Een hele bijzondere zondag

1993-06-04
  • Jaargang 37
  • nummer 12
"Bah, ik heb een hekel aan zondagen!", roept Matthijs. "Ik ook", zegt Jonathan. "Ik ook", zegt Gersom. "We mogen niet bij vriendjes spelen, we mogen niet naar het zwembad, we moeten naar de kerk, we moeten helpen met de afwas. Bah." Ik zucht heel diep. Ik weet wel dat het niet helpt om nu te gaan zeggen wat er allemaal wél leuk is. Dan wordt het een spelletje, zo van: ik zeg, dit is leuk en dat is leuk, en de jongens zeggen, ja maar... dit is vervelend en dat is vervelend. En toch begin ik weer aan dat spelletje. Ook moeders doen en zeggen domme dingen, helaas. En zo worden we er allemaal niet vrolijker op.
Het enige dat nu nog kan helpen is een goed plan. Iets leuks waar we allemaal zin in hebben, zodat het toch een zondag blijft, een speciale dag van God. Ik weet ook wel dat de kerkdienst niet leuk was, veel te lang en onbegrijpelijk, maar God is niet alleen in de kerkdienst.
Een uur later zijn we in het bos. Vlakbij de grote universiteitsgebouwen van Butare is een aangeplant bos. Dat is voor onderzoeken. Bomen zijn heel belangrijk hier in het land. Ze houden de grond op de heuvels vast, zodat die niet wegspoelt bij de regens, en in dit bos probeert men welke bomen het beste groeien, welke het beste zijn voor hout en welke gezond zijn voor de grond. Het bos is al meer dan 50 jaar oud. Er wonen vleermuizen en soms zien we er apen. Deze keer niet.
We spelen verstoppertje, we verzamelen mooie zaden, we wijzen elkaar mooie plekjes aan en we spelen boompje-verwisselen. Geen gezeur meer, het wordt toch een leuke zondag.
"Kom jongens, naar huis", zeg ik dan, "ik heb zin in thee met een stuk cake."
Dat heeft iedereen, we lopen weer in de richting van de auto.
Opeens... komen er tussen de bomen drie mannen te voorschijn. Eén loopt naar me toe, ik denk even dat hij mij een hand wil geven en steek mijn haru uit, maar zijn gezicht staat niet vriendelijk.
Naast zijn ogen klopt zichtbaar een grote ader. Hij kijkt me niet aan en geeft me geen hand, maar grijpt mijn pols. De twee andere mannen lopen naar Dick. De ene heeft een groot kapmes, de andere een bijl. "Ga zitten en doe je schoenen uit, allemaal", zegt de man bij mij in het Frans. We blijven allemaal stokstijf staan, het dringt niet tot ons door wat er gebeurt: we worden beroofd!
Onze schoenen zijn geld waard, onze kleren en horloges ook, maar we zijn te geschrokken om te bewegen. De twee mannen met de wapens zeggen geen woord. Ze kunnen zeker geen Frans, de man die dat wel kan, loopt nu naar Dick.
"Geef geld", snauwt hij. "Ik heb geen geld", zegt Dick. Dat is waar. De man voelt in zijn zakken, hij grabbelt ook in mijn tas. Er zitten papieren in, papieren voor de auto. Ik laat ze een voor een zien. Ja, hij ziet dat hij daar niets aan heeft. De man met de bijl krijgt een idee: hij grabbelt in Dick's sokken.
Maar daar zit ook geen geld verstopt.
Ze lijken helemaal het idee van de schoenen te vergeten, ze zoeken nu alleen nog naar geld. Ze dreigen met de wapens. Een van onze jongens begint te huilen. "Niet doen met pappa!", schreeuwt hij heel hard. De andere twee moeten er ook van huilen, en ik slik heel hard. "Ik huilde niet omdat ik zo bang was, maar om die man medelijden te laten krijgen", zegt onze dappere zoon later. Het heeft vast wel geholpen. De mannen worden alsmaar zenuwachtiger. Ze kunnen niet begrijpen dat we geen geld hebben en ze schijnen niet op een ander idee te komen. Dick begint tegen ze te praten. "Waarom doen jullie dit? Dit soort praktijken loopt nooit goed af. Jullie zijn op de verkeerde weg!" "Wat doe je hier eigenlijk in Butare?", vraagt de dief. "Ik ben dominee", zegt Dick. Het lijkt wel of de dieven al banger worden. Eén grist het horloge van Dicks arm, het mijne laten ze maar zitten. Ze lopen weg, maar Dick blijft praten. Zijn preek is nog niet afgelopen.
"Ga weg, ga weg", roept de dief.
"Kom nou maar, pappa", roepen de jongens. De boeven draven het bos in, en wij lopen terug naar de auto. Thuis hebben we een boel te praten.
Waarom waren die boeven opeens zo bang? Waren wij bang? Ja, dat wel, maar we staan nu toch niet te trillen.
Was God bij ons, daar in het bos?
Jazeker! Laten we maar danken dat het zo is afgelopen. We bidden ook dat we geen nare dromen krijgen of bang worden voor mensen. Die nacht slapen we allemaal als rozen. We hebben iets heel bijzonders beleefd op de dag van God. Het was niet in de kerk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief