Predikantsopleidingen

1993-05-07
  • Jaargang 37
  • nummer 10
In "Seminarie-nieuws", een "uitgave ten dienste van de Nederlands Gereformeerde kerken" stond in het nummer van maart 1993 een aantal lezenswaardige artikelen, die mij aanleiding gaven over predikantsopleidingen een paar gedachten naar voren te brengen.

De onder ons bekende publicist br. C. Huizinga begon zijn artikel over "Het Seminarie en de universiteiten" met een openingszin die bij mij hartelijke weerklank vond. Hij schreef: "Er is een tijd geweest, dat gewone kerkmensen zoals u en ik, zich sterk bij de opleiding van hun toekomstige predikanten betrokken voelden."
Van de tijd na de vrijmaking schrijft hij: "De hogeschool was een zaak van en voor ons allen". Inderdaad, al heb ik daar ook minder positieve herinneringen aan. Ik denk niet dat wij haarheen terug moesten verlangen.
Ik ben blij dat het genoemde nummer van Seminarie-nieuws deze zaak van de opleiding, zoals al vaak gebeurd is, nog weer eens nadrukkelijk aan de orde stelt, want ik heb het gevoel dat die "Seminarie-beweging" in onze kerken teveel genegeerd wordt, misschien ook misverstaan. Anderzijds heb ik begrip voor een bepaalde kritiek die ik steeds vaker hoor op het Seminarie, nl. dat men daar, ondanks veel reserve tegenover de traditionele theologie, geen haar beter is, en óók uitgaat van allerlei (deels onbewuste) theologie, die bij sommige onderwerpen ook nog zeer aanvechtbaar is.
M.i. zijn we in onze kerken nog lang niet klaar met het probleem van de predikantsopleiding. Wat ik er van hoor, zowel van voor- als van tegenstanders van het Seminarie, beweegt zich t.a.v. het veelzijdige probleem der predikantsopleiding, m.i. nog altijd stevig in de lijn van een kerkelijke en theologische traditie die naar mijn mening haar tijd grotendeels gehad héeft, en nog slechts in kleine en vooral talrijke "ghetto's" gecontinueerd kan worden.

Problemen van alle kanten
Onze kerken leven met betrekking tot de predikantsopleiding, zoals bekend, in een nog niet definitieve situatie. De Landelijke Vergadering van 1978/1979 besloot degenen die bij ons predikant zouden willen worden, te adviseren hun theologiestudie in Apeldoorn te doen, en niet aan één der toenmalige "Universiteiten". Daarnaast echter werd door een klein aantal broeders en kerken het Seminarie opgericht als een alternatief, ook voor Apeldoorn.
Het probleem van dit Seminarie is dus om duidelijk te maken waarom Apeldoorn minder goed is dan een eigen Seminarie. Op dit punt is echter alleen duidelijk geworden, dat men de overgrote meerderheid der kerken (nog) niet heeft kunnen overtuigen. Wat ik persoonlijk een beetje jammer, maar wel heel begrijpelijk vind.
Anderzijds hebben de jongelui die in onze kerk predikant zouden willen worden blijkbaar óók niet de gewoonte zich zomaar te voegen naar het zgn. Apeldoorn-advies. Als de cijfers die br. Huizinga geeft juist zijn, dan zijn er maar ongeveer 20% die dat doen. De overgrote meerderheid (80%) niet.
De Theologische Studiebegeleiding en het landelijk verband van onze kerken heeft dus ook een probleem: waarom gaan er plm. 40% (bijna de helft) van onze aanstaande predikanten naar Utrecht, Leiden, Kampen en Heverle (België) om zich voor te bereiden op het predikantschap en nog eens plm. 40% (ook bijna de helft) naar het Seminarie in Amersfoort dat slechts door enkele plaatselijke kerken gedragen wordt?
Deze vraag bergt nog andere en meer ernstige vragen in zich: wanneer al die jongelui die momenteel via de genoemde verscheidenheid straks dominee geworden zijn, brengt dat dan een zegenrijke meerkleurigheid onder de predikanten teweeg of, als tweede mogelijkheid, ook allerlei onderlinge theologische geschillen, die evenzoveel beginselen kunnen zijn van nieuwe scheuringen? Want de talrijke scheuringen ontstonden in de geschiedenis der orthodoxe kerken en kerkjes haast altijd vanuit theologische geschillen in de theologen- en predikantenwereld.
Beide mogelijkheden acht ik reëel en het is dan ook geen weelde dat onze Landelijke Vergadering volgend jaar de kwestie van de predikantsopleiding nog eens opnieuw gaat bespreken.
Daarbij is de kwesfie van een eigen opleidingsschool nog altijd een open vraag. Een rapport uit 1976 zegt het aldus: "Zou het Apeldoorn-advies en de daarop afgestelde begeleiding van de toerusting tot de dienst des Woords niet tot het gestelde doel leiden, dan kunnen de kerken altijd nog de weg van een zelfstandige opleiding, eventueel in de vorm van een seminarie, gaan in gezamerilijk overleg." Dat het Apeldoorn-advies dat gestelde doel niet heeft bereikt, lijkt me duidelijk. Dat het daarom nu "van boven af" zal worden "opgelegd" en afgedwongen, lijkt ook onaannemelijk, en bovendien ruïneus.

Enige cijfers
Hoewel onze kerken dus gelukkig nog gezegend zijn met een officiële en grote tolerantie terzake van de opleiding onzer toekomstige predikanten, blijft het feit overeind staan dat wij over deze kwestie onze meningsverschillen hebben. Niet slechts onder de predikanten, maar ook onder de kerken en met name onder de jonge (mannelijke én vrouwelijke!) kerkleden die dominee zouden willen worden bij ons.
Alle getallen in dezen strijden met elkaar: Slechts 7 kerken van de 94 stellen zich achter het Seminarie, maar haast de helft (40%) van de studenten gaat er heen. Voorts: De overgrote meerderheid der kerken staat achter het "Apeldoorn-advies", maar slechts plm. 20% van degenen die deze zaak het eerste aangaat: de studenten, wil er heen. Ten derde: slechts 7 kerken hebben zich met het Seminarie verbonden, maar het ontvangt zijn inkomsten voor 50% van onze kerken plus nog voor 35% van individuele kerkleden. Wat overdreven gezegd: hier klopt alles met niets.

Hoe komt dat?
Als "gewoon kerklid" die de genoemde opleiding ter harte gaat, vraag ik mij dus af: hoe komt dat zo?
Waarom loopt de motivering van de studenten voor hun keus van een opleidingsinstituut niet parallel met de opvattingen van onze kerken, of althans van onze studiebegeleiders inzake deze kwestie? Of spelen hier heel andere motieven mee, en zo ja, welke? Het is mij niet bekend of daarnaar al eens een onderzoek gedaan is.
Het is niet onmogelijk, maar anderzijds bepaald niet voor de hand liggend om te veronderstellen dat naar verhouding vrij veel nuldejaars studenten beter dan de grote meerderheid der predikanten de opvattingen van het Seminarie over de theologie begrijpen en bijvallen. Waarom kiezen zij (verhoudingsgewijs in groten getale) desondanks bv. Amersfoort (Seminarie) in plaats van Apeldoorn? Of waarom verkiezen evenveel anderen Utrecht of Leiden, etc. boven Amersfoort of Apeldoorn?

Inhoudelijke achtergronden van onze onenigheid
Br. Huizinga vraagt: "Hoe staat het onder ons toch met de 'vordering van de meningsvorming'?" Daarover sprak nl. het bovengeciteerde rapport. Ik vrees dat er geen enkele "vordering" op dit punt is. Discussie over één van de achtergronden, nl. meningsverschillen over de aard, het nut, het misbruik, de noodzaak en de gevaren van de "theologie", komt nauwelijks van de grond. Terwijl dat waarschijnlijk toch wel een heel belangrijke oorzaak van de onderhavige onenigheid is, zij het niet de enige. En terwijl deze zaak internationaal in gereformeerde kerken breed in discussie is, al jaren lang. Wanneer gaf onze eigen kerkelijke pers nu eens een grondige bespreking van de hierover ook in Nederland verschenen publicaties?
Voorzover mijn indrukken reiken krijg ik het beeld dat de diverse woordvoer ders van de voor- en tegenstanders van het Seminarie elkaar op dit punt eerder negeren, dan nog trachten te overtuigen. Vanuit het Seminarie is er stellig een voortdurend, zij het in bescheiden vorm, herhalen van enkele bekende standpunten op een populaire manier. Zonder noemenswaardige wetenschappelijk verdiepte argumentatie en naar mijn smaak op weinig overtuigende wijze. Van tegengestelde zijde werd er voorzover ik zien kon, vrijwel nooit diep op ingegaan. Althans werd mij in de laatste vijftien jaar niets bekend van een grondige en stevige discussie waarin men werkelijk op elkaars argumenten inging, zakelijk en met enig verstand van de betrokken zaken. Kortom: van een gevorderde meningsvorming binnen onze kerken over deze dingen kan m.i. niet gesproken worden.

Verwachtingen
Mijn persoonlijke verwachting van de besprekingen op de eerstvolgende Landelijke Vergadering is dan ook niet zo groot. Men kan m.i. vermoeden dat er althans principieel niets zal veranderen.
De tijd is er m.i. niet rijp voor en de meningsvorming in dezen geen stap verder dan twintig jaar geleden.
Misschien zegt iemand: dat is ook maar het beste. Want als we de door u en door br. Huizinga gewenste discussie en meningsvorming krijgen, dan kan er zoveel meningsverschil boven komen, dat de rust en het saamhorigheidsgevoel in de kerken ernstig beschadigd wordt. Mijn antwoord zou dan o.a. zijn: dat is best mogelijk, maar dat wordt dan alleen nog wat uitstel.
Een ander deel van mijn antwoord zou zijn: laten we niet vergeten dat we in onze kerken een prachtige uitvinding hebben gedaan met het instituut van de Theologische Studiebegeleiding (TSB). De grondslag daarvan is immers het hoogst belangrijke beginsel van de vrije theologische studie. Dat beginsel behelst m.i. meer praktische consequenties dan er in feite worden uitgehaald. Dit beginsel staat ook het bestaan van een eigen kerkelijk seminarie, of "hogere beroepsopleiding" (HBO) allerminst in de weg. En zeker niet wanneer zo'n kerkelijke instantie echt kerkelijk wil blijven, en niet verplicht wordt gesteld, en niet een soort theologisch faculteit je pretendeert te willen zijn. Wetenschappelijke theologie beoefenen behoort nl. geen legitieme kerkelijke opdracht te zijn. Een dergelijke opleiding kan men dus nu al bij ons vinden en desgewenst kiezen, nl. in Amersfoort.
Wat dat bovengenoemde uitstel van de meningsvorming door discussies betreft, nog het volgende.
Ik hoop en vermoed dat de komende generaties wat minder gemakkelijk in onze huidige situatie met betrekking tot de predikantsopleiding zullen berusten.
Want de christelijke wetenschapsbeoefening op andere gebieden dan de theologie gaat langzaam maar gestaag verder en al zou geen theoloog zich daarmee willen bemoeien, zij bemoeit zich met een innerlijke noodzakelijkheid wel met de theologie.
Dus vergelijkbaar met de politiek die zich immers met ieder van ons bemoeit, ook als het niet wederzijds is.
Dat dringt ten slotte ook door onder de jongelui in de Nederlandse kerken van de gereformeerde gezindte en zelfs daarbuiten.
Zolang wij onszelf bewust zouden willen verschuilen en beschermen in een theologisch ghetto, zullen we er desondanks niet in slagen hedendaagse verkeerde theologische ontwikkelingen buiten de deur te houden.
Zelfs niet onder het motto dat het toch allemaal maar "schriftkritiek" en "ondermijning van de belijdenis" is wat de klok slaat in de hedendaagse theologische supermarkt. Doorgaande reformatie op gereformeerd theologisch gebied zal dan van orthodoxe geestverwanten buiten de gereformeerde gezindte moeten komen. Of van gereformeerden uit het buitenland.
Van beide mogelijkheden meen ik hoopgevende voortekenen te zien.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief