Joodse zending in de diaspora? (2)
1993-06-18
De vorige keer gaven we het woord aan geleerden die de vraag in de titel boven deze serie artikelen positief beantwoorden. Ja inderdaad, de Joden in de verstrooiing gedurende de eeuwen rond de jaartelling waren missionair ingesteld, ookal erkennen zij dat het meestal niet om aktief naar buiten tredende zendingsakties ging. Maar de jonge kerk moet toch tegen deze achtergrond gezien worden, willen we haar geweldige zendingselan in het.- Jaargang 37
- nummer 13
juiste perspektief kunnen zien. Maar er zijn ook anderen die met een heel ander antwoord op boven gestelde vraag komen.
Een ander antwoord
Voor dit andere antwoord verwijs ik naar Scott KcKnight (1991) die een zeer gedegen studie, ALight Among The Gentiles, aan de hele problematiek wijdde. Hij benadrukt sterk dat de Joden in de westerse diaspora geen vreemdelingenhaters waren.
Men stond open voor vreemdelingen geheel in lijn met de oudtestamentische prediking over de in Kanaän woonachtige vreemdelingen. Heidenen namen, zij het op beperkte schaal, deel aan de eredienst in de tempel, waar zelfs een voorhof der heidenen was.
Ook in de synagoge is er dus zeker sprake geweest van deelname van heidenen aan de eredienst. Ondanks sterk isolationistische tendenzen in de joodse gemeenschappen in de diaspora, is er toch zelden sprake geweest van wering van vreemdelingen uit de synagoge. Maar duidelijk is dat de Joden zich als het door God uitverkoren volk beschouwden, aan wie de Wet was toevertrouwd. Er zijn ook aanwijzingen van joodse trots wegens hun positie als hoeders van Gods waarheid in de Wet, wat het won van de behoefte die waarheid ook uit te dragen de wereld der volkeren in. Er waren vanzelf de proselieten en de zogenaamde Godvrezenden.
Bewijs genoeg dat heidenen overgingen naar het Jodendom. Geeft McKnight dit dus toe, hij ontkent evenwel met klem dat daarom het Jodendom in de verstrooiing missionair moet worden genoemd, en dat de jonge kerk in haar zendingsbeweging hier aansluiting gezocht en gevonden heeft.
Argumenten
Hij waarschuwt er bij voorbeeld voor om uit wankele statistieken niet te veel te willen afleiden voor wat het percentage Joden aangaat in het Romeinse Rijk. We weten veel te weinig af van de bevolkingsopbouw en -omvang van het Romeinse Rijk. Het feit dat overal Joden woonden zegt nog niets over hun aantal, en kan niet als bewijs gelden voor een wereldwilde joodse zendingsbeweging.
In Apokryphe geschriften lezen we wel over een verwachting van een massale bekering van heidenen, maar dat zou in het laatste der dagen plaats vinden als vrucht van Gods, handelen alleen, en had geen enkele invloed op konkrete zendingsakties in het heden.
Een andere waàrschuwing is om de apologetische literatuur van Philo e.a. niet als missionaire traktaten aan te merken. Het ging in deze geschriften niet om het win -en van heidenen maar om het verdedigen van de joodse zaak in een soms joodsvijandige wereld.
Trouwens, hoe representatief was Philo? Maakte hij deel uit van een zendinqsbeweqinq in Alexandrië? Het gevaar van een christelijk bevooroordeeld lezen van joodse schrijvers in de diaspora is niet denkbeeldig. Philo bij voorbeeld schreef vooral over de Wet en haar uitleg, en voelde zich als Jood verheven boven de heidenen.
Van Mozes maalde hij een topgeleerde, bij wie ook Plato nog in de leer was geweest. Hoe open hij ook stond voor de cultuur waarin hij verkeerde, hij had geen intentie om proselieten te maken.
Trouwens, de Griekse vertaling van het Oude Testament werd gemaakt ten behoeve van Joden die het Hebreeuws niet meer lezen konden. Stelt Koole dat in die vertaling een missionaire bedoeling aantoonbaar is, McKnight is van dit argument niet onder de indruk.
Werd de Septuaginta dan soms uitgereikt aan heidenen met de bedoeling hen te winnen voor de joodse religie, vraag hij zich af. Dat is niet bewijsbaar.
Bovendien is er geen enkel bewijs, ook archeologisch niet, dat de synagoge als platform gebruikt werd voor heidenzending. Ook hier ging het om de joodse gemeenschap en het behoud van haar identiteit. Natuurlijk, de Joden als de hoeders van de Wet, waren een licht onder de heidenen, en die mochten onder bepaalde voorwaarden uiteraard daarin delen, maar dit leidde op geen enkele manier tot een bewuste zendingsbeweging wereldwijd.
Proselieten werden ook meer toevallig dan bèwust gemaakt.
Het Nieuwe Testament
Als nieuwtestamenticus is McKnight ook geïnteresseerd in wat bij voorbeeld door Jezus opgemerkt werd over de zendingsijver van de Farizeeën in Mat. 23:15. Doelde Jezus op heidenzending door Farizeeën? Probeerden ze niet veeleer Godvrezenden te winnen voor hun interpretatie van het overgeleverde geloof? Ook Paulus heeft het toch nooit over farizeese zendingsakties in zijn brieven? Voor zover er sprake was van zendingsaktiviteiten, was de bedoeling toch de verjoodsing van de heidenen; daar lag Paulus' probleem ook met de Judaïsten.
Bovendien waarschuwt McKnight in navolging van anderen tegen overspannen voorstellingen van de groep Godvrezenden, die we in Handelingen tegen komen. Hij wijst er bij voorbeeld op dat deze term alleen bij Lukas voor komt, en ook heel vaak gewoon kan slaan op vrome Joden. Het zou dan te geforceerd zijn om er een speciale groep heidense sympathisanten van de synagoge in te zien van grote omvang.
Al bij al pleit hij tegen een christelijk vooringenomen interpretatie van de gegevens die beschikbaar zijn over het Jodendom in de verstrooiing. Anderen hebben op dit punt Latijnse schrijvers als Horatius, Cicero en Tacitus nagetrokken en zijn tot de konklusie gekomen dat zelden joodse zendingsijver, het proselitisme, aan de kaak wordt gesteld. Het anti-joodse verzet lag veel meer in het politieke dan in het religieuze vlak. En voor zover ik dat kan bekijken, zit daar wel iets in. AI blijft waar wat Sevenster schreef over de religieuze wortel van het antisemitisme in de Oudheid.
Men zou volgens McKnight van een passieve openheid tegenover heidenen kunnen spreken, maar in geen geval van een aktieve houding die in konkrete zendingsakties werd omgezet.
Er was geen roepingsbewustzijn met het oog op het heil der heidenen in de westerse diaspora, zoals Koole en anderen meenden. Het Jodendom was geen missionaire religie.
Wie heeft er nu gelijk? Dat is niet zo makkelijk aan te geven, omdat op een belangrijk punt er overeenstemming is: Er was onder de Joden in de verstrooiing geen sprake van een aktief en georganiseerd uitgaan naar de heidenen. Zending zoals wij dat vandaag kennen, bestond onder hen niet.
Toch valt er meer te zeggen, en dat willen we volgende keer doen.