Je bent geen nummer

1993-06-04
  • Jaargang 37
  • nummer 12
Zo'n woord klinkt ons vreemd in de oren. We zijn ermee opgevoed in de kerk, dat je vreugde en verdriet samen moet delen. Rom. 12,15 is een in dit kader gaarne geciteerd woord: Weest blijde met de blijden, weent met de wenenden. Op grond hiervan wekken we elkaar op om naar elkaar om te zien. Laat iemand niet alleen in de narigheid zitten. Het spreekwoord 'Gedeelde smart is halve smart' zien we bijna voor een bijbeltekst aan. Op momenten van verdriet zien mensen gelukkig naar ons om; bij blijdschap zijn anderen blij met je. Delen is een belangrijk woord in de bijbel. We delen genade-gaven, vreugde, verdriet, goederen. Het woord gemeenschap als de delende band met God en elkaar staat hier dicht bij. Zo sticht zo'n woord uit Spreuken op het eerste gehoor wat verwarring. Het staat haaks op wat ons lief is geworden.

Spr. 14,10 noemt alleen vreugde en verdriet. De bedoeling is niet, dat het alleen daarbij opgaat, en dat anderen je wel kunnen kennen in je angst of je woede. Met vreugde en verdriet worden alle stemmingen van ons leven omschreven; ons gevoelsleven van vreugde tot en met verdriet, als uitersten genoemd en.alles wat daartussen ligt. Aan onze gevoelens zitten kanten, die je alleen zelf begrijpt. Die je niet of nauwelijks met een ander kunt delen.
Er is een verdriet wat helemaal bij jou past. Wat je zelf alleen begrijpt. Wat je zelf ook alleen in z'n volle diepte kunt peilen. Zo kan het ook met vreugde staan. Wat aan de een veel plezier geeft, kan een ander soms niet verdragen.
Voor de een is iets een zeer zwaar lijden, wat voor een ander moeilijk, maar te dragen is.

Mee-leven, mede-lijden, mede-blij zijn is iets geweldigs. Maar er zijn ook grenzen aan ons inlevingsvermogen.
Daar gaat het hier om. Ergens heeft elk mens iets heel eigens. Voor God is elk mens uniek. Hij kent ons bij onze naam. Hij weet alles van ons. Hij weet waarvan wij gemaakt zijn (Psalm 103).
Hij peilt het diepst van onze gevoelens.
Voor God zijn er geen grenzen aan het kennen van wat er in ons leeft (Psalm 139). "Hij kent ons leven woord voor woord." Maar die grenzen zijn er wel tussen mensen. We doen zo vaak alsof die er niet zijn. Het gezegde 'Ik weet wel hoe je je voelt' ligt ons op de mond bestorven. We zeggen dat met de beste bedoelingen. We kunnen gelukkig ook veel van de ander aanvoelen.
Je moet je ook inzetten om elkaars moeilijkheden te dragen, maar ieder, zegt Paulus ook, zal zijn eigen last te dragen hebben (Galaten 6,2.5).
Want je komt voor een grens te staan.
Wie overkomt het niet, dat men zegt "Ik voel je wel aan" merkte: maar ze voelen het niet aan. Er zit in onze gevoelens iets zeer persoonlijks.

Spreuken 14,10 voegt hier nog een bijzonder aksent aan toe. Er wordt over een vreemde gesproken. Daarmee wordt een buitenlander bedoeld.
Natuurlijk kan iemand, die vreemd voor ons is, niet met ons meevoelen in vreugde en verdriet. Maar ook een niet-gelovige kan zo'n vreemde voor ons zijn: de geloofsdimensie van de diepten en hoogten van onze gevoelens van vreugde en verdriet ontgaan hem ten enenmale. Deze tweede parallelle zin geeft betekenis aan het gehele vers. Je kunt veel delen met elkaar. Familieleden, vrienden begrijpen veel van je. In de gemeenschap van gelovigen kun je veel van elkaar begrijpen, omdat je in geloof geen vreemden voor elkaar bent. Maar hoe verder je komt buiten die kring van bekenden, familie, broeders en zusters hoe eerder je de grenzen van het delen bereikt.
Je moet altijd iemands levensgeschiedenis verdiskonteren als je de gevoelens van een ander wilt begrijpen. Er is veel bij een ander wat we zelf ook hebben meegemaakt. Toch maakt het heel wat uit als je meeleeft met een ander wiens kind de kerk verlaat of dat al het derde kind is, dat deze weg gaat, of die ouder er alleen voorstaat.
Weduwen, alleenstaanden, gescheidenen kunnen elkaar geweldig aanvoelen en helpen, maar er spelen nog veel meer persoonlijke faktoren een rol dan alleen dat gemeenschappelijke.
Als er een kind geboren wordt, is het een heel verschil of dat geluk het na een jaar huwelijk overkomt of na tien jaar wachten met teleurstellingen.
Je moet wel proberen te delen. Maar je komt voor grenzen. In ons leven zit veel Wat helemaal persoonlijk, individueel is. Daarom is het een zaak van geloof, dat je een ander niet als een nummer behandelt. Wij scheren elkaar te veel over een kam: jouw geval staat op pagina 53, tweede kolom. Alle teleurgestelden stoppen we in één hok, de vrolijkerds in een ander vak, en de mensen met een opgeruimd karakter brengen we ook onder één noemer. Zo doen we elkaar geen recht.
De weg van geloof is niet: ik heb de ander niet nodig (1 Korinte 12). In de gemeente hebben we alles tot welzijn van elkaar. Maar in de geloofsgemeenschap wordt je individu niet opgeblazen.
Het hoogst persoonlljke mag blijven in die gemeenschap waarin je alles deelt. Je gaat niet op in de massa en je komt niet alleen te staan. Dat leert de weg die de Geest gaat. Er is er één die wel kan meevoelen met al onze zwakheden: Christus.
Petrus zei: Heer, Gij weet alles... Wie je soms als vreemde ervaart, God is een vriend, een metgezel. Met al onze wegen vertrouwd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief