Post uit Rwanda

1993-06-18
  • Jaargang 37
  • nummer 13
Om ons huis ligt een tuin, om die tuin is een heg en in die heg zit een hek. Je kunt niet zomaar tot bij de deur lopen, je moet eerst door dat hek. "Sjiek", zullen jullie wel denken, "dat is zeker alleen voor rijke mensen met grote huizen." Maar nee hoor, elk huis, zelfs een hutje heeft een omheining, soms van een cactusachtige plant, soms van een paar palen met gedroogde grassen er tussen geweven. En het is in heel Rwanda de gewoonte dat je niet zomaar iemands omheining binnenloopt.
Ons hek is laag en open en je kunt er gemakkelijk in. Als er kooplui komen pakken ze meestal een steen op van de weg en slaan ermee op het ijzeren hek. Dat is dus zoiets als een voordeurbel en het is de bedoeling dat ik dan aan kom draven om wat te kopen.
Soms komen er kinderen voor het hek.
Ze vragen om wat eten of om een beker water als ze een eind gelopen hebben met hun koeien. En er komt er ook wel eens eentje door de heg kruipen om vruchten van de bomen te pikken!
Op een dag kwam er een jongen het hek binnenstappen. Hij tikte niet, hij liep gewoon door. Yohanni zat naast het huis kleren te wassen. "Hé hé", riep hij tegen de jongen. Het jochie lachte vrolijk, liep op Yohanni af en omarmde hem. "Pappa!" Yohanni schoot in de lach. Hij begreep het al, die jongen was in de war. Toen ik naar buiten kwam, omarmde hij mij ook en riep: "Mamma". En toen zei hij stralend: "Hoe heet jij? Ik heet" in het Frans. En dat zegt hij nu elke keer als hij komt. Misschien heeft iemand hem Frans willen leren, en hij heeft de woorden zeker goed onthouden, maar snappen doet hij het niet. Geeft niet, ik begrijp best dat hij gewoon iets wil zeggen wat ik versta, wat het ook betekent, dus ik zeg maar iets vriendelijks terug. Zo zijn we vriendjes geworden.
Op een dag had hij een grote wond in zijn voet met veel rommel erin. Die moest schoongemaakt en verbonden worden, dat deed zeer. Dick, Yohanni en ik moesten er met ons drieën aan te pas komen. De jongen schreeuwde en vocht maar zodra er een pleister op de zere plek zat, drukte hij ons alle drie stijf tegen zich aan. En toen ging Dick een mooie gekleurde knijper halen om hem te troosten. Hij spaart namelijk knijpers. Er zitten er altijd een paar op zijn shirtje en dikwijls peutert hij ze in en uit elkaar. Op een dag verscheen hij voor het raam van Dick's studeerkamer. "Pappa", riep hij en wees. Boven Diek's bureau - aan de bureaulamp - zat een knijper met briefjes erin, die wou hij hebben. Juist die knijper die daar zo mooi vast zat.
Vooruit, Dick zocht een nieuwe knijper en gaf de andere aan zijn vriendje. Het is moeilijk om nee te zeggen tegen zo'n jongen die altijd vrolijk is en die je niks kunt uitleggen.
Maar zo denkt niet iedereen erover.
Op een dag stond ik in een winkel.
Opeens klonk luid geschreeuw en gehuil en daar kwam mijn vriendje aanstormen. Een bewaker van de winkel had hem net een klap gegeven en was van plan daar nog even mee door te gaan. "Mamma!", brulde het angstige jongetje en klampte zich aan mij vast. De bewaker bleef aarzelend staan. Ik was boos. "Dat kind doet toch niks kwaads?", zei ik. "Hij gapt", zei de bewaker. "Alleen een knijpertje hier en daar, anders toch niet?" "Je kunt nooit weten met die gekken", antwoordde de man. Maar hij liet ons met rust en de jongen veegde eerst zijn vieze neus en tranen aan mijn bloes en keek me toen dankbaar aan.

Toen ik door de stad fietste, dacht ik er over na. "Je kunt nooit weten met die gekken". Bah, wat klonk dat lelijk.
Ineens zag ik nog iemand staan die niet is zoals de meeste anderen. Hij heeft ook een hobby: hij verzamelt oud ijzer en kleurige rommel en trekt dat aan. Jazeker, hij trekt het aan en dat is nog niet zo eenvoudig om een trechter op je hoofd te dragen en een kapotte pan om je bovenbeen en verder ijzerdraad en lappen om je borst, daarvoor moet je heel wat knopen en knutselen.
Toch is het leuk, dacht ik, zo midden in de stad, zo iemand hoort er gewoon bij. In Europa zou hij waarschijnlijk in een speciaal huis wonen.

We kwamen elkaar nog vaak tegen, de knijperjongen en ik. Hij kwam regelmatig op bezoek en wandelde dan zo het hek en zelfs het huis binnen. Yohanni en hij praatten heel wat af en ik kreeg altijd een stijve omhelzing. Tot vorige week. "Ga nou maar weer verder", zei ik, toen ik zijn knijpers had bewonderd, "ik moet weer werken".
Maar hij had geen zin. Als ik hem door de ene deur naar buiten bracht, kwam hij door de andere weer binnen. En toen hij eindelijk vertrokken was, was het mooie zakmes van Yohanni verdwenen.
Yohanni ging naar zijn ouders, maar die hadden het mes niet gezien. Ze vonden het heel naar allemaal.
"Onze jongen is helemaal gek en hij steelt", riep de moeder, "Je moet hem wegjagen, wij kunnen hem toch niet opsluiten de hele dag". Wat zal ik doen als hij nou weer komt. Hebben jullie een idee?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief