeën; en openlijk om het geld: de tollenaars, die hun opstelling wel met een sociaal isolement moesten bekopen. Sommigen trokken zich als antwoord op al deze ontheiliging terug in de woestijn. De Farizeeën, die steeds invloedrijker werden, wilden zover niet gaan, maar zetten alles op de kaart van een minutieuze wetsnaleving.
En dit als voorwaarde voor het aanbreken van Messiaanse tijden. En zo hielden ze de spanning bij het gewone volk erin. Nog een stapje verder gingen de Zeloten, die, het wachten beu, er niet voor terug schrokken geweid te gebruiken.
En dan had je tenslotte de mensen die geleerd hadden hun verwachting helemaal op de Here te wentelen. Die leefden uit de profetieën. Niet politiek georganiseerd, maar teruggetrokken als stillen in den lande. Hun verlangen naar de Messias en naar verlossing was gelouterd. Daarom zochten ze naar de Messias in Gods woord als troostboek. Zo iemand moet - zo stel ik mij voor - ook Simeon geweest zijn.
Een man op leeftijd?
Rondom bepaalde bijbelse figuren ontstonden taaie tradities, voorstellingen die een eigen leven gingen leiden.
Zoiets lijkt mij ook met Simeon gebeurd te zijn. Hij zal zeker niet meer zo jong geweest zijn. Zeker, hij had de belofte ontvangen de dood niet te zuilen zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. Ook wijst het doorzicht, dat spreekt uit zijn woorden, op iemand die niet meer zo jeugdig was. Maar hij werd geïntroduceerd gewoon als een man te Jeruzalem.
Het zou mij niet verbazen als de woorden 'de dood niet zien, voordat' niet meer zeggen dan: 'tijdens je leven zul je het beslist meemaken' 4. De conclusie dat hij al op de drempel van de dood stond lijkt mij dan ook niet noodzakelijk.
We weten het gewoon niet. We krijgen de indruk dat de tekst ons niet wil laten speculeren over zijn leeftijd. De door Plummer (ICC) gesignaleerde "correspondentie tussen de vervulling (Nu laat Gij, Heer...) en de voorafgaande belofte 'de dood niet te zullen zien'" lijkt mij dan ook niet zo evident als wel voorgesteld wordt.
Als Simeon het soort Israëliet was als bijvoorbeeld Nathanaël, dan zal hij als ideaal gehad hebben 'het goede te zien' (Ps. 4:5), 'in het land der levenden' (Jes. 38:11), voor 'Gods uitverkorenen' (Ps. 106:5), 'voor Jeruzalem' (Ps. 128:5) en w.s. 'lengte van dagen' (Ps. 91:16) voor zichzelf. Hoe komt het dan, zo vroeg ik mij af, dat Simeon een soort aureool van onthechting kreeg opgedrukt? Kwam dat, zoals een commentator ons vertelt, doordat de lofzang van Simeon 'sinds de vijfde eeuw gebruikt is in 'avonddiensten en dat het vaak de hymne van stervende gelovigen' geweest is (Plummer)? Het is eigenlijk niet zo belangrijk hoe oud hij precies was, en of hij al dan niet stervensbereid was, maar wel dat zijn stem niet ondersneeuwt onder het image van bijna uitgetelde grijsaard. Naar zulke mensen wordt nl. in onze cultuur niet meer zo serieus geluisterd. We houden dus in gedachten dat hij nadrukkelijk geïntroduceerd is als een woordvoerder van God.
Zwanenzang?
De indruk van een wens dat de Here hem maar moest wegnemen, zoals indertijd Elia, hangt nauw samen met het bovengenoemde image. 'Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan 5in vrede." Ik vraag mij af of het 'laten gaan' (Gr. apolueis), hier terecht als 'heengaan', dus als eufemisme voor sterven is opqevat?" De bewijsplaatsen die voor deze uitleg aangehaald worden uit de Griekse vertaling van het O.T. zijn niet sterk. Drie hebben een andere grammaticale vorm (Num. 20:9, Gen. 15:2 en het apocriefe Tobit 3:6) en in 2 Maccabeeën 7:9 gaat het om een onvrijwillig stervende martelaar. Deze plaatsen tonen hoogstens aan dat het eufemistische gebruik (van apoluoo) mogelijk is, niet dat het hier in Luc. 2:29 ook zo bedoeld is. Als eenmaal gekozen is voor dit eufemistische gebruik, moet men (om een goede zin te krijgen) wel concluderen tot een wensende of gebiedende wijs (zo GrN, Willibrord). De gebruikte argumenten om de werkwoordsvorm hier een modale bedoeling toe te schrijven lijken mij dus aanvechtbaar. De meest voor de hand liggende interpretatie, als proclamerende constatering, in de aantonende wijs dus, past m.i. beter in het verband van de pericoop en verdient daarom serieuzer overweging.
In vrijheid stellen of heengaan
Het werkwoord apoluoo komt in Lucas- Handelingen voor: als vrijlaten uit gevangenschap, uit een situatie van schuld of ziekte; op vrijwel evenveel plaatsen vinden we de betekenis wegsturen of laten gaan. Dus vanuit het geheel van Lucas-Handelingen kunnen we niet opmaken welke betekenis dominant is. Maar vanuit de pericoop krijgt het werkwoord een bepaalde inkleuring. Ten eerste door de tekening van Simeon als een door de Geest geleide profeet. Ten tweede door de voorafgaande presentatie of loskoping van een eerstgeborene. Ten derde door de sterk eschatologische lading van het voorafgaande Nu (Gr. nun), van het heil (sootèria) in het onmiddellijke vervolg, en door het verwante woord verlossing (lutroosis) in vs. 38. Maar, ten vierde, vooral het genre van vs. 29-32 vraagt om een hymnische, proclamerende toonzetting. Dat bleek al uit vs. 28: "en hij loofde God als volgt" (zoals we kunnen vertalen) en het hierbij aansluitende "zij loofde mede God" van vs. 38. AI deze dingen sluiten vergelijking met zwanenzangen als die van Jacob (Gen. 49:18) en van de levensmoede Tobit eigenlijk al bij voorbaat uit. Niemand zal ontkennen dat apoluoo gebruikt kan worden als een aanduiding voor sterven, maar (zwakke) parallellen mogen het onmiddellijke en wijdere verband in Lucas niet verdringen.
Of klaroenstoot?
Meer nog dan de woorden van Gabriël tot Zacharias ons uitnodigden de profetieën van Zacharia op te slaan, geeft Simeon ons m.i. een venster op beloften in Jesaja 40 e.v. Herhaaldelijk werd de Knecht des Heren daar voorgesteld als een boodschapper aan gevangenen en blinden (42:7, 16; 43:8; 49:6,9; 49:24-26). Als iemand die de vertroosting van Israel verwachtte zal hij ongetwijfeld geleefd hebben bij het troostboek bij uitstek uit het O.T., het tweede gedeelte van Jesaja. De nauwe aansluiting bij Jesaja 50:10 en Psalm 98:2 ("voor de ogen van alle volken") bevestigt dat. Lucas tenminste moet, blijkens 3:6 en 4:18, Simeons uitroep wel in dit licht gezien hebben.
Noten
1. In een vorig artikel wees ik op de functie van het "En zie ..." in de compositie van Luc. 1:5 - 2:40 (Opbouw, 36e jrg. nr. 26). Omdat de evangelist de uitdrukking hier voor de zevende keer gebruikt, lijkt hij er hier in zijn betoog een climax mee in te leiden.
2. Zie Joh. 3:8.
3. Een mooie samenvatting van wat hierover bekend is vond ik in R.T. France, Jesus Ihe Radical. Leicester, 1989 (tweede herziene druk).
4. Vgl. de uitdrukking 'mijn vader begraven' in Luc. 9:59. Mogelijk betekent dit 'zorgen voor mijn (bejaarde) vader totdat hij sterft'.
(Zo: K. Bailey, Through Peasanl Eyes, 1980. Grand Rapids.)
5. De woordkeus 'laten gaan' op zichzelf is, als er een associatie met de exodus bedoeld is, wel een gelukkige greep.
6. Zo I. Howard MarshalI, The Gospel of Luke, The New International Greek Testament Commentary. Grand Rapids, 1978; en Baur-Arndt-Gingrich, p. 56 ('prob. modal now mayest thou ...').