Christus' koningschap (3)
1993-06-18
Het koninkrijk roept tot dienst - Jaargang 37
- nummer 13
De Here Jezus doet mensen dus deel hebben aan het koninkrijk van God. Hij gééft, maar Hij vraagt ook. De bijbel spreekt er overal van, dat zij, die deel hebben aan het koninkrijk, God moeten verheerlijken. Zij moeten gerechtigheid doen, véél overvloediger dan de farizeeën (Matth. 5 : 20). Zij moeten ingaan door de enge poort, wandelen op de smalle weg en volhouden tot het einde.
Het is belangrijk, dat we dit goed zien.
Het is niet zo, dat we, omdat Jezus ons veel geeft, wij Hem nu wat moeten teruggeven. Jezus Christus en de Zijnen zijn geen gelijkwaardige partners, die over en weer elkaar wat geven. Ook perst Christus de burgers van het koninkrijk niet in een harnas van geboden en wetten. Het ligt allemaal wat anders.
Tot de gaven van het koninkrijk behoort ook, dat Christus ons door Zijn Geest tot nieuwe mensen maakt. Hij geeft ons een nieuwe stand. Hij werkt door Zijn Geest in ons. Hij schrijft de geboden van Zijn rijk in ons hart en vernieuwt ons naar Zijn beeld. Op grond hiervan roept Hij ons ook op naar Zijn wil te leven, Hem te gehoorzamen waar we ook zijn. Dat is de dankbaarheid, die de Heiland van ons vraagt. Dankbaarheid omdat Hij ons heeft vrijgekocht. Jezus wil dat we doen waartoe Hij ons heeft herschapen (Ef. 2 : 10).
Bekend zijn de woorden van de Heiland uit de bergrede: 'Gij zijt het licht der wereld'. Zijt. Hij heeft ons tot lichten gemaakt. Welnu, laat dat licht dan ook schijnen, laat de lamp niet uitgaan.
En verder: we zijn het zout der aarde.
Maar dat zout moet nu ook zijn werking behouden. Het zout kan smakeloos worden. Dat is niet best. Jezus waarschuwt ons ervoor.
De gehoorzaamheid in het rijk van God is niet anders dan een uitvloeisel van de genade, van het heil, die in het koninkrijk worden geschonken.
Liefde en wederliefde
In het koninkrijk van God moeten we, moeten mensen dienstbaar zijn. Met het oog op die dienst heeft Jezus op aangrijpende wijze eens het Woord bediend. De geschiedenis is bekend uit Lucas 7: 36 e.v. Toen Jezus eens door een farizeeër voor de maaltijd was uitgenodigd, drong een vrouw, die bekend stond als een zondares, de eetzaal binnen, maakte de voeten van Jezus nat met haar tranen en droogde ze af met haar haren. Daarna kuste ze de voeten van de Heiland en zalfde ze met balsem.
De gastheer snapt er niets van. Zou Jezus niet weten wat voor een vrouw Hem aanraakt? En dan gaat Jezus de kern van het evangelie aan de farizeeër Simon duidelijk maken. Hij vertelt de geschiedenis van een schuldeiser.
Verschillende mensen waren hem verschillende bedragen schuldig, die door de schuldeiser alle werden kwijtgescholden.
En dan komt de vraag: 'Wie zal nu het meeste van die geldschieter houden?' Simon heeft zijn antwoord klaar: 'Degene aan wie het meeste is kwijtgescholden.'
Jezus geeft Simon gelijk om zijn antwoord en wendt Zich dan tot de vrouw.
Hij brengt haar volop in de belangstelling.
Hij zegt tegen Simon, dat die vrouw gedaan heeft wat hij zelf had moeten doen. Wat Simon naliet, deed zij. Daarom zegt de Heiland dan: 'Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde.' Jezus brengt de daad, die de vrouw verricht, in verband met de liefde, die Hij haar had bewezen. De liefdedaad, die de vrouw volbracht, is het effect van de overweldigende liefde, die haar eerst door de Heiland werd betoond.
Door dat liefdebetoon werd zij tot haar goede daad gebracht. De vergeving van haar zonden drong haar tot haar liefdedaad.
Het antwoord aan Simon is er een om nog eens over te lezen. Jezus wil hiermee niet zeggen, dat Hij aan deze vrouw de zonden vergaf op grond van haar liefdebetoon. Neen, Hij vestigt er de aandacht op, dat de liefdedaad van de vrouw een openbaring, een bewijs ervan is, dat aan haar de zonden vergeven zijn. Haar liefde tot Christus is een reactie op die vergeving, een vrucht ervan. Zo moet de onbegrijpelijke liefde van God ons brengen tot een activerende liefde tot Hem.
Niet van deze wereld
Gods koninkrijk is niet van deze wereld.
Jezus wijst er op, dat dat koninkrijk niet komt met uiterlijk gelaat (Lucas 17 : 21), zodat het te 'berekenen' is. Iemand, die niet wedergeboren is, kan het zelfs niet eens zien (Joh. 3 : 3).
Het koninkrijk der hemelen is niet te vergelijken met aardse koninkrijken.
Er is geen koning, die zichtbaar is voor zijn onderdanen en die zich met luister en majesteit omringt.
Gods koninkrijk is anders.
(Slot volgt)