Waar gaat het naar toe? (1)
1993-05-21
Meestal hoort men in deze verzuchting een bezorgde ondertoon doorklinken.- Jaargang 37
- nummer 11
Lettend op de veranderingen van de moraal, waar wij mee te maken krijgen, wordt er nogal eens bezorgd opgemerkt: "Waar gaat het naar toe?"
Ik ben niet zo verschrikkelijk bezorgd, moet ik eerlijk bekennen, en ook niet zo somber gestemd door alle veranderingen, die zich op het terrein van de ethiek voltrekken. Wanneer ik deze vraag stel: "Waar gaat het naar toe?", dan stel ik die vraag eigenlijk meer uit nieuwsgierigheid dan uit bezorgdheid.
In mijn studietijd heb ik geleerd, dat de moraal voortdurend verandert en dat dat ook niet anders kan in een kultuur, die voortdurend aan veranderingen onderhevig is. Ik zeg dat niet omdat ik een grenzeloze optimist ben, of omdat ik geloof in de goedheid van de mens, maar omdat ik geloof in God. Ik verwacht en vertrouw er op, dat de Here God ons de Geest en de wijsheid zal geven om met al deze veranderingen om te gaan, er een weg in te vinden.
Dat betekent voor christenen nauwgezet luisteren naar de Schrift en kreatief zijn in het bedenken van strukturen en vormen, waarbinnen de veranderende moraal gestalte kan krijgen. Ik wil dus op positieve wijze ingaan op de veranderingen, die zich voltrekken en die niet bijvoorbaat afdoen als verslechtering of achteruitgang.
Ik ga er van uit, en dat is voor mij een vast gegeven, dat de moraal verandert en zal blijven veranderen, ook al zullen mensen, tot op de dag van Christus' wederkomst, bezorgd blijven vragen: waar gaat het naar toe? Eigenlijk moet dat voor een christen geen vraag zijn, want we weten deksels goed wat het antwoord is. We leven heen naar het koninkrijk van Goden dat moet ons vandaag de inspiratie, de geestkracht, geven om in te spelen op alle veranderingen, die we doormaken. Dat is niet altijd even gemakkelijk. De veranderingen voltrekken zich soms in sneltreinvaart, en niet elke verandering is een verbetering, dat besef ik heel goed.
Het verleden als norm?
Toch zeg ik: Kijk niet te veel naar het verleden, maar kijk naar de toekomst.
Het is een ernstige fout om alle veranderingen die plaatsvinden te vergelijken met het verleden en te zeggen: Zoals het vroeger was, was het beter.
Het is niet fair om het verleden te hanteren als de norm, waaraan men het heden afmeet. Of een verandering goed is of slecht, dat kunnen we niet uitmaken met een beroep op het verleden.
Het is vaak ook uit ergernis, uit misnoegen, dat men het heden vergelijkt met het verleden, om vervolgens het verleden op te hemelen. De Prediker (7:10) waarschuwt ons daar reeds voor: "Zeg niet hoe komt het, dat de vroegere tijden beter waren dan deze? Want niet uit wijsheid zoudt gij aldus vragen". Wanneer je je groen en geel ergert aan de tijd waarin je leeft, dan maak je het je zelf onmogelijk om iets positiefs te doen met het heden.
En misschien is het waar, misschien was het verleden zelfs beter, maar dat mag geen reden zijn om te blijven klagen over het heden. En je er tegen af te zetten.
De moraal
Hoe ontstaat moraal en waardoor verandert de moraal? Toen ik nog in de kollegebanken zat, legde onze leermeester in de ethiek, prof. Kuitert, aan de hand van een heel simpel voorbeeld uit hoe moraal ontstaat(2). Het paadje door weiland.
Dit voorbeeld sluit heel goed aan bij een ervaring, die ik onlangs zelf opdeed-, toen ik fietsend op weg was naar ds. Kranenburg. Als je volgens het boekje rijdt, maak je een hele wijde bocht, want de weg loopt om een groot schoolgebouw heen. De meeste mensen nemen de kortste weg en die loopt achter de school langs. Maar je moet dan wel over een stuk grasveld rijden om op het pad uit te komen, dat achter de school langs loopt. Een enkeling is er mee begonnen, gaandeweg gevolgd door velen en zo is er over dat grasveld een breed pad uitgesleten.
Het is geen fraai gezicht, het is zonde van het gras, maar wat kan de gemeente er aan doen? Er een agent bij zette om elke overtreder op de bon te slingeren of er een hek om heen zetten?
Niets van dat alles. Want wie schetst mijn verbazinq toen ik op weg naar ds. Kranenburg, stratemakers bezig zag dat uitgesleten pad te betegelen.
Een illegaal paadje werd door de overheid tot een wettige route verklaard.
Je kunt daar natuurlijk een hele ris ethische oordelen tegenaan gooien. Dat hoort zo niet, het is strafbaar wat er gebeurt, fietsers horen gewoon over de weg te fietsen. Maar het gebeurt. En het wordt nagevolgd en op den duur door iedereen geaksepteerd.
Zo gaat het nu ook met de moraal. We doen heel veel dingen zonder er bij na te denken. Bepaalde gwoonten en gebruiken. We lopen, zo gaat dat, over allerlei geëffende paadjes. Dat hebben hele generaties voor ons gedaan en we hebben niet direct reden om er van af te wijken. Als je bij alles wat je doet steeds weer opnieuw moet nadenken, een beslissing moet nemen, dan hou je geen tijd meer qver om iets te doen.
We doen een heleboel dingen, omdat dat nu eenmaal hoort bij de groep, waar we deel van uit maken. Vader en moeder hebben dat zo gedaan, zo doen wij het ook. Zo doen ze dat bij ons in de kerk, wij konformeren ons aan de moraal die in onze kerk gangbaar is.
Laat ik een voorbeeld geven. Wij, en dan bedoel ik de oudere generatie, zijn opgevoed bij de overtuiging dat sexualiteit en huwelijk bij elkaar horen.
Vóór de tweede helft van de jaren 60 was dat de heersende moraal, niet alleen in de kerk, maar ook in de samenleving.
En naar het huwelijk toe volgde je een duidelijk uitgestippeld paadje. De huwelijksmoraal was keurig vastgelegd in allerlei instituten, vormen en gebruiken. Je kreeg verkering, en als dat vast genoeg was, ging je je serieus voorbereiden op het huwelijk.
De uitzet werd bij elkaar gespaard (de verloving vormde daartoe de eerste aanzet), en als de mannelijke partner in het levensonderhoud kon voorzien, werd er getrouwd, nadat je bij je a.s. schoonouders de hand was komen vragen van je geliefde.
Eén van de morele kodes was, voor het huwelijk geen sexuele omgang.
Sexualiteit hoort thuis in de veilige bedding van het huwelijk.
Deze morele kode werd, denk ik, soms meer met de mond beleden, dan in de praktijk nagevolgd. En zo af en toe kwam er een topje van de ijsberg boven water, wanneer er in de kerk werd afgekondigd, dat na belijdenis van schuld tegen het zevende gebod die en die bevestiging van hun huwelijk hadden aangevraagd. Ik verbaas me er over, hoeveel oudere mensen er behoefte aan hebben alsnog op dit punt hun geweten te ontlasten. Maar de kodes waren heel sterk. Als je wilde trouwen moest je je vrouw kunnen onderhouden. Toen wij aan trouwen gingen denken, en dat in een gesprek voorzichtig aan de orde stelden, was de eerste reaktie: Geen denken aan, je kunt nog niet eens je vrouw onderhouden. We zijn in onze studententijd getrouwd, want de tijden waren inmiddels veranderd.
Oorzaken voor verandering
Hoe kwam dat zo? Er zijn wel een paar oorzaken te noemen. In de eerste plaats werd de relatie tussen trouwen en kinderen krijgen niet meer als vanzelfsprekend ervaren. Zoiets komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Dat heeft een reden. En één van die redenen is de techniek. De techniek, die in een kultuur altijd ingrijpende veranderingen teweeg brengt. Ik bedoel dus het gebruik van voorbehoedmiddelen, m.n. de pil. Eerst in onkerkelijke kring, maar gaandeweg ook in kerkelijke kring. Het ging langzaam, maar het was nauwelijks tegen te houden. In die eerste tijd werd er nog enorm over gediskussieerd (mag het wel, mag het niet, normen en waarden werden er bij gesleept, ethische oordelen uitgesproken), maar hoe meer de pil werd gebruikt, des te sneller werd 'ie aanvaard.
Ik denk dat er vandaag veel jonge christenen zijn, die zich niet meer de vraag stellen: mag het of mag het niet. Het is een moreel geaksepteerd gegeven geworden. Dat is enerzijds jammer, omdat er daarom ook veel minder bewust mee om gegaan wordt.
Een tweede punt, dat ik wil noemen, is de krisis van het gezag, die onze kultuur heeft doorgemaakt. Veel jonge mensen zijn zich gaan afzetten tegen het huwelijk, omdat zij zich hebben afgezet tegen hun ouders, tegen het in hun ogen verburgerlijkte milieu, tegen wat zij noemden de konsumptiemaatschappij.
Het was de tijd van Provo, de studenten rellen, de bezetting van het Maagdenhuis, de alternatieve leefvormen.
Het huwelijk werd beschouwd als iets burgerlijks en daar kwam het samenwonen als alternatief voor in de plaats. Ongebondenheid, vrijheidblijheid was het parool. Je mag elkaar niet binden. Een belofte van trouw voor het leven, hoorde ik een dominee voor de radio zeggen, staat gelijk met levenslange gevangenisstraf.
In die 60'er/70'er jaren weken velen af van de geijkte paden en er ontstonden nieuwe paadjes, die langzaam maar zeker insleten. In de eerste tijd nauwelijks of niet geaksepteerd, zeker niet in kerkelijke kring, maar langzamerhand vond er een gewenning plaats, en werd het samenwonen een steeds meer geaksepteerd verschijnsel in onze samenleving. Ook moreel geaksepteerd, d.w.z. de overheid ging het samenwonen in bepaalde gevallen gelijkstellen met het huwelijk. Voor grote groepen in de samenleving is trouwen of samenwonen daarom ook geen vraag meer. Het hoort er gewoon bij. En zo zien we dat er in onze samenleving een hele andere huwelijksmoraal is ontstaan. Hoe gaan we daar als christelijke kerk mee om vanuit de bijbelse normen en waarden? Die vraag komt een volgende keer aan de orde.
1 Lezing Vrouwencontactdag, Kampen 6 mei 1993.
2 H.M. Kuitert, Anders gezegd. Een verzameling theologische opstellen voor de welwillende lezer. Kampen 1972, blz. 185.