"Anders dan vissen in dichtstbijzijnde sloot"
1993-12-31
In het Swahili noemen ze hem 'Mzee', wat zoiets betekent als oudere heer. Marinus Meeuwsen (69) vertrok op oudere leeftijd met zijn vrouw Stien (67) naar Kenya "waar ze nog echt respect hebben voor de grijze haren".- Jaargang 37
- nummer 27
Hieronder het verhaal van een Nederlands Gereformeerd echtpaar, waarvan het ene deel niet zonder jaarrekening kan leven en het andere deel eventueel nog wel iets anders had willen beginnen.
Als ze alle plussen en minnen van tevoren hadden geweten, waren ze ook gegaan. Werken tot aan je pensioen en je vervolgens terugtrekken om een rustiger leven te gaan leiden, daar was Marinus nog niet aan toe.
Toen hij 62 jaar was, liet hij zijn compagnons weten uit het bloeiende accountantsbedrijf te willen stappen.
Ophouden om vervolgens iets heel anders te gaan doen. Even werd zelfs met het idee gespeeld om een eigen winkel te beginnen. Toch liep het allemaal anders.
Steun
In oktober 1986 konden ze kennisen en familie melden dat ze veertien dagen later voor een paar jaar naar Kenya zouden vertrekken. Een van hun dochters was via de organisatie Tear Fund in de rimboe van Soedan beland en werkte daar voor Across, een andere organisatie voor 'ontwikkelingshulp. De administratie van Across bevond zich in Nairobi, de hoofdstad van Kenya, en Marinus vernam dat daar nog wel het een en ander verbeterd kon worden in de boekhouding van de organisatie. Ook de tocht van het echtpaar Meeuwsen naar het Oost-Afrikaanse land werd via Tear Fund geregeld. Deze organisatie bemiddelt alleen en ze moesten zelf zorgen voor hun onderhoud. Dat vormde echter geen enkel probleem: "Toen ik mijn werk neerlegde, moesten we immers ook ons zelf onderhouden", aldus Meeuwsen.
'Devotion'
Voor hun vertrek naar Afrika volgden ze eerst nog een veertiendaagse voorbereidingscursus in Engeland. Hun medecursisten waren over het algemeen jongeren tussen de twintig en dertig jaar. "Dit is toch wel wat anders, dan m'n vader. Die pakt een hengel en gaat vissen in de dichtstbijzijnde sloot", reageerde een medecursist.
Marinus voelde zich echter niet in de verleiding gebracht dit veiligheidshalve ook maar te gaan doen. Achteraf zijn ze daar nog steeds blij om. "Zo'n tijd in een hele andere omgeving is verfrissend. Je neemt afstand van jezelf en daardoor leer je ook je over te geven aan de weg die de Heer voor je heeft bepaald", aldus Stien. Marinus en Stien verkeerden bijna altijd onder de evangelicals, waar zij zich met hun Nederlands Gereformeerde bagage uitstekend thuisvoelden. Het echtpaar trof bij deze mensen een situatie aan waarbij geloof en leven één is: "Ze leven daar dichter bij de Heer. Hij is de Levende Compagnon waar je hele dagen mee onderweg bent en naar wie je luistert. De nadruk ligt dan ook heel sterk op het gebed", vertellen ze. Regelmatig komen in de week gebedsgroepen bijeen en eenmaal in de maand hebben ze een gebedsnacht. Ook in de kantoren van alle christelijke organisaties wordt 's morgens met alle werknemers begonnen met een 'devotion', een bidstond.
Slum
Marinus en Stien hadden daar veel aan, al was het alleen maar om de regelmatig opdoemende problemen het hoofd te kunnen bieden. Zo verliep de samenwerking met de mensen van de eigen organisatie niet altijd even makkelijk. Met name in het begin rond de huisvesting. Het eerste half jaar hebben ze gezworven van appartementen naar pensionnetjes en weer terug. Daarnaast hadden ze te maken met veel onvolkomenheden, zoals een week zonder stroom of water.
Met name Stien had het eerste jaar veel te stellen met het verhuizen. Marinus begon in Nairobi met het organiseren van een goede boekhouding voor Across. Er was een grote achterstand en het systeem liep niet. Na anderhalf jaar, in april 1988,werd dit plotseling afgebroken door een staatsgreep in Soedan. Werkvergunningen werden ingetrokken en de ontwikkelingswerkers in Soedan konden hun biezen pakken. Toen was er ook voor Marinus weinig meer te doen en hij stapte over naar een ander project in de sloppenwijken, de 'slum', van de Kenyaanse hoofdstad. Tear Fund gaf daar financiële hulp aan een kleine Afrikaanse kerk die verschillende activiteiten ontplooide op het gebied van onderwijs en voeding. Van de verslagen van de geldbesteding klopte alleen weinig.
Jaarrekening
Marinus en Stien werden daar geconfronteerd met een vreselijke armoede en slechte huisvesting, maar ook zagen ze resultaat van de hulp die geboden werd. "Er liep daar een projectleidster rond, die ook in de 'slum' woonde en door middel van financiële steun van Tear Fund een opleiding had kunnen volgen. Ze fungeert nu in diezelfde wijk als een soort maatschappelijk werkster", aldus Meeuwsen. Na een half jaar kreeg Marinus niet weer een werkvergunning voor dit gebied en hij moest iets anders gaan zoeken. Dat was niet zo moeilijk. De African Evangelistic Enterprise zocht iemand die een boekhouding met twee jaar achterstand in de jaarrekening kon bijwerken. "Dat is heel erg, want een jaarrekening geeft aan wat er in een jaar is gebeurd. Zonder jaarrekening kan ik eigenlijk niet leven, omdat ik dan helemaal geen beeld heb van de organisatie", schetst Marinus de situatie. Ook gelddonoren willen af en toe wel eens weten wat er met hun geld gebeurt. Als dat niet aangetoond kan worden, dan kan een organisatie verdere sponsoring wel vergeten.
Stadion
Gedurende drie van de zes Keniaanse jaren werkte Meeuwsen voor AEE, een organisatie die het evangelie in de Afrikaanse steden wil brengen. Daarnaast worden ook ontwikkelingsprojecten uitgevoerd. Binnen AEE werken mensen samen met verschillende kerkelijke achtergronden, waaronder Anglikanen, Presbyterianen, Methodisten, mensen afkomstig uit de pinkstergemeente enzovoort. Marinus vertelt dat het mooi is te zien hoe een evangelisatieactie van de grond komt en hij is er nog steeds van onder de indruk: "De actie begint met een openingsbijeenkomst, bijvoorbeeld in een stadion. Dat loopt vol. Gedurende de week van de actie wordt het Evangelie gebracht in kerken, scholen, op markten, in ziekenhuizen, bedrijven en huis aan huis. Na de slotbijeenkomst in weer een vol stadion, wordt de nazorg ter hand genomen door de kerken. Er zijn dan 200 à 300 werkers in de weer geweest. In grote steden als Lusaka in Zambia en Kisumu in Kenya komen na zo'n actie 4000 tot 6000 kaartjes binnen van belangstellenden. AEE gaat na een paar maanden de kerken bezoeken en bespreekt het resultaat van de nazorg". Marinus en Stien vonden het heel bijzonder om aan dergelijke projecten bij te mogen dragen, waardoor duizenden God leerden kennen.
Televisie
Naast het cijfermatige werk voor AEE hield het echtpaar zich ook bezig met hele praktische zaken. Marinus zorgde bijvoorbeid dat er rekken werden gefabriceerd, zodat alle boeken met jaarrekeningen en tussenbalansen niet langer over de grond zwierven. Ondertussen ving Stien thuis allerlei bezoek op: Mensen op doorreis, familie, en anderen.
Daarnaast deed ze het huishouden, dat daar veel meer tijd vergt dan in Nederland, en verrichtte ze allerlei kleine klussen, Vrouwen uit het buitenland krijgen in Kenya geen werkvergunning, dus ze kon weinig ondernemen.
Maar ze vertelt dat ze geen moment heeft gehad om daarbij stil te staan. Meeuwsen opereerde een half jaar in de sloppenwijken. Hij had daar twee leergierige compagnons, voor wie hij werkschema's en handleidingen schreef. Hij liep tijdens zijn werk daar regelmatig tegen de Afrikaanse mentaliteit aan: "Gegevens die je nodig hebt moet je gewoon uit ze trekken. Afrikanen vertellen niets uit zichzelf, want wat je zegt dat ben je kwijt. Tja, dat heeft toch ook met macht te maken en daar kunnen ze niet goed mee omgaan. Met geld trouwens ook niet, ze zijn daar heel makkelijk in; lenen betekent krijgen en een nieuwe televisie voor het zoontje gaat voor goed voedsel".
Bacteriën
In het voorjaar van 1992keerde het echtpaar terug. Marinus werd geveld door een longontsteking waarbij een Afrikaanse bacterie het allemaal nog gecompliceerder maakte. Stien had in Nairobi al het nodige ondervonden van Afrikaanse bacteriën en dit deed het echtpaar besluiten in Nederland te blijven. Drie maanden geleden weken ze uit naar buurland België waar ze een appartement hebben gevonden. Uit de verhalen blijkt echter dat de hang naar dat andere continent altijd wel zal blijven: "Ik zou daar graag nog wat klussen willen doen. Het waren zes bijzondere jaren", besluit Marinus.