Trouwen zonder boterbriefje?
1992-01-03
Hokken- Jaargang 36
- nummer 1
Het wordt helaas steeds meer gewoonte om te trouwen zonder boterbriefje.
Een wat vreemde uitdrukking.
Een boterbriefje was oorspronkelijk een vergunning om in de vastentijd zuivelprodukten te eten. Trouwen zonder boterbriefje betekent nu trouwen zonder trouwakte. Men gaat er steeds meer toe over om te gaan samenwonen zonder voor de burgerlijke stand getrouwd te zijn. Dat gebeurt met verschillende motieven. Samenwonen is goedkoper dan apart wonen. Het is ook gezelliger. Alleen op een kamer is ook maar niets. En bij je ouders blijven wonen? Wie doet dat nog in deze tijd?
Samenwonen wordt ook wel als een proefperiode gezien. Het is ook erg praktisch. Als het je niet bevalt, ga je gewoon uit elkaar. Hoe vaak zie je niet, dat huwelijken mislukken? En mogelijk komt er nog wel eens een huwelijk van..
Samenwonen is soms ook een afweerhouding.
Men wil niet alleen vrij zijn tegenover kerk en overheid, maar men wil ook vrij zijn tegenover elkaar. Het vastleggen van een relatie kan ook een bedreiging zijn voor de ontwikkeling van je eigen persoonlijkheid.
Als je niet naar het gemeentehuis gaat, blijf je zo vrij als een vogeltje in de lucht.
Napoleon of Psalm 133?
Het ontbreken van een boterbriefje wordt helaas ook in kerkelijke kring verdedigd.
Zo schreef mr. W. Aantjes: "De gebruikelijke juridische vorm van huwelijk is in christelijke kring heilig verklaard".
Deze opmerking getuigt niet van veel respect voor het huwelijk. Aantjes durft dan ook te stellen, dat huwelijk en gezin in die bijna sacrosankte (dat is onaantastbare vorm) hun oorsprong niet in de Bijbel vinden, maar in een decreet van Napoleon. De Bijbel, zo beweert hij, geeft wel criteria, maar die zijn van innerlijke aard: waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen.
Het overgeleverde instituut van het huwelijk is wel waardevol geweest, toen de vrouw nog werd achtergesteld en 'onechte' kinderen tot de uitgestotenen behoorden. Maar nu de mensen in andere omstandigheden bereid zijn in andere vormen liefde, trouwen verantwoordelijkheid te geven, met welk recht zou de overheid hen dan op straffe van nadelen mogen dwingen tot een juridisch huwelijk? M.a.w. is dan de wet van Napoleon of het liefdeslied van Psalm 133 het richtsnoer?
Wat zegt Gods Woord?
Aantjes laat in deze beschouwing zien, dat hij, althans wat deze zaak betreft, noch de Bijbel, noch de historie erg goed kent. Reeds in de eerste hoofdstukken van het boek Genesis horen we heel wat anders. Vooral Gen.1 en 2 zijn hier van groot belang. Daarin lezen we, hoe het 'van den beginne' geweest is.
Het blijkt, dat de onderscheiding manvrouw als wezenlijk behorend bij het mens-zijn wordt vermeld. "Naar Gods beeld schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen". Letterlijk staat er: 'mannelijk en vrouwelijk' schiep Hij hen. Zo in de tweevoudigheid van mannelijk en vrouwelijk is het menszijn naar Gods bedoeling.
Het onderscheid tussen man en vrouw is niet als scheiding bedoeld. Man en vrouw zijn voor elkaar geschapen. Dat wordt duidelijk uit Gen. 2:18, waar staat dat God, omdat-het niet goed is voor de mens om alleen te blijven een 'Hulp' maakt. Letterlijk staat er: een hulp als zijn tegenover. Zo staat de vrouw als gelijke tegenover haar man.
Dat woord hulp is niet minachtend bedoeld, als' een soort hulp in de huishouding.
Het woord 'hulp' komt 21 maal voor in het O.T., waarvan 16 keer met het oog op de Here God. Het gaat dan om Hem, die onze hulp is.
Het huwelijk, zoals Israël dat kende als vaste levensordening wordt verworteld in het scheppingswerk van God..
Man en vrouw vormen samen de mens. "De man heeft een tegenover gekregen. In hun tegenover-zijn zijn ze op elkaar aangewezen en aan elkaar verbonden. Hier spreekt de Bijbel over het huwelijk op een manier, waardoor de diepste motieven aan het licht komen.
Hier ligt het fundament van het monogame huwelijk als een exclusieve en levensomvattende verbondenheid van één man en één vrouw."
Aldus ds. V. Oeveren in Credo.
Zij zullen tot één vlees zijn. Bij een huwelijk komt een verstrengeling van twee levens tot stand. Het huwelijk is een twee-eenheid. Het huwelijk is een instelling van God, zoals blijkt uit Gen. 1 en 2. Van fundamentele betekenis is, dat Christus zelf hiernaar verwijst: Matth.19 "hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt?" en "die twee zullen tot één vlees zijn".
Christus ziet het huwelijk als een scheppingsorde, als een instelling van zijn hemelse Vader.
Overigens moeten we er ook voor oppassen het huwelijk niet te overschatten.
Jezus vraagt ook aandacht voor het geheel gerechtvaardigd bestaan van vormen van ongehuwd deelnemen aan de samenleving. Zelfs het Koninkrijk der hemelen kan als motief dienen omhet huwelijk te vermijden.
Zijn Gods geboden tijdgebonden?
Wat Aantjes stelde zit min of meer op de lijn van het synodale rapport 'God met ons'. In dat rapport wordt grote nadruk gelegd op het tijdgebonden karakter van alle bijbelse geboden.
Dat geldt niet alleen van sommige 'kleine' geboden, maar ook van de Tien Geboden. De Bijbel, zo suggereert dat rapport, bevat geen normen, die voor alle tijden gelden. Wanneer een gebod in onze tijd niet heilzaam meer is, dan is het niet een gebod voor ons.
We moeten hier wel scherp onderscheid makentussen Goddelijke geboden en menselijke zeden.
In 1897 zei prof. Fabius, dat er duidelijk onderscheid moet zijn tussen de dienstbode en de dochter des huizes, ook in kleding. Gelukkig zijn we daaraan niet gebonden. Zeden en gewoonten zijn niet blijvend bindend.
Maar dat geldt niet voor de geboden van God. Die zijn blijvend. In de Schrift wordt dan ook niet de vraag gesteld, of een gebod wel of niet heilzaam is. Het uitgangspunt is juist, dat de geboden heilzaam zijn, omdat het Gods geboden zijn.
Ook in het rapport van de Deputaten voor het Pastoraat (Syn. Ger.). 'In liefde trouw zijn' zien we dezelfde tendens.
In dit rapport wordt gesteld, dat in onze cultuur een verschuiving heeft plaats gevonden van de autoritaire cultuur naar de mondige. Daarom kun je in deze tijd andere relatievormen ook niet zo maar afwijzen.
In deze tijd blijft nog wel plaats voor het huwelijk, maar dan als een van de vele vormen naast andere, zoals samenwonen, LAT-relatie (je woont niet samen, maar zoekt elkaar zo nu en dan op en hebt daarbij een sexuele relatie), sexuele relaties van alleenstaanden, homofiele relaties.
We moeten, zo meent men, uitgaan van bepaalde bijbelse waarden als liefde, vrijheid en gerechtigheid en die in onze situatie vertalen in normen.
Deze situatie-ethiek is doodsgevaarlijk Wij moeten altijd, in welke situatie ook, onze normen aan de H. Schrift ontlenen.
Gebod en situatie
Natuurlijk is onze situatie wel van belang. Als we dat zouden vergeten, dan worden we wetticitisch.
Gebod en situatie zijn steeds op elkaar betrokken, maar het gebod gaat altijd voorop.
Een goed voorbeeld uit de praktijk is het nemen van rente. Aan het volk Israël was het nemen van rente verbo den. Van arme volksgenoten aan wie je geld leende, mocht je geen rente vragen. Dat was een kwestie van barmhartigheid. In die situatie behoor je ook in deze tijd nog geen rente te vragen.
In deze tijd heeft de rente over het algemeen een andere functie. Calvijn kwam daar in de handelsstad Genève al mee in aanraking. De burgers, die vaak in de handel hun brood verdienden moesten geld kunnen lenen om zaken te kunnen doen. Het ging dan dus niet om hulp aan een arme broeder of volksgenoot. Het ging om de handel, om geld te verdienen met het geleende geld. Daarom zei Calvijn al, dat in dit geval geen bezwaar bestond tegen het berekenen van een matige rente.
Deze veranderende houding tegenover het vragen van rente is echter heel wat anders, dan de sexuele revolutie, die in onze tijd plaats vindt.
De Schrift zegt duidelijk, dat het huwelijk altijd het uitgangspunt moet zijn voor sexuele relaties.
Niet juist is, wat Aantjes stelt, dat het publieke huwelijk in de tijd van Napoleon ontstaan is. In de geschiedenis is er altijd een of andere vorm van burgerlijke huwelijkssluiting geweest.
Altijd heeft men huwelijk en geslachtsgemeenschap aan elkaar verbonden.
Een duidelijk voorbeeld is het Joodse huwelijk, waarvan we in de Bijbel al lezen. Het verschil met ons huwelijk is, dat wat wij verloving noemen, dat in feite zo iets is als ondertrouw. Een verloofde van een man gold daar juridisch als echtgenote. Denk maar aan de geschiedenis van Maria, de moeder van Jezus.
In het boek Spreuken wordt al veel gesproken over de verhouding van man en vrouw: een leven in gemeenschap met elkaar, waarbij de een de ander tot hulp is.
De liefde tusen echtgenoten mag beeld zijn van de liefde, waarmee God Zijn volk liefheeft.
Zelfs een heel bijbelboek, het Hooglied, heeft als centraal thema de liefde tussen man en vrouw.
Herhaaldelijk ook is in de Bijbel sprake van bruiloftsfeesten. Tenslotte wordt het huwelijk in de Schrift vergeleken met de verhouding tussen de Here en Zijn volk in het Verbond. Aan wat Hij voor Israël doet, kunnen we zien wat liefde, trouwen geduld is.
Hierin hebben we het oerbeeld, waarvan het huwelijk een zo getrouw mogelijke afbeelding behoort te wezen.
Inzegenen van niet-huwelijkse relaties?
Wat moeten we doen wanneer men, met minachting voor het boterbriefje, toch gaat samenwonen?
En dat gebeurt steeds vaker. Samenwonen is bijna vanzelfsprekend geworden.
Iedereen doet het buiten en ook binnen de kerk.
Moeten we daarom, zo wordt van verschillende kanten gesuggereerd, als kerken een weg zoeken om niethuwelijkse relaties toch officieel in te zegenen, althans als kerk een zegen vragen voor de samenwonende mensen?
Onder meer de chr.geref. mr.dr. J.C. Verplanke heeft deze vraag aan de orde gesteld. Uiteraard wijst Verplanke een proefhuwelijk af. Hij vraagt zich echter af welke houding de kerk moet aannemen, als twee geliefden willen samenwonen, elkaar liefhebben, elkaar volledig toebehoren en elkaar dienen tot de dood hen scheidt, maar om welke reden dan ook geen behoefte heben aan een burgerlijk huwelijk, daar zij dat zien als kostbare en onnodige rompslomp.
Als die twee niet van plan zijn elkaar ooit te verlaten en heilig met elkaar willen leven moet de kerk dat dan afwijzen en hen verplichten tot een door de huidige rechtsorde niet af te dwingen keus? Is het al dan niet willen sluiten van een burgerlijk huwelijk een zaak, die de kerken regardeert?
Het is, zo meent Verplanke, zeer wel denkbaar, dat de kerk dergelijke samenlevingsvormen erkent en er haar zegen aan geeft. Wel moet aan twee eisen zijn voldaan. Er mag geen sprake zijn van polygamie, noch van te nauwe bloedverwantschap, noch van eenzelfde geslacht. Voorts moet er sprake zijn van openbaarheid, opdat ieder kan nagaan of aan die eisen wordt voldaan.
Wanneer men dan in een kerkdienst ten overstaan van God en Zijn gemeente wil beloven, dat men elkaar nimmer zal verlaten en heilig met elkaar zal leven, moet de kerk dan verplichten tot een door de rechtsorde niet verplicht gesteld burgerlijk huwelijk?
Een dergelijke relatie kan men via een notariële akte regelen waardoor de verbintenisrechtelijke erfrechtelijke gevolgen van samenwonen geregeld worden.
Het lijkt me nogal een ingewikkelde constructie. Dan is de weg van het boterbriefje eenvoudiger. Het grote verschil is, dat de samenwonenden uit elkaar kunnen gaan zonder dat er een rechter aan te pas komt.
Verplanke wijst er echter op, dat als men zich aan de gegeven belofte niet houdt, de kerk veel zwaardere dan juridische middelen ter beschikking staan, t.w. de uitsluiting uit de gemeente van Christus.
Als samenwoning serieus bedoeld is, gaat het volgens Verplanke te ver als de kerk zich daarvan distantieert, omdat er geen burgerlijke huwelijkssluiting aan voorafgegaan is, hoewel dat uit oogpunt van openbare orde te prefereren valt.
Prof. Runia gaat in dezelfde lijn. Hij vindt dat de kerk zich inderdaad erop moet bezinnen en wegen moet zoeken, opdat deze relaties niet maar wat doorsudderen onder het oogluikend toezien van de kerk. Dat betekent niet dat de kerk zich dus maar helemaal aanpast aan de nieuwe moraal. Als de kerk echter ziet dat er een nieuwe gewoonte ontstaat, moet ze op verantwoorde christelijke wijze gaan begeleiden.
Runia wil huwelijk en samenwonen geenszins op één lijn zetten. Samenwonen zoals we vandaag meemaken is niet Gods bedoeling geweest. Hij bedoelt ook niet een verkapte huwelijkssluiting door de kerkeraad. We moeten echter een vorm vinden, waarbij ook mensen, die een permanente relatie aangaan ook door de kerk begeleid worden. Dat is dan noch voor de kerk, noch voor de staat een huwelijk.
Het is geen inzegening, geen kerkdienst, maar een gebeuren in familiekring, waar een predikant of ouderling een zegen vraagt over deze twee mensen.
De suggestie van Runia heeft iets voor op die van Verplanke. Hier wordt nl. rekening gehouden met de wetgever.
Dat doet het voorstel van Verplanke niet.
In art. 68 BW staat nl.: geen godsdienstige plechtigheden zullen mogen plaats hebben, voordat de partijen de bedienaar van de eredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken.
Toch maar een boterbriefje
Met alle waardering voor de goede bedoelingen van Verplanke en Runia meen ik toch, dat het boterbriefje niet gemist kan worden. Hoewel onbedoeld zullen hun suggesties ertoe leiden, dat het huwelijk en daarmee ook het gezin ondermijnd zal worden.
Het huwelijk is een van de grondpijlers van de menselijke samenleving. Als het huwelijk ondermijnd wordt, betekent dat een bedreiging van die samenleving.
In Rusland heeft men, toen het communisme de leiding kreeg, een tijd geprobeerd het anders te doen, maar er trad zo'n chaos op, dat ook de communistische staat zich genoodzaakt zag het officiële huwelijk weer in ere te herstellen.
Maar een boterbriefje maakt een verbintenis toch niet tot een huwelijk?
Neen, dat niet.
Het huwelijk wordt door de man en vrouw zelf gesloten. Zij geven elkaar het jawoord. Maar daarmee is DE ZAAK NIET AFGELOPEN. Het huwelijk raakt niet alleen de partners, maar een huwelijk heeft ook externe (uitwendige) betrekkingen. Het huwelijk raakt ook de staat en de kerk.
Man en vrouw beloven elkaar wel trouw, maar deze huwelijkssluiting gebeurt ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Dat gebeurt, omdat het huwelijk naast een interne ook een externe functie heeft.
Daarnaast is er ook een vervlechting van huwelijksgemeenschap en kerk.
Die gemeenschap staat onder toezicht van de kerk.
Het boterbriefje maakt inderdaad het huwelijk niet. Maar de overheid, ons door God ten goede gegeven, omgeeft wel door dat boterbriefje het huwelijk met rechtszekerheid om het menselijk leven voor chaos te bewaren. God wil door de overheid het menselijke leven bewaren voor willekeur waarbij ieder doet wat goed is in zijn ogen. En dat geldt ook voor de huwelijkssluiting.
Ten onrechte wordt wel gesproken over kerkelijke bevestiging van het huwelijk. In de oude D.K.O. is ook (ten onrechte) sprake van bevestiging van de huwelijkse staat voor de gemeente van Christus. Ook het bij ons gebruikte huwelijksformulier gebruikt deze uitdrukking.
In ons Kerkelijk Akkoord staat het anders en beter. Daarin wordt voorgeschreven dat de kerkeraden erop zullen toezien dat de leden van de gemeente hun huwelijk aangaan overeenkomstig het Woord van God. Na de burgerlijke voltrekking ervan zal de voorbede van de gemeente plaats vinden met schriftuurlijke onderwijzing in de lijn van een daartoe bestemd formulier.
Voor christenen, die naar de normen van de Schrift in deze maatschappij willen leven is hokken geen alternatief voor huwen. Daarmee miskent men de waarde van onze huwelijkswetgeving.
Opdat ons huwelijk tot volle ontplooiing komt is het nodig als gehuwden in en uit de liefde van Christus te leven.
Maar ons huwelijk is niet het laatste.
In de eeuwigheid zijn er ook geen aardse huwelijken meer. Dan staan we oog in oog met onze hemelse bruidegom.
Dan zullen we zien, dat ons huwelijk maar een flauw aftreksel is van de eeuwige band met Jezus Christus.
Maar laat ook hier op aard uw huwelijk lijken op de verhouding van Christus tot ons.