Tussen Ede en Apeldoorn (2)
1992-01-03
Dopers of Gereformeerd?- Jaargang 36
- nummer 1
Op de zitting van de Landelijke Vergadering van 8 juni werd de toon gezet door de toespraak van de 2e voorzitter, ds. Van Deursen van Wezep. Hij vroeg zich af, hoe de scheiding tussen de Chr. Geref. en Ned. Geref. kerken te verantwoorden was in het licht van de geschiedenis van de Gereformeerde kerken. Hij herinnerde aan het optreden van mannen als Calvijn en Guido de Brès, o.a. in hun pogingen om de kloof tussen Gereformeerden en Luthersen te overbruggen.
En hij maakte daarmee duidelijk dat de geschillen tussen onze kerkverbanden, inclusief het vrijgemaakte, en de gebroken avondmaalsgemeenschap toch nauwelijks te rechtvaardigen zijn.
Hij vroeg zich dan ook af of de al meer dan veertig jaar lang gevoerde gesprekken om te komen tot overeenstemming inzake de opvattingen over de 'toeëigening des hei Is' niet meer een uiting waren van dopers perfectisme, dan van gereformeerde ruimhartigheid.
Dopers is het, zo zei hij, in deze bedeling volmaakte eenheid na te streven.
Maar het is klassiek gereformeerd om bepaalde onvolmaaktheden, zowel in de leer als in het leven van de kerk, op z'n minst een tijdlang in elkaar te dragen.
Daarna kwam ds. Van Deursen met de toepassing: "Wat betekent dit nu voor ons in onze situatie? Om te beginnen dat we elkaar natuurlijk niet loslaten.
En verder dat we wat van elkaar overstappen.
Wat honderd jaar gescheiden leefde, kun je niet zomaar ineenschuiven.
Ik herhaal dus nog maar eens mijn oude idee: waarom spreken we niet wat gerichter over de vorming van een federatief kerkverband, met A- en B-kerken? En gun die dan eens een jaar of dertig, veertig om naar elkaar toe te groeien. Liefst ook nog met de vrijgemaakten als derde draad van het drievoudig snoer. Maar daarvoor zal onze enghartigheid plaats moeten maken voor de ruimhartigheid van de oudere gereformeerden."
Het 'Perspectief van Breukelen'
Ds. Van Deursen noemt het pleidooi voor de vorming van een voorlopig federatief kerkverband een oud idee van hem. Ik wist niet, dat het van hem afkomstig was, maar inderdaad dateert deze gedachte al van enige jaren geleden. Ze is al te vinden in het zogenaamde 'Perspektief van Breukelen'.
Dit Perspectief is destijds voorgesteld aan de L.V. van Breukelen ('81/'82), die het met grote meerderheid aanvaardde.
En als zodanig is het ook aan de Chr. Geref. kerken voorgehouden.
Het kan beslist geen kwaad dit 'perspectief' nog eens weer onder de aandacht te brengen. Het luidt als volgt:
a. Alle Christelijke Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde kerken, buigend voor Gods Woord en hun geloof belijdend zoals omschreven in de Drie Formulieren van Enigheid erkennen en aanvaarden elkaar als ware kerken van Jezus Christus, ook al kunnen zij, helaas, vanwege verschil in geloofsbeleving aan deze eenheid nog niet overal c.q. nog niet volledig gestalte geven.
b. Alle Ned. Geref. en Chr. Geref. kerken spreken op grond hiervan uit elkaars leden aan de tafel des Heren te willen aanvaarden, zo ook elkaars dienaars op de kansel, ook al kan het, vanwege het onder a. genoemde verschil, wijs zijn van deze vrijheden en rechten nog geen gebruik te maken; ook ten aanzien hiervan geldt immers dat alle dingen dan wel geoorloofd zijn, maar niet nuttig (1 Cor. 6:12).
c. Alle Ned. Geref. en Chr. Geref. kerken spreken uit elkaar niet te zullen afwijzen om verschillen ten aanzien van de kerkorde, zelfs al kunnen zijondanks pogingen daartoe - kerkrechtelijk nog niet tot overeenstemming komen.
d. Om aan het bovenstaande vorm te geven gaan alle Chr. Geref. en Ned. Geref. kerken, als stap naar eenheid een Federatie aan, welke moet dienen:
1. om wegen te zoeken en te creëren waardoor de kerkelijke arbeid in toenemende mate gezamenlijk kan plaatsvinden;
2. om de eigen kerken, bij het zoeken van elkaar te houden onder de klem van het gebod tot eenheid, en
3. als getuigenis naar buiten.
Helaas heeft dit 'Perspectief' in de gesprekken met de Deputaten van de Chr. Geref. kerken niet de aandacht ontvangen, die het m.i. verdient. En het is daarom toe te juichen, dat door ds. Van Deursen dit oude idee weer naar voren is gehaald.
Nieuwe opdracht
En wat onze L.V. betreft ook met succes.
Want het 'Perspectief van Breukelen' heeft weer een plaats gekregen in de besluiten, die in Ede m.b.t. de samensprekingen genomen werden.
Daarop doelde ik, toen ik de vorige keer schreef dat de afgevaardigden naar Ede zich niet hebben laten verlammen door de impasse waarin het kontakt op landelijk niveau terecht is gekomen.
De L.V. stelde enerzijds met leedwezen vast, dat er in de afgelopen jaren weinig vooruitgang is geboekt in het gesprek met de Chr. Geref. kerken, maar nam anderzijds met dankbaarheid en instemming kennis van de verklaring van de samenwerkingsgemeenten van Almere, Lelystad en Nieuwegein (zie vorige artikel). En men sprak uit het streven naar kerkelijke eenheid met de Chr. Geref. kerken te willen blijven bevorderen.
De opdracht aan de Kommissie, die hieruit voortvloeide, legt duidelijk het accent op wat er plaatselijk kan worden gerealiseerd resp. uitgebouwd aan samenwerkingsvormen. Aan de Kommissie is gevraagd, daar waar dat door de kerken zelf gewenst wordt, adviserend en ondersteunend op te treden. Met name zijn hierbij ook de volledig geïntegreerde samenwerkingsgemeenten genoemd.
Van de mogelijkheid om de Kommissie om bijstand te vragen is onlangs door onze secretaris, br. Bouterse, schriftelijk aan alle kerkeraden afzonderlijk mededeling gedaan. Maar ook langs deze weg wil ik de kerken hier graag op attenderen.
De Kommissie stelt het ook op prijs op de hoogte te worden gehouden van de problemen, knelpunten, mogelijkheden en/of perspectieven die u plaatselijk op dit terrein signaleert. Zo kunnen wij daar mogelijk weer andere gemeenten mee dienen.
Wat de landelijke samensprekingen betreft droeg de L.V. de Kommissie op het gesprek over de toeëigening des heils op korte termijn af te ronden conform de bedoeling van de laatstgehouden generale synode van de Chr. Geref. kerken.
Gesprek over het A.K.S.
Ook ontving de Kommissie de opdracht het.door de Synode van Groningen gevraagde gesprek rondom het Akkoord van Kerkelijk Samenleven aan te gaan.
M.b.t. ons A.K.S. en de manier, waarop dat gehanteerd wordt, leven er trouwens niet alleen in de Chr. Geref. kerken vragen, maar ook in verschillende buitenlandse kerken, met wie we een bepaalde vorm van correspondentie onderhouden. Met name de Geref. Kerken van Zuid-Afrika (de zgn. 'Dopperkerken') hebben hierover hun bedenkingen geuit.
En de L.V. heeft er wijs aan gedaan een aparte kommissie te benoemen, die zich speciaal met de uitgebrachte kritiek gaat bezig houden. Wat in het gesprek met de Chr. Gereformeerden naar voren komt, zal zeker ook aan deze kommissie worden overgebracht.
Alleen spreek ik, zoals ik al eens eerder deed, de hoop uit, dat dit gesprek met onze Chr. Geref. broerders niet eenzijdig zal zijn. Dat er niet alleen zal worden gekeken naar ónze theorie en praktijk van kerkelijk samenleven.
Maar dat we hierover praten als over een gemeenschappelijk probleem, waar we elk voor zich in onze eigen kerkverbanden mee worstelen om het naar Schriftuurlijke regels op te lossen.
Waarde van een K.O.
Maar ik hoop vooral, dat dit gesprek plaats mag vinden in het teken van het 'Perspectief van Breukelen', dat onze L.V. weer voor het voetlicht haalde.
Dan denk ik met name aan punt c., waarin gevraagd wordt uit te spreken, dat we elkaar niet zullen afwijzen om verschillen t.a.v. de kerkorde.
Ook dit laatste is toch sinds Calvijn een goed gereformeerde gedachte.
Het is onmiskenbaar, dat juist een man als Calvijn grote waarde hechtte aan een goede kerkinrichting naar Bijbelse grondlijnen. Maar hij onderstreepte ook de betrekkelijkheid ervan.
Nadat hij in zijn bekende Institutie het belang van een goede ordening heeft aangegeven, schrijft hij: "Alleen dit moet men bij dergelijke wetten altijd als voorwaarde stellen, ten eerste dat men niet gelooft dat ze tot zaligheid nodig zijn, en zo de consciëntiën met bezorgdheid binden, en ten tweede, dat men ze niet betrekking doe hebben op de dienst van God, en zo de vroomheid in hen gesteld zou worden" (Boek IV, hfdst. 10, par. 27).
Natuurlijk kan en mag men vragen stellen over ons A.K.S. en over het praktisch funktioneren daarvan. Naar ieder, die als blijk van betrokkenheid bij het wel en wee van onze kerken, ons hierover wil aanspreken zullen we ook graag luisteren.
Maar juist aan het adres van onze Chr. Geref. gesprekspartners wil ik in dit verband dan graag nog eens herhalen wat ooit prof. dr. W. van 't Spijker hierover schreef. In het Ref. Dagblad van 20 april 1983 heeft de Chr. Geref. hoogleraar in de kerkgeschiedenis en het kerkrecht onze K.O. getoetst aan de maatstaven van zijn 17e-eeuwse gereformeerde voorganger Voetius.
Prof. Van 't Spijker spaart het A.K.S. daarbij de kritiek beslist niet. Maar desondanks vinden we in dit artikel de uitspraak: "Wanneer we het kleine boekje, dat de codes bevat van het kerkelijk leven der Nederlands Gereformeerden, met deze Voetiaanse maatstaven meten, kan er geen twijfel over bestaan, dat we hier te maken hebben met een kerkorde in gereformeerde zin."
Want, zo schrijft hij verder: "Men vindt nergens een spoor van gewetensbinding.
De kerkorde zelf is beslist niet als altoosdurend of eeuwiggeldend gedacht. Ook ontbreekt elke vorm van casuïstiek. Het gaat erin om zuiver kerkelijke zaken."
En hij eindigt het artikel tenslotte met de opmerking: "Zo behoeft - en da,t is bijzonder gereformeerd gedachtzelfs een kerkorde geen verhindering te vormen voor het zoeken van dié eenheid der kerken, waartoe wij allen naar de Nederlandse Geloofsbelijdenis gehouden zijn."
Dit lijkt me een uitstekend uitgangspunt voor het gesprek tussen onze Kommissie en de Chr. Geref. Deputaten.
En laten we daarnaar maar beoordelen, wat er zowel binnen óns als binnen hun kerkverband geregeld, besloten en in de praktijk nageleefd wordt.
(wordt vervolgd)