Joodse zending in de diaspora? (1)
1993-06-04
Wie het boek Handelingen leest, kan niet anders dan verbaasd staan over de vaart waarmee het evangelie in de toenmaals bekende wereld verbreid werd: Van Jerusalem naar Rome en dat binnen één generatie! Tegen de tijd dat Constantijn in de vierde eeuw het christendom tot staatsreligie verklaarde was heel het Romeinse Rijk tot in haar uithoeken met het evangelie bereikt, zij het vooral in de stedelijke gebieden en het minst op het platteland.- Jaargang 37
- nummer 12
We kunnen dit toeschrijven aan het werk van de Heilige Geest. Dit hoeft natuurlijk niet uit te sluiten dat ook andere faktoren een rol hebben gespeeld. Zo wordt de vraag wel gesteld of de jonge kerk in haar zendingsonderneming zich aangesloten heeft bij oudere tradities met name in de joodse diaspora. Heeft ze haar zendingselan geërfd van de joodse synagoge in de westerse diaspora? Heeft de kerk de missionaire mantel, die de synagoge door omstandigheden moest laten vallen, opgenomen? Was het Jodendom in de verstrooiing missionair gericht? Heeft een Paulus daar de vruchten van kunnen plukken in zijn arbeid?
Een bekend antwoord
Een bekend antwoord op deze vragen werd geformuleerd door prof. J.L. Koole in een in 1946 bij Wever in Franeker uitgegeven studie De Joden in de verstrooiing, in aansluiting trouwens bij vele andere geleerden. Vandaag de dag kunnen we ook terecht bij de studie van R. de Ridder (1975) Discipling the Nations (Grand Rapids: Baker). Dit antwoord benadrukt dat het Jodendom in de diaspora missionair van aard was, en een grote zendingsbeweging van stapel heeft laten lopen.
Benadrukt wordt dat in aansluiting bij de universeleheilsboodschap van het Oude Testament de joodse gemeenschap in de diaspora zich bewust was van haar roeping getuige te zijn van Gods aanwezigheid in de wereld.
Koole trekt zelfs een parallel met Johannes de Dooper: Hij was geroepen het joodse volk in Palestina voor te bereiden op de komst van de Messias.
Tot deze taak zagen de Joden zich geroepen in de wereld der volkeren, onder wie ze woonden.
Bewijzen
Men meent dat ongeveer 10% van de bevolking van het Romeinse Rijk uit Joden bestond. Dat kan niet alleen te danken zijn geweest aan natuurlijke groei. De verklaring moet wel zijn dat vele heidenen als proseliet de overstap maakten naar de synagoge. Proselieten werden door doop en besnijdenis volwaardig lid van de joodse gemeenschap, en leefden geheel en al volgens de Tora, met name op het punt van onderhouding van de sabbat, de besnijdenis en de spijswetten. Ze werden dan ook begraven op de joodse begraafplaatsen. Maar ook moeten de Godvrezenden niet vergeten worden waar we in Handelingen over lezen, de sympathisanten met de joodse religie die de definitieve stap nog niet gezet hadden, maar toch trouw meeleefden met het wel en wee van de synagoge.
De groeikoers van het Jodendom in de westerse diaspora was zo hoog, en de macht die het in de maatschappij uitoefende zo groot, dat het verzet opriep van niet-joodse bevolkingsgroepen, zoals het geval was bij voorbeeld in Alexandrië in de eerste eeuw. Romeinse keizers probeerden de bekeringsijver van de Joden ook aan banden te leggen door hen onder meer uit Rome te verbannen. Schrijvers als Horatius en Cicero zouden zich ook negatief hebben uitgelaten over deze joodse zendingsdrang.
De wereld van de diaspora
Soms wordt er ook op gewezen dat het geestesklimaat in die tijd uiterst gunstig was voor de joodse zendingsonderneming.
Het geestesklimaat was doordrongen van het Hellenisme. Een van de kenmerken van het Hellenisme was haar syncretistisch karakter: Er was ruimte en openheid voor vele en velerlei religies, vooral die uit het Oosten geïmporteerd, en filosofieeën.
Er heerste een moreel tolerant klimaat.
Er was sprake van dekadentie en morele neergang. Er was ook sprake van onvrede over de publieke moraliteit en de zwakheid van de toonaangevende religies. Zo zou er voor de joodse religie ruimte zijn geweest voor zendingsaktiviteiten. De hoge morele levensstandaard van de joodse gemeenschap en haar geloof in enkel en alleen één God trok ook vele serieus nadenkende mensen aan.
Overigens wil ik hier al herinneren aan een andere tendens in de hellenistische wereld van die dagen: die van het antisemitisme, waar J.N. Sevenster destijds (1976) aandacht voor gevraagd heeft. Natuurlijk, het is van belang te onderscheiden tussen het rassistische antisemitisme dat sinds Darwin op kon komen, en het veeleer religieus geïnspireerde antisemitisme in de Oudheid. De Joden waren door hun op de Wet geïnspireerde levenswijze vreemdelingen in hun heidense omgeving. Ze verkregen ook allerlei rechten in het Romeinse Rijk om hun eigen levenswijze te kunnen handhaven.
En dat leverde uiteraard wrevel op of zelfs ook regelrechte haat, zoals in Alexandrië gebleken is. Die joodse vreemdheid werkte natuurlijk joodse zending bepaald niet in de hand. En hier zouden we wel vragen willen stellen aan de verdedigers van de gangbare visie, die we hier aan het woord laten. Een tegenwerping van hun kant zou kunnen zijn, denk ik, dat de term zending niet christelijk gevuld moet worden. Voor ons gevoel is zending een georganiseerd uitgaan naar de heidenwereld met de bewuste bedoeling om bekeerlingen te maken.
Hoewel dat niet totaal afwezig is geweest in de joodse diaspora, zending was daar toch veel meer het spontane getuigenis in woord en daad op een individuele basis. Dus geen zendingsakties, die in een vijandig klimaat alleen maar problemen zouden hebben opgeroepen.
Zendingsmethoden
Koole wijst op de rol die de synagoge gespeeld moet hebben in de werving van heidenen. De synagogale eredienst was gekoncsentreerd op de Schriften van het Oude Testament en de gebeden, behalve dat daar ook het sociale hart klopte van de joodse gemeenschap.
En de Schriften waren ook in het grieks beschikbaar, de Septuaginta.
Heidenen konden via de synagoge, en door kennisname van de griekse Schrift, tot geloof in de God van Israël, worden geleid en tot opname in het verbondsvolk. Voorts waren er nogal wat schrijvers die zich bezig hielden met de verdediging van het Jodendom tegenover aanvallen van heidenen. Te denken valt dan aan de apologetische werken van een Philo van Alexandrië of ook een Josephus.
Hier was al sprake van missionaire literatuur, die als wegbereiding voor Christus gezien mag worden, waar de jonge kerk dankbaar gebruik van heeft kunnen maken. Niet dat er in deze literatuur ook niet veel te laken viel: De Wet kwam wel heel erg in het middelpunt van de belangstelling te staan; mensen als Abraham en Mozes werden meer cultuur dan geloofshelden, en zo zou er meer te noemen zijn.
Maar toch: men interpreteert deze literatuur als uiting van missionair elan van de joodse synagoge in de westerse diaspora. Anderen denken hier evenwel anders over.