Impressies uit Bangui (1)
1993-06-18
Op de avond van de dag van aankomst zitten wij buitenbnder het afdak van het gebouw waar wij een kamer hebben, ds. A.M. van Leeuwen en ik. Boven ons brandt èen t.l.-buis. Om kwart over zes was hef al donker. Om ons heen tjirpen de Krekels, als een enorm koor dat ons verwelkomt, maar dat met zijn geluid tegelijkertijd de tropische stilte accentueert. Op het terrein van de Theologische Faculteit staan veel stenen woningen, voor de docenten, de beheerder, het meeste administratieve personeel en de studenten met hun gezinnen. Met velen van hen hebben we al kennis gemaakt. Op het eerste gezicht lijken ze erg op elkaar, vanwege de donkere huidskleur. Pas na verloop van tijd zie je dat zwarte niet meer en kun je de gelaatstrekken duidelijker onderscheiden. Iedereen was erg vriendelijk. Zelfs bij de tweede of derde ontmoeting die dag gaven ze ons een hand. Maar dat schijnt daar gebruikelijk te zijn. Het maakte het er vóor mij als nieuweling niet gemakkelijker op ze uit elkaar te houden.- Jaargang 37
- nummer 13
Eerste indrukken van Afrika. Rode aarde. Vrouwen die de grond bewerken met een houweel. In de stadswijken allemaal kleine huisjes op de kale grond, onder hoge bomen. Heldere kleuren, veel mensen te voet op straat.
Desondanks hard rijdende auto's, meest taxi's. Kerken, sommige heel mooi, andere hebben meer weg van een schuur. Ook moskeeën, en een zogenoemde koninkrijkszaal van Jehova's-getuigèn. Zo'n eerste avond na al die indrukken vraag je je af: waar ben ik in verzeild geraakt?
Gelukkig gaat dat snel over. De omstandigheden waarin men leeft zijn heel verschillend van de onze, maar de mensen zelf zijn van gelijke beweging als wij. Van te voren had ik niet gedacht dat ze me zo na zouden komen.
De dagelijks terugkerende college's, de levensgeschiedenissen op huisbezoek, de contacten in de wandelgangen, de gesprekken over scriptie-ontwerpen, en niet te vergeten de ontroerende' manier van zingen, vaak zonder begeleiding, spontaan meerstemmig, recht uit het hart, dat alles bij elkaar heeft een enorme band geschapen. Met als gevolg dat acclimatiseren na thuiskomst meer tijd vergde dan de aanpassing daarginds.
Ons verblijf aan'de 'Faculteit voor Evangelische Theologie te Bangui', mogelijk gemaakt door de stichting EvTA, kan worden aangemerkt als een positief voorbeeld van nederlands- en christelijk-gereformeerde samenwerking.
We zijn samen op weg geweest van 14 april tot 11 mei. Enkele studenten maakten ons trouwens attent op een overeenstemming die ons nog was ontgaan. De onderwerpen van onze cursus begonnen allebei met 'apo..'. Collega Van Leeuwen behandelde de laatste hoofdstukken van de Apocalypse, de Franse benaming voor het boek Openbaring, en ik gaf een inleiding in de Apologetiek, de systematische verdediging van de christelijke geloofsleer tegen de kritiek van ongelovigen. In een tweede artikel wil ik wat dieper ingaan op de inhoud van de lessen. Het lijkt me raadzaam daaraan iets vooraf te laten gaan over de culturele en geestelijke context waarin onze theologische uitwisseling tot stand kwam.
In veel opzichten lijkt het Afrikaanse leven erg op dat in het Oude Testament.
Zowel in Israël als onder de Afrikaanse volken is het krijgen van kinderen van grote betekenis, want kinderen zijn niet alleen een steun op de oude dag, zij zijn het ook die na het sterven je naam op aarde in gedachtenis houden. Daarom, zonder kinderen ben je niemand. Verder blijkt de overeenkomst in de verantwoordelijkheid die men voor elkaar aanvaardt binnen de grote familie. Met de grootste vanzelfsprekendheid worden kinderen van een overleden broer of zuster in het gezin geadopteerd. Ook wat betreft de enorme gastvrijheid is er een grote gelijkenis. Echter, ook daarin lijkt Afrika op het Oude Testament, dat de heidense godsdiensten zo dichtbij zijn.
Er is niemand die nergens in gelooft.
En zoals Israel aangetrokken werd tot de baäldienst, zo gaat in Afrika op de christenen een verleiding uit van het bijgeloof van de oude stammengodsdiensten.
Iets waartegen de kerk zich te weer moet stellen is het geloof in kwaadaardige tovenaars, die in staat worden geacht door middel van magie iemand te doden en zijn levenskracht op te eten. Bij een sterfgeval vraagt men zich angstig af: wie heeft dat gedaan?
In principe kan iedereen als de boosdoener worden aangewezen en veroordeeld worden tot de gifbeker.
Wie dat overleeft, bewijst daarmee zijn onschuld. De kerk verbiedt het om iemand van toverij te verdenken, maar kerkleden wijzen op bijbelteksten waarin tovenaars worden genoemd en zeggen: zie je wel, de Bijbel zegt zelf dat ze bestaan. Naar aanleiding van Opb. 21:8 en 22:15 leverde dat voor ds. Van Leeuwen indringende gesprekken op.
In Centraal-Afrika maken de kerken een enorme bloeitijd door. Het zijn vooral de Amerikaanse en Zweedse baptisten die vanaf de vorige eeuw het evangelie hebben gebracht. Ook rooms-katholieke missionarissen zijn actief geweest. De laatste tien jaar maken vooral de pinkstergemeenten een stormachtige ontwikkeling door, ten koste van de rooms-katholieke kerk. Behalve deze kerken zijn er in Bangui ook een lutherse en een gereformeerde kerk. Onder de mensen is er over het algemeen een behoorlijke achting voor de evangelisch kerken en hun dienaren. Tussen deze kerken onderling is er ook sprake van respect en wederzijdse erkenning. Toch is het niet allemaal positief wat er gebeurt.
Scheuringen en sectarisme zijn een groot kwaad. Allerlei opvattingen over de uitleg van het boek Openbaring uit het westen spelen hierbij een rol. Ook persoonlijke of stammentegenstellingen leiden tot het splijten van gemeenten.
Op de faculteit kregen we te maken met het schrijnende geval van een tweedejaars student uit Gabon die door zijn kerk werd onderhouden, en die in Bangui te horen kreeg dat tijdens zijn afwezigheid het kerkverband uiteengevallen was. Het fijne ervan kreeg hij niet te horen. Zelf wist hij niet tot welke van beide groepen hij behoorde.
De financiële ondersteuning was stopgezet. Geld voor een terugreis had hij niet. Men kan zich nauwelijks voorstellen in welke geestelijke en materiële impasse hij zich bevindt.
Of ik hem kon helpen aan een studiebeurs uit het westen. Het is hard als je moet zeggen dat je hem die hoop niet kunt geven.
Een ander gevaar voor de kerken is de onchristelijke leefwijze van veel van hun leden, tot voorgangers toe. Dit bevordert niet de geloofwaardigheid van hun getuigenis. Ik sprak iemand op straat die meer respect voor de Afrikaanse moslims kon opbrengen dan voor veel christenen, omdat de eersten tenminste eerbied toonden voor hun eigen godsdienst. Daar komt nog iets anders bij. Leidende christenen in midden-Afrika worden zich steeds meer bewust, dat de zendelingen in de vorige en begin deze eeuw een belangrijk aspect van de christelijke vorming hebben verwaarloosd.
Zij hebben nagelaten hun volgelingen op te voeden tot het aanvaarden van hun verantwoordelijkheid in het dagelijkse leven. Het bedenken van de dingen die boven zijn werd in mindering gebracht op de aandacht voor een goede sociale structuur. Geld was verdacht, aards goed verwerpelijk.
Mede daardoor vindt men maar weinig ondernemingsgeest, de handel is voor het grootste deel in handen van moslims.
Ook het besef om financieel te offeren voor de kerk is slecht ontwikkeld.
Dit alles verzwakt de positie van de kerken. Voeg hierbij een mentaliteit van betrekkelijke gemakzucht, die in het vruchtbare midden sterker is dan in het armere westen van Afrika. De financiële hulp uit Europa en Amerika brengt hierin vaak geen verandering, maar bevestigt mensen nogal eens in een houding van afwachten en afhankelijkheid.
De dreigingen van buitenaf zijn ook niet gering. Uit het noorden is dat de oprukkende islam, die vanuit Soedan Centraal Afrika wil binnendringen om van daaruit zijn invloed naar alle kanten te kunnen uitbreiden. Deze beweging wordt gesteund met Arabisch geld. Een meer verborgen dreiging, maar daarom niet minder ernstig, is de invloed van onze westerse samenleving.
Materialisme en individualisme oefenen via de televisie een moeilijk te meten maar niet te veronachtzamen invloed uit. Voor velen, zeker in de steden, gaat dit hand in hand met het losraken uit de oude familie- en stamverbanden met hun onderlinge saamhorigheid.
Verzwakking van gemeenschaps- en gezagsstructuren gaat in het algemeen ook gepaard met verlies aan godsdienstige zekerheid.
Zal de geloofscrisis die wij bij ons waarnemen een volgende fase zijn in de razendsnelle ontwikkelingen in Afrika? De kerken dienen zich in ieder geval van deze tendenzen bewust te zijn.
Een laatste punt is de politieke situatie.
Die is niet erg opbeurend. De aloude tradities van de absolute macht van het stamhoofd staan een vlotte ontwikkeling naar een democratie in de weg. Intussen is er wel veel ontevredenheid.
Men verdenkt de politieke leiders ervan zichzelf te bevoordelen ten koste van het volk, al dan niet terecht.
Een feit is, dat de burgers nauwelijks een behoorlijke rechtsbescherming genieten. De ambtenaren hadden gedurende een half jaar geen salaris ontvangen.
Tijdens ons verblijf brak een algemene ambtenarenstaking uit. De universiteit (waarvan de Evangelische Faculteit geen deel uitmaakt) had al een heel jaar lang stilgelegen. Nu kwamen alle scholen en ziekenhuizen van de staat daarbij. Eén van onze studenten zou zijn zoontje van negen maanden met een open gehemelte eindelijk naar het ziekenhuis kunnen brengen voor een operatie door de enige chirurg die dit kon doen, maar die zich ter voorbereiding op de eerste vrije verkiezingen in de partijpolitiek had gestort. Op de morgen van de opname konden ze echter weer onverrichter zake naar huis terug. Vanwege de stakingen was er niemand aanwezig. Het is voor de kerken erg moeilijk in deze dingen geestelijke leiding te geven. Kritische opmerkingen maken waardoor overheidspersonen, vaak ook kerkleden, zich geraakt zouden kunnen voelen, is ongehoord. Meestal laat men deze brandende kwesties onaangeroerd. In Centraal Afrika is de situatie trouwens nog gunstig in vergelijking met bijvoorbeeld Zaïre.
Onder zulke omstandigheden bereiden studenten zich voor op hun taak als predikant ergens in franstalig Afrika.
Zij ontvangen in Bangui een hogere opleiding dan de meeste predkanten, die het met een bijbelschool moeten doen. Maar zij kunnen het dan ook tot hun taak rekenen om in hun kerk van herkomst hun collega's en anderen te vormen en toe te rusten. De toewijding waarmee zij zich aan de Here geven is verwarmend. Onze bijdrage aan hun opleiding mag dan ook worden gezien als een bescheiden dienst aan de Afrikaanse kerken.
| De Theologische Faculteit van Bangui In alle stilte heeft de Stichting EvTA (Evangelische Toerusting Afrika) voor het achtste achtereenvolgende jaar twee gastdocenten kunnen uitzenden naar de FATEB, de Faculté de Theologié Évangelique de Bangui in de Centraal Afrikaanse Republiek. Van half april tot half mei doceerden drs. A.M. van Leeuwen (Dronten) exegese NT en dr. B. Loonstra (predikant van de Chr. Geref. Kerk van Oud-Beijerland) apologetiek. Een verslag van ds. Loonstra vindt u elders in dit nummer. Er mag wel gezegd worden, dat beide predikanten veel werk hebben verzet. Naast de voor elk tien uur college per week, de scriptiebegeleiding en het afnemen van tentamens, brachten zij de gezinnen van al hun studenten thuis een bezoek, namen zij deel aan overleg en gebedskringen, verzorgden dagopeningen en gingen voor in kerkdiensten. Ds. Van Leeuwen stak op een zondag zelfs per kano de grensrivier over om in Zaïre te preken. Ook voor de studenten was het hard werken geblazen in verband met de aanwezigheid van meerdere gastdocenten tegelijk. Zowel voor de studenten als onze docenten waren de kontakten zeer bemoedigend. Op verzoek van de FATEB is een uitzending in 1994 al in voorbereiding. De mogelijkheid wordt onderzocht, een docent voor de duur van een jaar aan Bangui af te staan. De commissie Bangui dankt beide predikanten en hun kerkeraad en gemeente - èn u allen die dit werk ondersteunt - hartelijk voor hun bijdrage aan deze theologische handreiking aan Afrikaanse kerken. Voor de commissie Bangui, ds. W. Janse, Houtlaan 13, 2334 CJ Leiden, tel. 071-156504. |