De stad in

2007-08-31
  • Jaargang 51
  • nummer 17
‘Is alles naar wens?’ ‘Ja hoor, prima. Dank u wel’, antwoord ik. De ober verdwijnt uit het zicht en ik neem een hap van mijn broodje kaas. Tegenover mij zit mijn dochter. Ze doet een dappere poging om op een fatsoenlijke manier een stuk van háár broodje naar binnen te werken. Ondanks het mooie weer is het niet druk op het terras. Hier en daar zitten wat mensen. Een vriendelijk zonnetje beschijnt ons. Eens in de zoveel maanden gaan we samen de stad in, mijn dochter en ik. Dan nemen we de tijd om bij te praten. Over koetjes en kalfjes, maar ook over serieuze zaken.
En shoppen natuurlijk. Dat hoort er gewoon bij. We overdrijven het niet. Het is wel winkel in winkel uit, maar we kopen niet veel dingen. Het is meer voor de gezelligheid. En nu hebben we een mooi plekje uitgezocht om een broodje te eten. Op haar oudejaarsdag, want morgen is ze jarig. Dan bereikt ze weer een mijlpaal op de weg van kind zijn naar volwassenheid. Ik besef dat ik niet meer naar ‘m'n kleine meiske’ zit te kijken, die een paar slokjes van haar appelsap neemt. Nee, aan de andere kant van het tafeltje dat tussen ons in staat, zit een zelfbewuste puber die hard op weg is een zelfstandige jonge vrouw te worden. Het is een pad bezaaid met vragen en keuzemomenten. Met wie ga je om? Wie zijn je vriendinnen? Welk profiel ga je doen op school? Welke vervolgopleiding lijkt je interessant?
En natuurlijk het allerbelangrijkste: het geloof. Geef je je hart aan Jezus?

Met die zelfstandigheid zit het wel goed bij mijn dochter. Vroeger moest ik aan mijn ouders vragen of ik een keer naar de bioscoop mocht. Zij vertelt me nu achteraf dat ze naar de film is geweest met haar klasgenoten.
Het enige dat ik nog kan doen, is vragen of de film leuk was.
Ik neem een slok van mijn koffie. Het is niet een vraag waar ik dagelijks bij stilsta, maar wat geef ik eigenlijk door aan de volgende generatie, bewust en onbewust? Ik realiseer me hoe belangrijk het is om in gesprek te zijn met mijn kinderen. Om te weten wat hen bezighoudt en om ervoor te zorgen dat we elkaar begrijpen.
Ik kijk mijn dochter aan. Er zijn momenten waarop het ineens tot je doordringt dat clichés die tot op de draad versleten zijn, toch veel waarheid kunnen bevatten. ‘Wat gaat de tijd toch hard’ is er zo één. Ik verzet me ertegen, maar het is gewoon een juiste constatering. Onze borden zijn leeg. Naast het terras is iemand bezig vaten bier naar het restaurant te rollen. ‘Kom, we gaan’, zeg ik. Ik wenk de ober en betaal de rekening. We lopen verder.
‘Heb jij dat boodschappenlijstje nog dat mama heeft meegegeven?’ Mijn dochter haalt een stuk papier tevoorschijn waarop Coby verschillende soorten groenten, fruit en kaas heeft genoteerd. Al pratend slenteren we over de markt. Mijn dochter weet waar de kraampjes staan die we moeten hebben. Ze komt hier vaker.

Drs. Jan Smit is lid van de NGK in Rotterdam-Overschie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief