Jezus over de Farizeeën en schriftgeleerden (4)
1992-01-03
Ad maiorem hominum gloriam- Jaargang 36
- nummer 1
Grafmonumenten en gedenktekens zijn van alle eeuwen. In de wereld rondom Israël wemelde het ervan. In Egypte liet iedereen van enige statuur tijdens zijn leven al een grafmonument bouwen. Hoe invloedrijker men was, des te groter werd het grafmonument.
De pyramiden zijn er de meest indrukwekkende voorbeelden van.
Verder zijn er in het Nabije Oosten talloze gedenkstenen, cylinders en zuilen opgericht, waarop koningen met veel ophef en luidruchtig op hun borst kloppend gewag maken van hun heldendaden.
Een heel bekend voorbeeld daarvan is de zgn. cylinder van Taylor, waarop Sanherib zijn veldtocht tegen Juda vereeuwigd heeft en o.a. schrijft: "Hemzelf (d.w.z. Hizkiaz) sloot ik in Jeruzalem, zijn koninklijke stad, op als een vogel in zijn kooi."
AI die grafmonumenten en gedenktekens waren gericht op de vereeuwiging van mensen en hun grote daden.
Ze dienden ad maiorem hominum gloriam, tot meerdere glorie van de mensen zelf.
Het is opvallend dat we bij Israël in de tijd van het Oude Testament nauwelijks iets soortgelijks vinden. Uiteraard is er wel sprake van graven (zie b.v. Gen. 35:20; 2 Kon. 13:21). De koningsgraven die op een helling buiten Jeruzalem waren aangelegd (zie Kron. 32:33), zullen ongetwijfeld opvallender geweest zijn dan de graven van de gewone man, maar toch krijgen we niet de indruk dat het pompeuze gevallen waren, die de roem van de dode moesten verkondigen. En als een dergelijk graf al eens voorkwam, werd er felle kritiek op geleverd. Sebna, de hofmaarschalk van Hizkia, had zich een dergelijk graf laten uithakken om zijn eigen belangrijkheid te onderstrepen.
Jesaja zegt hem op bijtende manier het oordeel van God aan (Jes. 22:15-19).
Wie roemt, roeme in de Here
Gedenktekens die eigen naam en roem moesten vereeuwigen, worden slechts tweemaal vermeld. In 1 Sam. 15:12 wordt verteld dat Saul na het verslaan van de Amelekieten een gedenkteken voor zichzelf oprichtte op de Karmel. In 2 Sam. 18:18 vinden we het andere voorbeeld. Omdat Absalom geen zoon had om de gedachtenis van zijn naam te bewaren, richtte hij voor zichzelf een stenen zuil op als gedenkteken.
Hoewel beide mededelingen zonder commentaar gegeven worden, is het veelzeggend dat het juist Saul en Absalom waren die een dergelijk gedenkteken oprichtten. Dat is bepaald geen aanbeveling. Bij Saul komt daar nog bij, dat hij het deed na een veldtocht waarbij hij Gods opdracht aan zijn laars gelapt had.
We kunnen dan ook concluderen, dat dit soort gedenktekens niet paste in het religieuze klimaat van Israël en daar geen vruchtbare voedingsbodem vond. Eigenroem stonk blijkbaar in Israël. Wie roemt, roeme in de Here.
De gedenktekens die we in het Oude Testament bij Israël tegenkomen, herinnerden dan ook niet aan mensen en hun prestaties, maar aan God, zijn verlossingsdaden en zijn verbond (zie b.v. Gen. 28:18; Deut. 27:2; Joz. 4:20-24; 24:27).
Graven bouwen
Omstreeks de tijd van de Maccabeeën begint het bouwen van pompeuze graven en gedenktekens bij Israël ingang te vinden. Simon de Maccabeeër bouwde een reusachtig grafmonument dat al van grote afstand zichtbaar was. De stenen aan voor- en achterzijde waren gepolijst en bovenop het enorme gevaarte stonden zeven pyramiden: voor zijn vader en moeder een, voor elk van zijn vier broers een en voor hemzelf een. Deze pyramiden waren omgeven door grote zuilen waarop gebeeldhouwde wapenrustingen en schepen aangebracht waren. AI met al moet het een imposant bouwsel geweest zijn.
Van Herodes de Grote is bekend dat hij een pyramide-achtig bouwsel voor het graf van David liet oprichten. En in het dal van de Kidron bevonden zich vier grote grafmonumenten met ionische en dorische zuilen en kapitelen en gebeeldhouwde friezen, die juist in Jezus' dagen gebouwd of verder verfraaid werden. Een van die graven was het graf van Zacharia (zie Matth. 23:29,35) terwijl een van de andere later als het graf van Jesaja bekend stond. Bovendien had zich intussen een vorm van verering ontwikkeld, niet alleen bij graven van profeten, maar ook bij die van beroemde rabbi's (rechtvaardigen), een ontwikkeling die bepaald niet in de lijn van het Oude Testament lag.
Uit hetzelfde hout gesneden
Gedenktekenen van rechtvaardigen bouwen en verfraaien: het is een behoefte die blijkbaar diep in de mens geworteld is. De wereld is overdekt met zulke gedenktekenen. Op gezette tijden worden er plechtigheden gevierd, rituelen voltrokken, kransen gelegd, toespraken gehouden. Helaas zijn gedenktekenen maar al te vaak plaatsen waar woorden hol klinken, gevuld met lucht, en waar ze omhoog stijgen als fraai gekleurde zeepbellen die al uiteengespat zijn voordat de aanwezige luisteraars hun huizen weer bereikt hebben. Maar al te vaak laat men daar de woorden wapperen als fleurige vlaggen die een kwalijke lading moeten dekken.
Dat is precies wat Jezus de Schriftgeleerden en Farizeeën verwijt in Matth. 23:29-31. Hun woorden en hun daden dekken elkaar niet. Ze zeggen dat ze nooit met hun vaderen meegedaan zouden hebben in het ombrengen van profeten. In werkelijkheid zijn ze uit hetzelfde hout gesneden als hun vaderen, blijkens hun verzet nu tegen Jezus en straks tegen zijn volgelingen (vs. 34). Ze waren zich van die discrepantie zelf niet bewust. Ze meenden zelf oprecht dat ze nooit zouden hebben meegedaan met het uit de weg ruimen van de profeten. Ook hier bestond hun huichelachtigheid niet in het spreken van woorden die ze subjectief niet meenden, maar in het, ondanks hun oprecht gemeende woorden, daadwerkelijk ingaan tegen God. Zonder het zelf te beseffen gaven ze zichzelf bloot als ware zonen van de moordenaars der profeten.
Gij hebt niet gewild
Het 'wee u', dat in heel Matth. 23 als een dreigende gongslag bleef klinken, krijgt aan het slot van dat hoofdstuk een concrete invulling: al het rechtvaardige bloed dat op aarde vergoten is, zal over hen komen, van het bloed van Abel af tot het bloed van Zacharia toe. Jezus stelt hen verantwoordelijk voor al die moordpartijen. In het Oude Testament is Abel de eerste mens die vermoord werd. In het hebreeuwse Oude Testament dat een andere volgorde van de bijbelboeken kent dan het onze, is 2 Kronieken het laatste boek.
Daar wordt in hoofdstuk 24:20-21 verteld, dat Zacharia, de zoon van de priester Jojada, op bevel van koning Joas vermoord wordt in de voorhof van de tempel. Jezus wil dus zeggen: jullie staan schuldig aan alle moorden van het eerste tot het laatste bijbelboek toe. Hij identificeert de Farizeeën en Schriftgeleerden met hun vaderen en zegt dan ook: jullie hebben Zacharia vermoord (vs. 35). (De tekst van vs. 35 heeft ten onrechte: Zacharia, de zoon van Berechja, dat wil zeggen de profeet Zacharia. Maar die werd niet vermoord. Er is hier dus sprake van een vergissing. Het is duidelijk dat de zoon van Jojada bedoeld is).
Mensen zijn in de bijbel nooit losstaande individuen. Ze staan in een verband, maken deel uit van een geheel, Wanneer hun zondige levenskoers in het verlengde ligt van die van hun vaderen, delen ze ook in de schuld van die vaderen en maken ze de maat van hun vaderen vol (vs. 32).
Daar kan alleen maar Gods oordeel over komen (vs. 33,36). Want het verzet tegen God kwam bij hen niet voort uit onkunde of gebrek aan informatie, maar uit onwil: gij hebt niet gewild (vs. 37). Daar valt de beslissing. Dat is niet strijdig met hun subjectieve oprechtheid.
Onwil om naar God te luisteren kan zich moeiteloos verschansen achter de overtuiging voorvechters van Gods zaak te zijn.
Oordeel en verwachting
Het oordeel bestaat hierin, dat hun huis aan henzelf wordt overgelaten (vs. 38). God trekt zich terug. Hij gaat hen verlaten. Ze worden op zichzelf teruggeworpen. Dat is het ergste wat een mens, een volk, kan overkomen.
God is er niet meer. Hij is niet meer te bereiken. Ze moeten het voortaan zonder Hem stellen. Dat betekent niets minder dan de nacht van de ondergang, het wegzinken in de dood. Waar God de banden doorsnijdt, raakt een mens in de kille greep van de hel.
Want dat is de hel: afgesneden zijn van God. Dat is de trieste balans van een hardnekkig volgehouden verzet tegen God.
Is dat oordeel definitief? In vs. 39 gloort toch iets van hoop aan de kim.
Jezus trekt zich wel terug, maar niet voorgoed. Hij komt weer. Er komt een dag waarop ze Hem weer zullen zien.
Dat zal gebeuren als ze zeggen: gezegend Hij die komt in de naam des Heren.
Eén dag geleden, toen de discipelen bij de intocht van Jezus in Jeruzalem dezelfde woorden scandeerden, hadden de Farizeeën tot Jezus gezegd: Meester, bestraf uw discipelen (Luc. 19:39). Maar er komt een dag waarop ze zelf deze woorden zullen scanderen en Hem zullen erkennen als de door God Gezondene. Op die dag zullen ze Hem weer zien.
Gewoonlijk wordt dit geïnterpreteerd als het definitieve oordeel: hun erkenning komt te laat. Ik heb deze uitleg nooit begrepen. M.i. leest men dan iets in de tekst in. Wanneer we proberen de tekst zelf tot ons te laten doordringen, krijgen we een heel andere indruk.
Ik hoor de tekst zeggen: het oordeel is realiteit, maar duurt niet eindeloos.
Er komt een dag waarop Jeruzalem, dit eeuwen omspannende geslacht van profeten-moordenaars, tot inkeer komt. Dan worden ze niet langer aan zichzelf overgelaten. Dan keert Jezus tot hen terug en zullen ze Hem weer zien.
De deur naar de toekomst blijft voor Israël openstaan. Want het oordeel heeft nooit het laatste woord.