Het begrip 'verantwoordelijkheid' in de Bijbel
1993-05-21
Inleiding- Jaargang 37
- nummer 11
De ethiek van de wereld om ons heen was de laatste tweehonderd jaar gebaseerd op de plicht: "Wat moet, wat behoor ik te doen?" Wij spreken hier van een plicht-ethiek. Daarbij kwam onvermijdelijk de vraag: "En waarom moet dat dan wel?" Op deze laatste vraag kwam nooit een behoorlijk antwoord.
Dat je een ander niet moet doodslaan, dat je hem moet helpen als hij in het water valt, is voor te stellen als een vorm van eigenbelang. Maar waarom zou ik voorzichtig omgaan met natuurlijke hulpbronnen, zodat ook de generaties na ons nog iets hebben? Een plicht-ethiek geeft op deze vraag geen antwoord. Dit deed sommige denkers grijpen naar het begrip "verantwoordelijkheid." Zodoende komen wij dit begrip tegenwoordig nogal eens tegen in de ethische literatuur. Hier blijkt overigens ook het probleem de kop op te steken van de fundering: Waarom zou een mens verantwoordelijk zijn, en aan wie is hij verantwoording verschuldigd?
Binnen de kerken leeft de vraag naar het karakter van de Christelijke ethiek.
Is deze gebaseerd op een aantal Goddelijke geboden, bijvoorbeeld de Tien Woorden, of wordt zo onvoldoende recht gedaan aan onze vrijheid in Christus en het nieuwe leven in Christus?
Zou bij het nadenken hierover het begrip "verantwoordelijkheid" ons op weg kunnen helpen? Indien dit zo is, zouden wij tevens een begrip hebben, waarover wij met de wereld om ons heen kunnen praten. Immers, als wij dlè wereld met zijn ethische vragen met niet meer benaderen dan: "Gij zult...", houdt de discussie op, nog voor zij is begonnen.
Twee redenen dus, om na te gaan, of "verantwoordelijkheid" een bruikbaar begrip is. Daarbij is onze eerste vraag, of Gods Woord spreekt over verantwoordelijkheid en zo ja, in welke vorm dan wel.
Het is de bedoeling van dit artikel, daarnaar een onderzoek in te stellen.
Daarbij maken wij onderscheid tussen "verantwoordelijk zijn voor iets of iemand" en "verantwoording schuldig zijn aan iemand." Het eerste zullen wij aanduiden met "verantwoordelijkheid" en het tweede met "rekenschap."
Iemand die daartoe bevoegd is, een autoriteit, mag jou om rekenschap vragen, vragen, wat jij met je verantwoordelijkheid hebt gedaan. Bij die rekenschap wordt aan een maatlat, een "norm", gemeten, of je gedaan hebt. wat je overeenkomstig je verantwoordelijkheid had behoren te doen.
Dat "behoren" wijst naar een plicht, maar anders dan in een plicht-ethiek, is deze plicht afgeleid van de verantwoordelijkheid.
Wij kunnen nog een andere vorm van rekenschap onderscheiden, namelijk in de zin van: motiveren, wat je gedaan hebt. In die zin kan rekenschap worden afgelegd aan ondergeschikten.
Zo legt God geen rekenschap af in die zin, dat iemand de autoriteit zou hebben, Hem ter verantwoording te roepen.
Wel motiveert God soms zijn handelen tegenover mensen. Dat is echter geen recht, dat wij tegenover God hebben. Wij zullen ons alleen bezig houden met rekenschap in de eerste betekenis.
Verantwoordelijkheid, rekenschap en autoriteit zijn niet los van elkaar te denken. God als Autoriteit stelt ons verantwoordelijk en eist van ons rekenschap.
Alle menselijke vormen van autoriteit zijn van deze goddelijke Autoriteit afgeleid. Daarom is de poging, om menselijke verantwoordelijkheid vast te stellen in een werled zonder God, tot mislukken gedoemd.
Hiermee zijn wij echter vooruitgelopen op wat wij in de Bijbel zullen vinden.
De Bijbel overhet afleggen van rekenschap
In een concordantie komen wij zowel "rekenschap" als "verantwoording" tegen. In de vertaling van het NBG (1951)verwijzen beide echter naar wat wij "rekenschap" hebben genoemd.
Wat wij verantwoordelijkheid noemen, komt als uitgedrukt begrip niet voor.
Toch kent, zoals wij nog zullen zien, de Schrift het wel degelijk. Wij kunnen ons zelfs afvragen, of verantwoordelijkheid jegens de naaste zo vanzelfsprekend is, dat daaraan weinig woorden worden gewijd.
De mens moet tegenover God in het laatste oordeel rekenschap afleggen van zijn woorden en daden: Mat. 12: 36; 1 Pet. 4: 5. Zonder vermelding van het laatste oordeel vinden wij dit door de mens voor God rekenschap afleggen in Rom. 14: 12, Heb. 4: 13 en Deut. 18: 19. Hier staat de mens in een on: dergeschikte positie tegenover God, de Autoriteit. God Zelf, zo zagen wij al, verantwoordt Zich tegenover niemand.
(Job 9: 19,33: 13; Jer. 49: 19; 50: 44) Soms is er in de Schrift sprake van het geven van rekenschap van mens tegenover mens. Wij noemen een aantal voorbeelden:
- Hand. 26: 1, 2: Paulus legt rekenschap af tegenover koning Agrippa. Hoewel Paulus over zijn geloof spreekt, is hij hier de burger, die zich verantwoordt voor de overheid.
- Hand. 19: 40: De burgers van Efeze zijn rekenschap verschuldigd aan de Romeinse stadhouder als overheid.
- Luk. 16: 2: De onrechtvaardige rentmeester is rekenschap verschuldigd aan zijn heer.
- 2 Kon 22: 7: De opzichters over de tempel krijgen geld voor de tempelrestauratie.
In afwijking van de normale gang van zaken behoeven zij geen rekenschap af te leggen van hun uitgaven.
- Dan. 6: 3: De landvoogden moeten over hun beheer rekenschap afleggen aan Daniël.
- 1 Pet. 3: 15: Wij moeten als gelovigen tegenover een ieder die daar naar vraagt, rekenschap geven van de hoop die in ons is.
Behalve in het laatste geval, is er steeds sprake van rekenschap geven aan een autoriteit. Deze menselijke autoriteit is ontleend aan en afgeleid van de Goddelijke autoriteit (Rom. 13: 1, 2; denk ook aan de zalving van de Oud-testamentische koningen).
De laatste tekst (1 Pet. 3: 15) laat zien, dat er rekenschap mogelijk is tegenover iemand, die geen autoriteit is in de primaire betekenis van het woord.
Hier is sprake van rekenschap tegenover iemand, voor wie men verantwoordelijk is, voor wie men door God verantwoordelijk wordt gesteld. (vergelijk Ez. 33) Door de bovenstaande teksten te noemen, is langzamerhand stilzwijgend het begrip verantwoordelijkheid geïntroduceerd.
Dat wordt sterker in de volgende teksten, waar sprake is van het afleggen van rekenschap aan God wegens verantwoordelijkheid voor mensen:
- Heb. 13: 17: De voorgangers zullen rekenschap moeten afleggen over de kudde, waarover zij waken (= waarvoor zij verantwoordelijk zijn).
- Ez. 3: 18,20: Ezechiël krijgt van God als opdracht, de goddeloze te waarschuwen.
Daarmee krijgt hij, zonder dat het woord wordt gebruikt, verantwoordelijkheid voor zijn naaste en opdracht tot het afleggen van rekenschap over het uitoefenen van die verantwoordelijkheid.
- Ez. 33: 6, 8: Als iemand, die door het volk tot wachter is aangesteld, niet waarschuwt voor gevaar, zal God rekenschap van hem eisen.
Wij hebben hier drie gevallen, waarin iemand als gevolg van zijn taak, die hem hetzij door God, hetzij door mensen wordt opgelegd, verantwoordelijk wordt voor anderen, en daarvan rekenschap moet afleggen voor God. Er is hier sprake van een vorm van beroeps- of rolverantwoordelijkheid.
Zonder gebruik van het woord rekenschap vinden wij iets dergelijks in Mt. 25: 31-46 (Het oordeel van de Zoon des Mensen). Hier is het bijzondere, dat iedereen verantoordetljkhetd blijkt te hebben voor zijn naaste.
De mens als verantwoordelijk schepsel
Gen. 1 geeft aanleiding om te spreken over de mens als verantwoordelijk wezen. Wij moeten daarmee echter niet te vroeg beginnen. De mens wordt naar Gods beeld geschapen. Daaruit kunnen wij niet concluderen, dat de mens als verantwoordelijk wezen is geschapen. Verantwoordelijkheid, rekenschap en autoriteit behoren bijeen. Er is echter geen autoriteit boven God, en God legt geen rekenschap af.
De opdracht uit Gen. 1: 28 geeft wel aanleiding om te spreken over de mens als verantwoordelijk wezen.
Deze opdracht hield immers onder andere verantwoordelijkheid in voor het bebouwen en bewaren van de aarde. Hierbij dringt zich de gedachte op aan rentmeesterschap. Deze gedachte bezien wij afzonderlijk.
Zo mogen wij uit de geschiedenis van de schepping zien, dat verantwoordelijkheid een gegeven is, dat behoort bij het mens-zijn. Deze verantwoordelijkheid veronderstelt vrijheid, want zij is zonder vrijheid niet mogelijk.
Moreel handelen is het op juiste, verantwoorde wijze omgaan met die vrijheid.
Dat "juist" veronderstelt een norm. Waaraan ontlenen wij die?
De mens kreeg na de schepping het eigen lot in handen. Daarmee was de vrijheid gegeven die nodig was om verantwoordelijkheid te kunnen dragen.
Van die in vrijheid gestelde mens wordt rekenschap gevraagd.
Beide aspecten, rekenschap en verantwoordelijkheid, komen tot uiting in Gen.3 en 4. Het moet wel opvallen dat Gen. 3 en Gen. 4: 1-16 structureel zoveel gelijkenis vertonen. Wij wijzen op de volgende punten van overeenkomst:
- Tot rekenschap geroepen: Gen. 3: 9-13 4: 9-10
- Vervloeking: 14-19 11-12
- Matiging van de straf: 21 13-15
- Verbanning: 23, 24 16
Gen. 3 laat zien dat de 'vertikale' relatie wordt verbroken, de relatie van de mens tot God. Gen. 4 is vervolgens niet een illustratie van de gevolgen van de zondeval, maar laat een nieuw aspect zien: de "horizontale" relatie wordt verbroken, die tussen mens en naaste, waarin de mens verantwoordelijkheid draagt voor de naaste. Bij alle treffende overeenkomst zit het verschil immers in de aanhef: "Adam, waar zijt gij" is de vraag om rekenschap tegenover God. "Waar is uw broeder" is weliswaar ook een vraag op rekenschap, maar houdt bovendien in de verantwoordelijkheid voor de naaste.
In deze twee samenhangende Schriftgedeelten zien in feite het "dubbele liefdesgebod," zij het meteen als geschonden.
Dit gaat zo de hele Schrift door. Aan het andere einde van de Bijbel laat een brief als 2 Joh. dit zien.
Uit Gen. 3 en 4 blijkt bovendien, dat de zondeval geen einde maakt aan de menselijke verantwoordelijkheid met de bijbehorende rekenschap.
Verantwoordelijkheid in de Bijbel
Voor het Oude Testament richten wij ons primair op de Thora als het fundament van Israëls samenleving. Het begrip "verantwoordelijkheid" ontmoeten wij, zonder dat het woord wordt gebruikt, daarin veelvuldig.
Enkele voorbeelden:
- Ex. 22: 21-26: Zorg voor weduwe, wees, vreemdeling en arme.
- Ex. 23: 5: Als de ezel van je vijand te zwaar is beladen, moet je helpen afladen.
Dus ook verantwoordelijkheid jegens de dieren!
- Deut. 14: 27-29, vergelijk Ex. 22: 21-26.
- Deut. 15: 7-15; De vrij lati ng van de Hebreeuwse slaven na 6 jaren, met alles waat daarmee samenhing. Als wij Spr. 22: 2 ("Rijken en armen ontmoeten elkaar, hun aller Maker is JHWH.") in dit licht lezen, is het een herinnering aan de verantwoordelijkheid van de mens voor zijn naaste en tevens een herinnering aan de eens af te leggen rekenschap.
- Deut. 22: 1-4, vergelijk Ex, 23.
In de verder boeken van het Oude Testament kunnen wij verwachten dat deze voorschriften worden toegepast.
De profetieën uit Ez. 3 en 33 zijn al genoemd. Bij Boaz en Ruth zien wij hoe een vrome Israëliet zich bewust was van zijn verantwoordelijkheid. Bij Salomo zien wij dat in zijn bede om wijsheid.
Ook in het Nieuwe Testament ontmoeten wij de menselijke verantwoordelijkheid.
Een aantal dlrecte voorbeelden zijn al genoemd. Naast Heb. 13 kan Hand. 20: 26-31 worden geplaatst.
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Luk. 10:25-37)is een schoolvoorbeeld.
Zozeer zelfs dat in de literatuur een discussie is ontstaan over de vraag, of wij moreel verplicht zijn een "barmhartige Samaritaan" te zijn, of dat een "minimaal fatsoenlijke Samaritaan" voldoende is. Verder zij verwezen naar de gelijkenis van de talenten en het oordeel van de Zoon des mensen. (Mat. 25: 46) Nog een voorbeeld is Luk. 12: 35-48. Ik volsta hiermee in de mening, dat deze voorbeelden voldoende aangeven, dat ook in het Nieuwe Testament het begrip "verantwoordelijkheid" aanwezig is.
Eén gedeelte is nog niet genoemd. Dat is de Bergrede en het daarmee samenhangende liefdesgebod. Dat zullen wij afzonderlijk bezien.
Rentmeesterschap
Wij gebruiken het woord "rentmeesterschap" wel in verband met de opdracht uit Gen 1. Is dat een gebruik overeenkomstig de Schrift?
Behalve in Luk. 16 (de onrechtvaardige rentmeester), komen wij het woord tegen in Luk. 12: :42:een rentmeester wordt door een heer over zijn bedienden gesteld, om hen op tijd hun deel te geven. Kennelijk moet hij daarvan rekenschap afleggen. Het hier gebruikte woord "oikonomos" wordt ook gebruikt in:
- 1 Kor. 4: 1, 2: Paulus, Apollos, Petrus, zij zijn beheerders van de geheimenissen Gods. Van een beheerder wordt vereist, dat hij betrouwbaar zal blijken. God zal daarover oordelen.
- Gal. 4: 2: Hier is sprake van een voogd over, een toezichthouder op een minderjarige.
- Tit. 1: 7: Een opziener is beheerder van het huis Gods. Dat huis Gods is geen kerkgebouw, maar de gemeente.
Vergelijk wat wij zagen in Heb. 13: 17.
De oikonomos kan dus zijn een rentmeester, belast met de zorg over de eigendommen van zijn heer. Hij is verantwoordelijk voor de hele "huishouding" en moet rekenschap afleggen.
Paulus gebruikt het woord in de betekenis van verantwoordelijkheid . voor wat God hem heeft toevertrouwd in de wetenschap dat hij er rekenschap over zal moeten afleggen.
Uit het voorgaande volgt, dat de Bijbel zelf de term "rentmeester" hanteert als beeld van iemand die verantwoordelijkheid draagt en rekenschap moet afleggen.
Vormgeving van het begrip
De vorm waarin God die verantwoordelijkheid, waarmee wij de Bijbel worden geconfronteerd, aqan de mens opdraagt, hangt af van het stadium in de heilsgeschiedenis, waarin dat gebeurt.
Paulus maakt in Gal. 3. en 4 onderscheid tussen de tijd dat de erfgenaam onmondig was, en dat hij mondig is.
Het stadium van de onmondigheid, de kindertijd, het oude verbond is, generaliserend gesproken, de bedeling van het Goddelijke gebod, de plichtethiek: "Gij zult...""Gij zult niet..." Daarbij verliezen wij beslist niet de aanhef van de Tien Woorden uit het oog: "Ik ben de HERE uwGod, die u uit het diensthuis geleid heb." God heeft zijn volk bevrijd, maar zet het wel als een klein kind, in een box.
Na Christus is er de bedeling van de mondigheid, vrij van de wet. Dat is de bedeling van de gezindheid: "Laat die gezindheid bij u zijn, die ook in Christus Jezus was.." (Fil. 2: 5) Dit is wat wij in de Bergrede en de brieven vinden, en wat geformuleerd is in het liefdesgebod.
Dat blijkt ook uit Luk. 6: 43-45, over de boom, die aan de vrucht wordt gekend. Het gaat hier over een vrucht.
Een pereboom behoeft niet goed zijn best te doen om peren te produceren.
Dat gaat vanzelf. Daarvoor is het een pereboom. Dat een goede boom goede vrucht voortbrengt wil niet zeggen, dat er nooit een slechte tussen zit. Het zegt iets over de gewone gang van zaken. Zo heeft de gelovige lief en doet hij wat in de Bergrede staat. Niet als plicht, maar omdat hij een kind van God is, een nieuwe schepping. De gezindheid "die van Christus is" en die zijn neerslag heeft gevonden in het liefdesgebod, leidt tot verantwoordelijk zijn voor de naaste. Daaruit vloeit voort, wat gedaan moet worden: als "moet" is het te beschrijven als een plicht. Het spreekt echter vanzelf, zoals het vanzelf spreekt dat een pereboom peren voortbrengt.
Dat wij niet meer onder de wet zijn, maar onder de genade, wil niet zeggen, dat wij nu wel mogen doodslaan, echtbreken etc. De bedoeling van de wet, ligt immers niet in de wet zelf, maar in het leven, dat daardoor mogelijk moet zijn. Onder het nieuwe verbond vinden wij dat als de navolging van Christus.
De Bergrede De Bergrede wordt wel genoemd de grondwet van het Koninkrijk der hemelen.
Wij moeten met deze term voorzichtig zijn. Paulus was zeer categorisch in zijn uitspraak: "Gij zijt niet meer onder de wet, maar onder de genade." (Rom. 6: 14; 10: 4; Gal. 3: 25; 5: 18; Et 2: 15) Bezien wij de Bergrede, zoals die ons is overgeleverd door Lukas, dan vallen ons tenminste een aantal dingen op.
Vooraf gaan het aren plukken en een genezing op de sabbat. De sabbat is het meest kenmerkende gebod van de Dekaloog als tractaat van· het verbond van JHWH met Israel. Het sabbatsgebod was een voortdurende herinner.ing aan dat verbond. Lukas benadrukt dat Jezus Heer is van de sabbat en daarmee van het verbond. Juist de verwijzing naar David geeft aan dat Jezus heer is van een nieuw verbond. Lukas gebruikt in dit verband vaak de uitdrukking: Koninkrijk Gods.
De Bergrede is geadresseerd niet in het algemeen maar aan Jezus' volgelingen: "En Hij hief zijn ogen op naar zijn discipelen en zei: Zalig gij..." (Luk. 6: 20) De "Zaligsprekingen" (Luk. 6: 20-26) tekenen de nieuwe situatie, die van het Koninkrijk Gods dat met Jezus bezig is te komen, het nieuwe verbond. Luk. 6: 27-38 beschrijft vervolgens, hoe leven en werken zijn van de burgers van dat nieuwe rijk, de deelgenoten aan het nieuwe verbond. Dit is inderdaad geformuleerd als een bevel, maar heeft niet het gebiedende karakter van de Tien Woorden, het Verbondsboek (Ex. 20-23) of Deuteronomium. Nee, zij, die behoren tot de groep die in de verzen 20-23 worden getekend, handelen zoals beschreven in de verzen 27-38 (zie ook de verzen 43-45).
Luk. 6: 39-42 geeft aan de noodzaak van wedergeboorte. De oude mens kan·niet in de nieuwe situatie functioneren.
Luk. 6: 43-45 is de conclusie: Immers... aan de vrucht kent men de boom. Na de verzen 39-45 zien wij terugblikkend in 27-38 tevens een waarschuwing tegen een discipelschap uitsluitend in naam.
Dat wil niet zeggen, dat een gelovige nooit iets verkeerd doet. Ik schreef al, dat aan een goede boom heus wel eens een slechte vrucht hangt. maar dat is niet de regel. De meeste zijn goed. En als wij eens een slechte vrucht bij onszelf waarnemen, is het niet de oplossing om nog maar beter je best te doen om "goede werken" te produceren. Nee, dan is er maar één ding: op uw knieën voor de Heer.
De norm voor ons bandelen
Moreel handelen is het op juiste, verantwoordelijke wijze omgaan met de vrijheid die wij in Christus hebben. Dat "juist" veronderstelt een norm, een meetlat waaraan dat handelen af te meten valt. Een norm is de praktische vertaling van een waarde. Die waarde is het nieuwe leven, onze vrijheid in Christus. Daarop berust ook onze verantwoordelijkheid, die immers zonder vrijheid niet mogelijk is.
De norm, waaraan wij ons spiegelen, waaraan wij kunnen controleren of wij onze verantwoordelijkheid dragen, is Christus. Hier dringt zich het begrip "navolging van Christus" op. Ik heb dat onder ons wel eens zo horen formuleren: doen wat je wedergeboren hart je ingeeft. Dit betekent dat een Christelijke ethiek geen kale gebodsethiek kan zijn. Hoe wij in een gegeven situatie behoren te handelen, hangt mede af van die situatie, waarin wij als het goed is, achter Jezus aan zijn terechtgekomen.
Dat betekent dat ik op de vraag, wat ik moet doen, niet altijd hetzelfde antwoord kan geven, omdat niet altijd de situatie eender is. Achter Jezus aan loop ik op een grindpad op schoenen, maar als ik een beek moet oversteken, trek ik ze uit. Dat betekent ook, dat ik iemand, die op mijn weg wordt geplaatst en blote voeten heeft, niet altijd help met een paar schoenen.
Hiermee is niet gezegd, dat de situatie de norm stelt. Juist niet, Onze norm is Christus. De vertaling, de toepassing daarvan in het leven van alle dag, is onze verantwoordelijkheid, en daarop worden wij aangesproken.
Indicatief en imperatief
Bij Paulus is herhaaldelijk sprake van een confrontatie van wat wel wordt genoemd de indicatief en de imperatief.
Het nieuwe leven, waarover wij spraken, wordt door Paulus enerzijds geproclameerd als vrucht van het heilswerk in Christus, en anderzijds als onvoorwaardelijke eis. Ik volsta met een verwijzing naar Ko 1.3: "Want gij zijt gestorven en uw leven is verboregn in God (indicatief) ... Doodt dan de leden die op de aarde zijn (imperatief)."
Ook in Rom. 6 komen wij dit duidelijk tegen.
Wij onderscheid.en aan dat spreken twee aspecten. Enerzijds heeft het te -maken met wat wij in het voorgaande zagen. Wie in Christus is, is een nieuwe schepping. Daarmee is de indicatief gegeven, de gezindheid om als nieuw schepsel te leven. Wordt dat nieuwe schepsel geconfronteerd met het "object" van zijn verantwoordelijkheid, dat ziet hij, wat hij "moet" doen.
Dat is de imperatief, die als plicht kan worden geformuleerd.
Anderzijds is daar de spanning tussen het "reeds" en "nog niet" van het Koninkrijk der hemelen. Het is Koninkrijk is er al in beginsel, het moet nog komen in zijn volle openbaring.
Noten
1 In Job 31: 37 is het Job zelf, die het initiatief neemt.
2 De tekst uit Gal. 4 vormt hierop enigszins een uitzondering. Daar gaat het over voogdij en toezicht, zonder dat verantwoordelijkheid of rekenschap aan de orde komen.
3 De term "gebod" is hier wat misplaatst.
Het griekse "nomos" is de vertaling van verschillende hebreeuwse termen, zoals: verordening, inzetting, onderwijzing. Kenmerkend voor liefde is niet het resultaat, de daad, maar de gezindheid.
4 Wat betreft het gebruik van de imperatief of gebiedende wijs het volgende: De imperatief beweegt zich iri het NT grotendeels binnen dezelfde grenzen als in het klassieke Grieks. Behalve bevelen drukt zij onder andere verzoeken en dergelijke uit. Zij kan ook voorwaardelijke betekenis hebben (zie bv. Joh. 2: 19). (Blas, Debrunner, Rehkopf Grammatik des Neutestamentlichen Griechisch Göttingen 1984(16), p. 313) Het voorkomen van een imperatief behoeft ons dus niet meteen te doen besluiten tot een bevel of gebod. Ook het Gebed des Heren is in de imperatief gesteld.
5 Luk. 6: 46-49 laat ik bewust buiten beschouwing.
Deze pericoop is de afsluiting van 4: 14 - 6: 45, een gedeelte dat begint met de proclamatie van Jezus dat Hij de heilbode is uit Jes. 61, en dat wordt afgesloten met de waarschuwing tegen (weer) nominaal discipelschap: Wij moeten Jezus metterdaad erkennen als de Gezondene.