Wees konkreet in je kritiek op de belijdenis
1993-04-23
Geachte redactie, - Jaargang 37
- nummer 9
In het nummer van 26 maart 1993 van Opbouw viel me een artikel op met de titel: "Een konkreet punt van kritiek op de belijdenis".
Van zo'n titel zou je wat mogen verwachten.
Maar het spijt me u te moeten zeggen dat ik kritiek heb op de kritiek.
Ik passeer even de gebruikelijke gemeenplaatsen in dit verband, een belijdenis, hoe dierbaar ook, in welke mooie taal ook gevat, is óns spreken over de grote werken van de Here God.
De belijdenis is óns belijden. Het is goed en zuiver dat spreken synchroon te laten verlopen met ons denken en doen. Veranderingen? Die zijn bespreekbaar.
Mijn kritiek richt zich op het inhoudelijke.
De vragen en antwoorden 99 en 100 van de Heidelbergse Catechismus bespreken het derde van de tien geboden: U zult de NAAM van de Eeuwige, uw God, niet zómaar in de mond nemen, want de Eeuwige zal die mens niet voor onnozel verklaren. Het valt me in het artikel van dominee de Jong op dat voor dit element de aandacht ontbreekt. Wél alle belangstelling voor de tekst van de catechismus, nota bene in een redactie die bespottelijk is door het ouderwetse. Maar géén aandacht voor de diepe ernst die ik in de catechismus wél ontdek, ik heb althans altijd gedacht te begrijpen wat daar onder woorden wordt gebracht.
We zullen in de toekomst de kritiek van dominee de Jong niet tegenkomen in de kerkelijke stukken: hij heeft er geen behoefte aan een gravamen in te dienen.
Ik denk dat dit een verstandige gedachte is, hij zou zichzelf daarmee waarschijnlijk wéér een soortgelijk oordeel op de hals halen als waar hij in de laatste alinea van zijn artikel op doelt, en nog verder gedesillusioneerd raken. Het is misschien een goede taxatie van de gevoelens binnen de kerken waarin dominee de Jong verkeert.
Daar kan men met deze kritiek ook niet uit de voeten, gelukkig. Maar om die reden als particulier dan maar alvast stukjes uit het belijden te gaan schrappen lijkt me onjuist. Overigens heb ik meer kritiek: een dominee, een dienaar van het goddelijke woord, komt in z'n aanmerkingen niet toe aan het ontzagwekkende van de NAAM. De dominee heeft zijn lesje niet goed geleerd.
Voor de volgende catechisatieles draag ik daarom de dominee op de vragen 99 en 100 plus de 'bewijs'-teksten die daarbij in de verschillende versies en uitgaven genoemd worden door te nemen en de bedoeling die daaruit spreekt daarna in eigen woorden weer te geven. Een voorzet je zal ik alvast geven door een stukje uit het voorwoord bij een Franse uitgave van de catechismus te citeren: Puisse, par la qrëce du Dieu vivant, Père, Fils et Sa int-Esprit, et à Sa gloire, ce petit ouvrage contribuer à faire naitre et croitre, en beaucoup, la Foi selon la Parole de Dieu, 'Ia Foi transmise aux saints une fois pour toutes'.
Nee, ik ben niet echt opgetogen over het onderhavige artikel. Voornamelijk vanwege de essenties, die ontbreken.
Het is me wat te mat en ook te negatief.
Ik moest dat even kwijt, omdat ik denk dat dit tegengesteld werkt in de Opbouw van het Gereformeerde leven. Op de rem trappen kan in bepaalde situaties nodig zijn. Maar doe dat niet bij het uitspreken van de NAAM van de Almachtige, moedig het liever aan!
Met vriendelijke groeten,
Arie Baauw, Vlqardingen,
28 maart 1993
Konkreetheid
Zonder nu rechtstreeks en breedvoerig op dit schrijven in te gaan - mijn onderwerp was dacht ik wat beperkter dan de behandeling van het derde gebod of van heel Zondag 36 - grijp ik de gelegenheid aan om mijn bedoeling nog een beetje te verduidelijken. 'Een konkreet punt van kritiek op de belijdenis', zo titelde ik mijn artikel. Misschien was het beter geweest dat woord 'konkreet' schuin te laten drukken. Want juist dat konkrete, daar ging het mij om. Wat ik namelijk in onze, kring wel tegenkom en wat mij dan stoort is dat men zo in de wandelgangen een wat vage kritiek op de belijdenis spuit zonder nu precies te zeggen wat daarin voor verbetering of kritische afwijzing in aanmerking komt.
"De belijdenis is niet hetzelfde als Gods woord", hoor je dan zeggen - en verder komt het niet. Dat vind ik in z'n algemeenheid ondermijnend gepraat.
Want wat de essentie van de belijdenis betreft, die staat wel degelijk op het nivo van de heilige Schrift. Wees dus voorzichtig met je kritiek erop en laat die voorzichtigheid vooral blijken uit de konkreetheid en de preciesheid van je bezwaren. Die trouwens ook wel moeten gaan over iets dat de moeite waard is. Want het slaat natuurlijk nergens op dat men zulke relativerende zinnetjes als van zoëven onderbouwt met geen ander argument dan dat de belijdenis zich wellicht vergist met Paulus als de auteur van de Brief aan de Hebreeën aan te wijzen. Als men niets anders weet te noemen laat men dan zijn mond houden. Dit is immers te onnozel om er de tekstverwerker voor aan te zetten.
Theokratische resten
Anders wordt het evenwel wanneer we in de konfessie stuiten op wat ik zou willen noemen theokratische resten, dat wil zeggen uitspraken die terug te voeren zijn op een verlaten denkwijze van vroeger toen men de overheid nog durfde belasten met taken waarop wij nu inzien dat ze niet berekend is. Daar wees ik er in mijn artikel één van aan: de vordering van doodstraf op de godslastering in vraag en antwoord 100 van de Heidelberger. Op dit punt namelijk is onze belijdenis duidelijk een kind van haar tijd: de vordering zelf nam de katechismus uit het middeleeuwse verleden over terwijl de nieuwe tijd zich bij hem aankondigt in de aarzeling ten aanzien van de vraag wie of die doodstraf ten uitvoer zou moeten leggen.
Werd dat naar God teruggeschoven?
De overheid wordt daarvoor in ieder geval niet meer genoemd, zoals ik liet zien. Wel, ik durf dat een omzwachtelde impasse te noemen, een geval waarin de katechismus zijn hand overspeeld heeft en zich met zijn forse taal ("waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft") een beetje overschreeuwt. En let je dan ook nog op het schriftbewijs dat in dit geval rondweg niet ter zake is dan is er voor mij alle reden om wat de katechismus hier gebonden heeft te ontbinden. Dat is niet omdat ik de hand licht met de belijdenis maar omdat ik haar graag serieus neem. Serieus neem als een historisch dokument waarin ik mij als gereformeerde ook na vier eeuwen nog voldoende herken om er een binding mee aan te gaan en bijvoorbeeld tegen een buitenstaander te zeggen: Als je wilt weten hoe ik geloof, lees dan dit oude leerboekje eens. Maar natuurlijk, het blijft een historisch dokument, met alle bezwaren die daaraan verbonden zijn. Die werk je met verbeteringen niet weg. Vandaar dat ik die ook niet voorstel.
Zinniger lijkt het mij de binding eraan meer geestelijk dan juridisch, meer inhoudelijk dan formeel te laten zijn.
Mooie taak
Eerlijk gezegd vind ik het een mooie taak voor ons nederlands gereformeerden om temidden van rechtzinnig Nederland (waarbinnen trouwens de roem op de belijdenis vaak omgekeerd evenredig is met de kennis ervan) te proberen de binding aan de konfessie tot normale proporties terug te brengen.
Wij staan immers enerzijds met volle overtuiging achter het rechtzinnige geloof maar moeten ons anderzijds steeds weer verdedigen tegen de aantijging van (het dulden van) afwijking van de beltldenls. Laten we daar niet te hard over klagen en zeuren maar ons deze situatie ten nutte maken. En met eertijke argumenten aantonen waar de belijdenis inderdaad achterhaald of onhoudbaar is. Wij gaan wat vrijer met de drie formulieren van enigheid om?
Wel, laat blijken waar en waarom. Zo nam ik vraag en antwoord honderd van de katechismus op de korrel. Wij zijn immers (gerekend vanaf de ontstaanstijd van dit geschrift) een gesekulariseerde wereld binnengegaan waarin het theokratisch ideaal een waar blok aan het been is, zoals je bijvoorbeeld aan de SGP kunt zien. En dat niet alleen, we zouden er vanwege de wet 'Gelijke Behandeling' nog nodeloos op aangevallen kunnen worden ook! Hoe nodig is het dan niet op dergelijke punten als waarover ik me heb geuit wat kernafval op te ruimen. Dat is gewoon een stukje achterstallig onderhoud van de konfessie. De juridische binding zoals die tot dusver gegolden heeft maakt dat onderhoud tot een praktische onmogelijkheid. Dat is ook wel weer gebleken uit de verschillende reakties die mijn artikel heeft losgemaakt. Die welke we nu plaatsen maar ook die in het ND van woensdag 31 maart jl. Geen zakelijke gedachtenwisseling als waartoe ik uitnodigde maar alleen een formele benadering ("Maar om die reden als particulier dan maar alvast stukjes uit de belijdenis te gaan schrappen lijkt me onjuist" - zie boven), zonder ook maar het geringste spoor van een inhoudelijke weerlegging of tegenargumentatie.
Dit is echt kenmerkend binnen de gereformeerde gezindte. Als goede uitzondering daarop moet ik het rapport noemen dat destijds ds. J.R. Wiskerke voor de provinciale synode van de zuidelijke kerken gemaakt heeft over de leer van Telder. Daarin werd zakelijk ingegaan op het door ds. Telder ingebrachte bezwaar. Een teken, zou ik zeggen, dat het wel in onze vrijgemaakte traditie zit om zo geestelijk vrij met d~ konfessie om te gaan. Sinds het Koncilie van Drenthe (de synode van Hoogeveen) is dat evenwel jammer genoeg weer helemaal verdwenen.
Schuldige vrees
We moeten ons ook niet van ons stuk laten brengen door het alarm van degenen die bezord om ons zijn. We behoeven niet te twijfelen aan de goede bedoelingen van degenen die zich afvragen waar wij met die sympathetischkritische (de term is nog van K. Schilder!) opstelling ten opzichte van de belijdenis blijven, maar vrees is een slechte raadgeefster. We hebben nu over de eeuwen heen genoeg ervaring met de konfessionele geschriften op kunnen doen om te weten waar de sterke en waar de zwakke punten liggen.
Als je bijvoorbeeld let op de grote pastorale schade die door de leer van de dubbele predestinatie van voornamelijk de Dordtse Leerregels is aangericht dan is het zonder meer legitiem dat de belijdenisgeschriften op dit punt openlijk bevraagd worden, - ook als de nieuwe antwoorden nog niet overtuigen.
Dat heeft niets met zucht tot kritiek te maken. Het zou van de andere kant schuldige vrees zijn wanneer iedereen zich daarover stil hield. Ik denk dat wij nederlands gereformeerden met het spelen van deze open kaart de gereformeerde gezindteleen dienst kunnen doen. Wij staan zeker geen nieuw geloof voor maar we zijn ook geen kritiekloze verheerlijkers van het verleden.
Dat is toch een vaststelling om warm van te worden?
Geen nieuws
En och, 'waar blijven we als...?' - we hebben het toch eerder meegemaakt dat ons zoiets toegevoegd werd? Toen wij onze bedenkingen tot uitdrukking brachten bij de (ook al weer onhistorischel toepassing van de artikelen 27-29 van de NGB op de huidige kerkelijke situatie? Dat we er niets voor voelden om met behulp van een paar 'dussen' de vrijgemaakte kerken tot de enige ware te verklaren? Terwijl daar bij een tijdloos-konsekwente en dus oneigenlijke uitleg van artikel 29 van de NGB echt wel veel voor te zeggen zou zijn.
Men vond ons ook in die zestiger jaren wel ontrouw aan de belijdenis. Geen nieuws dus als dat vandaag weer gebeurt.
Maar wat we toen hebben beweerd is thans gemeengoed bij de meesten van degenen die ons er destijds om veroordeeld hebben. Wij (een minderheid) moesten er toen om weg, zij (een meerderheid) mogen er nu om blijven. Dat is natuurlijk bitter en stelt het machtsdenken dat er achter heeft gezeten (en nog zit!) in het volle licht.
Ook hun kerk bestaat uit herkenbaarzwakke mensen, stellen we mild vast.
Maar een winstpunt van deze omslag van opinie is dat het rigoreuze ware-kerk-denken praktisch verdwenen is.
De zaak-Hoorn heeft het onmogelijke ervan aan het licht gebracht. Daaruit valt op te maken dat het soms wel eens een tijdje kan duren voordat je gelijk aan de dag treedt. Dat is nu bij het vrijmoedig en (vanwege de tijd waarin we leven) nodig kritiseren van bepaalde belijdenis-passages denk ik weer het geval. Echt gelijk kan wachten.