Waar gaat het naar toe? (2)
1993-06-04
Het eerste deel van de lezing wasgewijd aan de vraag: hoe ontstaat de moraal en waardoor verandert de moraal? Nu het tweede gedeelte, waarin we aandacht willen geven aan de normen en waarden, die eveneens een belangrijke rol spelen in het ontstaan van de moraal.- Jaargang 37
- nummer 12
Normen en waarden
Hoe gaan we als christelijke kerk om met de verandering van de moraal.
Want behalve dat de moraal haar wortels heeft in het handelen van mensen, wordt de moraal mede gevormd door de normen en waarden, die in een groep of in een samenleving geldig zijn. En dan zitten we a.h.w. een verdieping hoger, op het terrein van de ethiek, de ethische bezinning. Waarom doen we dit wel en dát niet? Is het moreel juist wat we doen of is het immoreel? Is het goed of slecht? Dat wil zeggen: We geven een beoordeling, een waardering aan ons gedrag, en dat doen we op grond van de normen en waarden, die voor ons (als gemeenschap) belangrijk zijn, en die wij misschien ook belangrijk achten voor de hele samenleving. Op grond van ons geloof of levensovertuiging keuren we een bepaalde moraal af óf juichen we die juist toe. Sommig gedrag vinden wij toelaatbaar, ander gedrag verafschuwen we. We kunnen (en dat is belangrijk) vanuit onze geloofsovertuiging de moraal beïnvloeden, door korrekties aan te brengen of door aan te moedigen of af te remmen.
Wanneer je als groep vindt dat iets niet behoort, op grond van de normen en waarden die binnen de groep geIden, dan kun je dat korrigeren door te straffen.
De Bijbel als norm
Christenen ontlenen hun normen en waarden, hun morele regels, aan de Bijbel, het Woord van God. En dan m.n. de 10 geboden, de goddelijke onderwijzing voor het christelijk leven.
Christelijke ethiek, en dan zeg ik het maar heel kort en simpel, is de bezinning op de moraal vanuit de Schrift. In de Bijbel gaat het om het heil van de mens. Dat betekent in de eerste plaats: de Bijbel verkondigt ons de boodschap van de verlossing: vergeving van onze zonden door het offer van Christus aan het kruis van Golgotha. Uit die hoop leven wij, daar putten we onze kracht uit, dat is de bron voor ons geloof.
Daarnaast geeft de Bijbel ons aanwijzingen voor wat wij moeten doen. Hoe vidnen we in deze wereld een weg, die heilzaam is voor ieder mens en voor de gemeenschap in z'n geheel.
Nu lijkt dat misschien heel erg simpel.
De Bijbel als de norm voor ons leven.
Lees de Bijbelen je weet hoe je moet leven. De tien woorden van het verbond zijn immers helder en klaar.
De Bijbel is toch, zoals de Psalm zegt: Een lamp voor de voet en een licht op ons pad?
Toch is het minder simpel dan het lijkt.
Dat blijkt eigenlijk al uit ons kerkelijk onderwijsboekje, de katechismus, waar tekst en uitleg wordt gegeven van de 10 geboden. Dan zie je, hoe de vaderen er naar gezocht, er naar gespeurd hebben, om de wil van God voor het leven in hun tijd te verstaan.
Kuitert zegt in een ander artlkel(1), dat er altijd een afstand bestaat tussen enerzijds het (altijd geldige) gebod van God en anderzijds onze (veranderende) toepassing er van in de moraal.
Dat wil zeggen: De christelijke moraal is niet identiek met het Woord van God. Die twee vallen niet met elkaar samen. Ik ben geneigd Kuitert hierin bij te vallen, ook als hij zegt: "Niet alleen de Schrift is er, maar er is ook een door de Geest geleide gemeente(2). In de telkens veranderende situaties is het voor de christelijke gemeente een tasten en zoeken om Gods wil voor het heden te verstaan en Zijn geboden te gehoorzamen(3). Ik denk dat Kuitert een stapje te ver gaat, wanneer hij zegt, dat "we in onze werkelijkheid het gebod van God maar op één manier kennen, en dat is op de wijze" van de moraal, en zó geven wij het gebod aan elkaar door". Ik denk dat dit een stapje te ver is, want naar mijn overtuiging blijft er altijd een spanning bestaan tussen het gebod van God en de moraal. En dat komt, omdat wij, vanwege de zonde, zo vaak leven beneden de maat van Gods geboden.
Een voorbeeld
Ik geef u een voorbeeld, ook op het terrein van de huwelijksmoraal. De echtscheiding. De norm in de Bijbel is duidelijk. "Gij zult niet echtbreken".
De praktijk onder het volk van God is echter geheel anders. Mannen sturen hun vrouwen weg om wat voor reden dan ook. Mozes ziet de praktijk onder het volk en wat doet hij? Hij gaat wat niet goed is toch regelen, om dit kwaad, dat om zich heengrijpt, in te dammen. Hij zet a.h.w. een rem op dat lichtvaardig wegsturen van vrouwen door het instellen van de zogenoemde scheidbrief (een scheidingsakte).
De Here Jezus komt daar later op terug, wanneer de joden in zijn tijd die scheidingsakte blijken te hanteren als een vrijbrief om van je vrouw af te komen. En dan stelt Hij de norm weer zeer hoog door te zeggen: "Hetgeen dan God samengevoegd heeft scheide de mens niet", en "Mozes heeft u met het oog op de hardheid van uw harten toegestaan uw vrouwen weg te zenden, maar van de beginne is het zo niet geweest," (Matt. 19:6,8). U ziet wel, in de praktijk blijft er een spanning bestaan tussen het gebod van God (Gij zult niet echtbreken) en de geldende moraal, waarin de echtscheiding geregeld wordt (via de scheidbrief).
En dat laatste gebeurt om een groter kwaad, het willekeurig wegzenden van een vrouw, te voorkomen.
Samenwonen
Ik kom nu nog weer even terug op het samenwonen. Dat is iets waar we in onze gemeenten steeds meer mee te maken krijgen.
En hoe ga je daar als christelijke kerk mee om?
Moeten wij als christenen, die serieus willen luisteren naar de Schrift, op dit punt de veranderende moraal volgen?
Ik zou daar dit van willen zeggen. Het is mijn indruk, dat degenen die nu gaan samenwonen, het samenwonen niet zien als een echt alternatief voor het huwelijk. Ze prediken niet vrijheidblijheid, maar zien het samenwonen als een voorfase van het huwelijk, zeg maar een aanloop naar het huwelijk toe, te vergelijken met de vroegere verloving, maar nu met alles erop en eraan. Ze zijn ook van plan om te gaan trouwen, ze willen zich ook binden aan elkaar, voelen zich verantwoordelijk voor elkaar, maar stellen dat trouwen nog een tijdje uit op grond van allerlei argumenten, die u wel kent. Financiën, we zijn er nog niet helemaal aan toe, of wanneer ze aan kinderen gaan denken.
Dit samenwonen gebeurt uit een andere geest, dan het samenwonen zo'n twintig jaar geleden, toen het een vrijblijvend altenatief was voor het huwelijk.
Ik denk daarom ook, dat de christelijke gemeente deze vorm van samenwonen anders moet benaderen. Niet meer in de sfeer van de tucht, maar vanuit een pastoraal motief(4).
Daar zijn ook wel een aantal argumenten voor aan te voeren.
1. Samenwonen is in onze maatschappij een geaksepteerde vorm geworden voor het samenleven van twee mensen. De groepsmoraal, samenwonen hoort niet, is grotendeels weggevallen en dat betekent een grotere persoonlijke verantwoordelijkheid.
Vroeger was het niet in om te gaan samenwonen, nu kijken ze je met grote ogen aan wanneer je niet gaat samenwonen, maar trouwen. Er is een belangrijke sociale drempel weggevallen.
Voor veel mensen is samenwonen haast hetzelfde als trouwen.
2. Ook de overheid laat in dit opzicht steeds meer steken vlalen en biedt de mogelijkheid aan hen, die niet willen trouwen, om een samenlevingskontrakt aan te gaan. Daarmee is hun onderlinge verbintenis heel goed geregeld, maar het publieke karakter van de huwelijkssluiting ontbreekt.
3. Door al deze veranderingen wordt het steeds moeilijker om duidelijk te maken, waarom de christelijke gemeente van haar leden verlangt dat ze gaan trouwen. Ze houden van elkaar, ze willen trouw zijn aan elkaar, ze hebben hun zaakjes goed geregeld. Wat is dan het verschil met het huwelijk? Waarom is dat dan nog noodzakelijk?
Ik zou voor drie dingen willen pleiten.
1. Een zekere mildheid voor hen die gaan samenwonen. Er wordt vanuit de samenleving een zware wissel getrokken op hun verantwoordelijkheid.
2. Binnen de christelijke gemeente een hernieuwde bezinning op wat in Gods Woord over het huwelijk wordt gezegd en een goede katechese voor hen die verkering hebben.
Een goede voorbereiding, ook en m.n. vanuit de Schrift, is van wezenlijk belang. Als voorgangers en ouderlingen kun je er niet vroeg genoeg bij zijn om dit met katechisanten bespreekbaar te maken.
Een dergelijke geloofsopvoeding mag niet ontbreken, daar mankeert vandaag nog al wat aan.
3. De christelijke gemeente zal in deze tijd, waarin de huwelijksmoraal verandert, ook zelf moeten zoeken naar vormen, strukturen, waarin het samenleven van man en vrouw gestalte kan krijgen.
Om nog even konkreet te worden.
Wanneer jonge (soms ook oudere) mensen gaan samenwonen, zou ik in de pastorale begeleiding er voor willen pleiten hen te behandelen als waren ze getrouwd. Dus dat je hen kunt en wilt aanspreken op hun plicht tot trouw zijn aan elkaar en dat je hen daarmee ook stelt voor Gods aangezicht.
Vaak willen ze God ook niet buiten hun relatie houden. In zekere zin stel je hen daarmee onder de trouwbelofte en hoop je en bid je dat daarmee de weg geopend zal worden naar een officiële verbintenis. In de tussentijd blijf je hen aanspreken op het Woord van God en wat daarin geleerd wordt over het samenleven van man en vrouw(5).
Wanneer in de toekomst de overheid zal besluiten de registratie van bepaalde samenlevingsvormen gelijk te stellen met het huwelijk, dan zal de christelijke gemeente naar een vorm moeten zoeken, waarbinnen zo'n verbintenis mogelijk kerkelijk kan worden bevestigd(6).
Ik besef, dat u denkt, dat we door al deze veranderingen van de moraal ons zouden kunnen verwijderen van de geboden van God m.b.t. het huwelijk.
Dat is niet het geval. Maar aan de andere kant, door in te springen in het gat, dat de overheid en de samenleving laten vallen, kunnen we proberen een groter kwaad te keren en dat is: geen afdoend antwoord weten op de vragen van een veranderende samenleving.
Bij alle bezorgdheid, die er kan zijn over tendenzen in onze samenleving, laten we niet uit ergernis of angst daarvoor het hoofd in de schoot leggen of simpelweg teruggrijpen op het verleden. Wat overeind moet blijven staan is het aanspreekbaar zijn op de wederzijdse beloften van trouw, de verantwoordelijkheid naar elkaar toe en een open oor hebben voor het Woord van God. Ook al is er sprake van afbraak van het oude, tegelijk is dat ook een uitdaging voor de kerk om wegen en strukturen te zoeken, die heilzaam zijn voor mens en samenleving.
En vertrouw daarbij op de Geest van God, die ons zal leren verstaan hoe wij in deze dingen moeten handelen, luisterend naar het Woord van God.
Noten
1 H.M. Kuitert, Het schriftberoep in de ethiek. In: Anders gezegd.
2 H.M. Kuitert, a.a. blz. 87
3 In een op een ouderlingen konferentie gehouden referaat (23 mei 1992 in Utrecht) keert drs. G.I. Born zich tegen deze stelling van Kuitert. Vgl. Opbouw jrg. 36 blz. 358. Born konkludeert in zijn referaat, dat Kuitert Schrift en Geest tegen elkaar uitspeelt. Ik meen, dat Born Kuitert op dit punt geen recht doet. Ook voor Kuitert dient de door de Geest geleide gemeente zich te oriënteren op de Schrift.
Een wat uitgebreider citaat kan dat verduidelijken.
"Christelijke gehoorzaamheid in het heden is het resultaat van een 'delicate balance' tussen de Schriften enerzijds en de inbreng van de gelovende gemeente anderzijds.
De gemeente is... door de Heilige Geest betrokken in een dialoog met de Schrift (als canon!) over wat vandaag gehoorzaamheid is aan Gods gebod."
4 In het Ned. Dagblad van 8 mei schreef J.P. de Vries, dat dit een onjuiste tegenstelling is.
"Het vermaan van de kerk heeft altijd een pastoraal motief: ook als dat uitloopt op tuchtoefening, blijft het behoud van de zondaar inzet". Natuurlijk sluit het één het ander niet uit. Maar ik wil in mijn benadering van het samenwonen een iets andere weg gaan. Niet direkt in de vermanende sfeer met als konsekwentie afhouding van het avondmaal en tenslotte buiten gesloten worden uit de christelijke gemeente en uit Gods Koninkrijk. Wie deze weg gaat moet wel weten waar deze eindigt. Ik wil in mijn benadering uitgaan van het feit, dat twee mensen samenwonen en hen in hun keus serieus nemen en hen daar ook op aanspreken. Hun samenwonen is niet zomaar iets, maar daarin staan zij voor Gods aangezicht.
5 In de diskussie op de dag zelf bleek, dat velen meenden, dat ik wilde pleiten voor een gelijkstelling van het ongehuwd samenwonen met het huwelijk. Dat heb ik niet bedoeld. Het ging mij toen en nu nog om de pastorale begeleiding van hen, die samenwonen. Door hen in hun keuze serieus te nemen, kun je hen ook aanspreken op hun verantwoordelijkheid tegenover elkaar en tegenover de samenleving.
Jullie leven als man en vrouw samen voor Gods aangezicht, daar kiezen jullie voor, daar willen we jullie ook op aanspreken.
In feite ben je zo bezig om een hekje (een beschermend hekje) te bouwen om hun relatie. Óf dit wordt door hen zelf als te benauwend ervaren óf, en daar stuur je in de gesprekken op aan, zij gaan ook zelf inzien, dat zij de publieke bescherming van het huwelijk niet kunnen missen. Mijn pleidooi is dus niet publieke erkenning door een kerkelijke bevestiging van hun relatie, maar een weldoordachte poging om hun relatie uit de privésfeer te halen.
6 Dr. J.J. Oostenbrink heeft daar in Opbouw (jrg. 36 nr. 20 en 21) zeer behartigenswaardige dingen over geschreven.