'Dood' en 'opstanding' van de sterken

1992-01-17
  • Jaargang 36
  • nummer 2
Liturgie:
Psalm 16 : 1 en 2;
Psalm 15 : 1 - 4;
Psalm 69: 1, 3, 4 en 9;
Psalm 18: 15;
Psalm 133 : 1 - 3.
Schriftlezing: Romeinen 14 : 1 tot 15: 13

Geliefde Gemeente van onze Here Jezus Christus, Broeders en Zusters, Jongelui,

Dat was een lange schriftlezing vanmorgen.
Maar ik wilde u de hele perikoop over de sterken en de zwakken laten horen. Paulus heeft het ook in andere brieven over hen. Dat laten we nu maar voor wat het is. Maar wat hij in zijn bekende Brief aan de Romeinen daarover zegt wilde ik niet inkorten maar in z'n geheel ten gehore brengen.
Om zo nog weer eens te ondergaan hoe hij met dat bekende probleem in de beginnende christelijke gemeente omging. Het is een problematiek die veel te maken heeft met de toekomst van de kerk. Daarom kom ik ermee op deze eerste zondag van het nieuwe jaar waarop het niet zo vreemd is om een beetje vooruit te kijken. Wel, we kennen Paulus' standpunt in dezen ten naasten bij wel. Hij speelt die twee scherp tegenover elkaar staande groepen niet verder uit elkaar maar is uit op verzoening en verdraagzaamheid.
Intussen kiest hij zelf met overtuiging voor de sterken. Dat verrast, maar bij enig nadenken ook eigenlijk weer niet.
Paulus zou namelijk de sterken nooit sterk genoemd hebben als hij zelf tot de zwakken had behoord of in dit verschil afzijdig had gestaan. 'Sterk' is immers een postitief woord en 'zwak' een negatief. De apostel zou als hij neutraal was of op het standpunt van de zwakken stond voor hen stellig een meer positieve naam hebben bedacht.
Hij kiest dus positie en blijft niet onpartijdig.
Kan een gemeenteleider als Paulus dat maken? Ja, dat kan hij, als er maar iets tegenover staat. En dat is bij hem het geval. Er staat namelijk dit tegenover dat hij de sterken en dus ook zichzelf het hardst aanpakt. Van hen, vindt hij, mag het meeste gevraagd worden. Ze zijn immers sterk?
Nou dan! Hij legt daarom de sterken vrijmoedig een ethiek van de sterkste schouders op. En let er dan vooral op dat Paulus' vermaan typisch christelijk is. Hij komt in zijn uiteenzettingen steeds over de Here Christus te spreken en stelt de Meester voortdurend ten voorbeeld. Dat vooral vormt de kracht van zijn aanpak. Hoe zou de Here Jezus het doen en hoe hééft Hij het gedaan? En het verbaast dan ook niet dat Paulus' hele betoog ter zake uitloopt op een prachtige Christusprediking.
Het is uit dat christologische slot dat we onze tekst hebben gekozen.
Maar laten we eerst nog eens proberen vóór ons te krijgen wat sterk en zwak bij Paulus eigenlijk betekenen.
De apostel geeft er weliswaar enige duidelijke voorbeelden van: sterk is wie gelooft alles te mogen eten terwijl de zwakke plantaardig voedsel eet (14 : 2); zwak is degene die de ene dag boven de andere stelt terwijl voor de sterke alle dagen gelijk zijn (14 : 5) - maar het nadeel daarvan is dat we zo wat blijven haken in de problematiek van die tijd. Kunnen we, van wat de apostel noemt uit, misschien tot wat algemener typeringen komen? Laten we dat eens proberen. Wie zwak is ziet de Schrift meer als een huis waarin hij woont. Wie sterk is ziet de bijbel meer als een weg waarop hij gaat - een weg die doorloopt ook als de Schrift uitgesproken is. (De Heilige Schrift is natuurlijk allebei: huis en weg, maar het gaat er mij nu even over waar of het aksent komt te liggen.) Huis en weg, rust en beweging, definitief en voorlopig, geborgenheid en kwetsbaarheid.
De bijbel als huis omsluit je, de Schrift als weg drijft je voort. En nu van onze kant een paar voorbeelden die wat tijd betreft dichterbij liggen. Als eerste voorbeeld noem ik de slavernij. De zwakke komt in de Schrift slaven tegen en zegt: dat hoort blijkbaar zo, slavernij is schriftuurlijk. Zo zijn er christenen geweest, Da Costa in de vorige eeuw bijvoorbeeld, die op grond van de bijbel tegen de afschaffing van de slavernij waren. De sterke leest ook zijn bijbel en komt daarin de tekst tegen dat in Christus noch slaaf noch vrije is (Galaten 3 : 28). Hij ziet dan in de Schrift een ontwikkelingslijn lopen en wil die doortrekken. De bijbel eindigt wat de slavernij betreft voor hem niet met een punt maar in een stippellijn, waarop hij christen van later tijd zijn konklusies uit de bijbel kan invullen.
In de lijn van de Schrift gaande schaft hij dus de slavernij af. Mijn tweede voorbeeld betreft de positie van de vrouw. De zwakke leest in heel de bijbel dat de vrouw onder de man staat en hij zegt: dat houden we dus zo. De sterke vindt in de Schrift een ontwikkeling op dit punt en ontdekt bijvoorbeeld dat onder het oude verbond alleen de jongetjes werden besneden terwijl in het Nieuwe Testament de doop ook voor het vrouwelijke geslacht werd opengesteld. En hij trekt de konklusie dat er in de bijbel ten aanzien van de positie van de vrouw blijkbaar een beweging zit, een drijfkracht naar grotere eigenheid en zelfstandigheid voor de zusters. Zoals diezelfde tekst uit Galaten die we zopas gebruikten eigenlijk ook al aangeeft: "In Christus is noch mannelijk noch vrouwelijk" (Galaten 3 : 28).

Terug weer naar het algemene: de zwakke heeft zo grote eerbied voor de Schrift dat deze geheel zijn wereld uitmaakt. "Quod non in tora non est in mundo", is zijn gezegde. Vertaald betekent dat: "Wat niet in de bijbel staat bestaat überhaupt niet". De bijbel heeft het niet over blank en zwart en dus hoeven wij ons van die problematiek niets aan te trekken. En trekken wij ons er wel wat van aan dan zijn we genoodzaakt buiten de bijbel te treden en onze eigen boontjes te doppen. Wat dan natuurlijk uitdraait op racisme. De sterke heeft oog voor de dynamiek van de Schrift. Dat ze zelf verschillende tijden doorloopt: van de aartsvaders, van het Israelitische bestel, van de grote mogendheden zoals Assur en Babel, van de Romeinse tijd (om maar niet meer te noemen) en dat ze daar niet onveranderd bij blijft. Ja, in het wezenlijke blijft ze gelijk maar in de meer bijkomstige dingen ondergaat ze de veranderingen van de tijden en reageert ze met een nieuw geluid op nieuw ontstane situaties. Wat een dynamiek in de Schrift dat telkens hetzelfde op andere wijze ter sprake wordt gebracht! Dat was toen de bijbel ontstond zo en dat is nu hij wordt toegepast niet anders. Krachtens dat prachtige vermogen tot aanpassen gaat de bijbel door naar morgen om ook dan in een totaal veranderde wereld weer te laten zien waar het in het leven op aankomt. Daartegenover dreigt de zwakke de boot naar morgen te missen omdat hij teveel in de wereld van de bijbel blijft rondhangen.

Nu, het is aan de typerende beschrijvingen die ik van de sterken en de zwakken gegeven heb wel duidelijk geworden waar ik zelf sta. Net als Paulus reken ik mijzelf tot de sterken (al zullen er op sommige punten zonder dat ik mij dat zelf bewust ben zwakke steeën bij mij aan te wijzen zijn). Een aardige vraag is nu: aan welke kant zou Christus hebben gestaan?
Of staat Hij? Spontaan borrelt in ons binnenste het antwoord op dat Hij een middenpositie zou hebben ingenomen en nu nog inneemt. Hij is immers de Heiland van beide groepen?
Hij kan het zich daarom gewoon niet veroorloven partij te kiezen. Toch denk ik dat Christus een uitgesproken sterke is. Uit twee woorden van Hem blijkt dat zonneklaar. Ze gaan merkwaardig genoeg allebei over de punten die ook Paulus in Romeinen 14 noemt. Het eerste woord is dit: "Desabbat is gemaakt om de mens en niet de mens om de sabbat" (Markus 2 : 27). En het tweede: "Niet wat in de mens naar binnen gaat maakt hem onrein maar wat uit hem naar buiten komt" (Markus 7: 20). Met deze uitspraken neemt Jezus op het punt van het voedsel en op dat van de bijzondere dagen een uitgesproken sterk standpunt in. Had Hij deze dingen niet gezegd dan zou er nooit een kerk uit de heidenen gekomen zijn. Dan was de christelijke gemeente nooit verder gekomen dan een joodse sekte.

Maar wat voor houding nam de sterke Christus nu tegenover zijn zwakke tijdgenoten aan? Heeft Hij ze veracht en heeft Hij zich zelfgenoegzaam in zijn standpunt opgesloten? Dat is wel het gevaar dat de sterken steeds bedreigt.
Ze hebben de neiging hun zwakke medebroeders als een blok aan het been te beschouwen en zich van hen te ontdoen. Ze verlaten de kerk zeggende dat met die trage massa toch niets te beginnen is. De zwakken houden immers de zaak alleen maar op? Ze vertragen de boel terwijl er haast bij is, de kerk van morgen is dichtbij. Maar Paulus horen we in ons gedeelte zeggen: "Aanvaardt elkander zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods" (vers 7). Dat is een boodschap aan sterken en zwakken beide maar ontegenzeggelijk vergt de apostel van de sterken het grootste offer. En ook daarin is Christus hèt grote voorbeeld.
Hij heeft niet gewacht tot de zwakken Hem aanvaardden maar is daar zelf mee begonnen. En mee doorgegaan, tot zelfs het bittere einde toe.

Hier kom ik toe aan de woorden van de tekst die een uitwerking bieden van wat het zeggen wil dat Christus ons aanvaard heeft. 'Ons', dat wil zeggen: de gemeente zoals Paulus die vóór zich ziet en die bestaat uit joden en heidenen, zwakken en sterken, maar die - sterk of zwak - vergeleken met Christus altijd aan de zwakke kant staat. Paulus werkt die aanvaarding door Christus als volgt uit: "Christus is terwille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest..."
Hij heeft de zwakken - de joden van zijn dagen waren in hun omgang met de Schriften zeer, zeer zwak, veel zwakker dan de zwakken die Paulus in zijn gemeentes aantrofaanvaard en gediend. Dat was geen eenvoudige zaak. Dat was niet de weg van de minste weerstand. Even eerder heeft Paulus de sterken erop gewezen dat ze zo gemakkelijk zichzelf gaan behagen met hun konsekwente standpunt.
Zij zijn tenminste radikaal! Ook dan wijst hij op het voorbeeld van Christus. Die heeft zichzelf niet behaagd maar leefde naar het psalmwoord: "De smaadwoorden van hen die U (o God) smaden kwamen op Mij neder" (15 : 3). Dat is uit Psalm 69 waaruit wij in deze dienst ook zingen.
Konkreet wil dat zeggen dat Christus met de sterke dingen die Hij zei en deed het risiko liep en ook bewust genomen heeft dat men Hem hoonde.
Zoals we in het evangelie ook zien dat herhaalde malen gebeurd is. Toch trok Jezus zich in reaktie hierop niet beledigd terug. Hij bleef met zijn woorden en daden zijn volk zoeken. Hij wist zich daartoe verplicht. Het was "terwille van de waarachtigheid Gods om de beloften aan de vaderen gedaan te bevestigen". God had tot de aartsvaders en door de profeten gesproken.
De belofte van het koninkrijk Gods was gedaan. Nu kwam Jezus de vervulling laten zien. Dat die in Hem gestalte aannam. Nu kon Jezus niet midden in zijn werk onder het volk beledigd weglopen.
Terwille van de waarachtigheid Gods moest Jezus het karwei afmaken.
Maar dat kostte Hem smaad en hoon en tenslotte zelfs zijn leven. Ten einde toe bleef Jezus de zwakke joden, de zwakke gemeente waartoe Hij behoorde, aanvaarden, ook toen die Hem niet aanvaardde. Als voorbeeld voor ons.

Ja maar, Paulus - zijn we geneigd tegen te werpen - zo verspeelde Jezus toch zijn gelijk? Het gelijk van de sterken?
Zich tot de dood toe aanpassen aan de zwakken, dat helpt toch de zwakken aan de overwinning? Zo worden de zwakken toch oersterk? Hoe kunt u Jezus ten voorbeeld stellen?
Die is aan zijn trouw ten opzichte van de besnijdenis (dat zijn de joden) toch ten onder gegaan? Moeten de sterken in navolging van Hem dan bereid zijn even ver te gaan? De angst van de sterken is inderdaad dat ze op deze manier hun sterkte verspelen. En het sterke standpunt dat het juiste standpunt is schade toebrengen. Je kunt die vrees heel goed verstaan. Want voor het oog is dat ook zo. Maar ziehier nu het geheimenis van de Christus. Hij stierf wel maar Hij verdween niet. Hij kwam terug in Geest en in waarheid.
Hij kwam terug in de zending onder de volken. Hij kwam terug in het ontstaan van heidenchristelijke gemeentes die metterdaad het juk van de tradities afwierpen of beter gezegd: niet eens op zich namen. Op het standpunt van de zwakken hadden die gemeentes er nooit kunnen komen. Maar ze kwamen er! Triomfantelijk wijst Paulus dat aan met een viertal schriftwoorden uit het Oude Testament die alle vier gemeen hebben dat ze over de toebrenging der heidenen gaan. Het was al voorzegd, juicht Paulus, dat de heidenen God terwille van zijn ontferming zouden gaan verheerlijken. Die heidengemeentes, zij waren het loon op Jezus' volhardende trouw aan zijn volk. Jezus' aanvaarden van de zwakken is Hem dus niet op het verlies van zijn sterkte komen te staan, zoals je misschien zou denken. Juist integendeel, het heeft geleid tot een ware doorbraak van wat Hem als sterke bij uitstek voor ogen stond. "Dat de heidenen God terwille van zijn ontferming gingen verheerlijken".

Laten de sterken er dus niet tegenop zien tegenover de zwakken het onderspit te delven. Het is de test die ze soms moeten ondergaan, het offer dat van hen gevraagd kan worden. Lang niet altijd, dat is waar, maar ze moeten ermee rekenen. Paulus heeft gezegd bereid te zijn de zwakken te ontzien en in eeuwigheid geen vlees meer te eten (I Korintiers 8 : 13). Dat was een soort kruisdood van zijn sterke standpunt.
Maar zo heeft hij bereikt dat wij nu onbekommerd vlees eten. Door de 'dood' van zijn standpunt heen heeft die opvatting van hem gezegevierd.
Hij heeft dus de zwakken niet overwonnen door over ze heen te walsen maar door ze te ontzien. En zo is het overwinnen van de sterken een geloofsgeheimenis.
Het deelt in de verborgenheid van Christus' eigen overwinning.
Hij heeft de besnijdenis gediend.
Hij heeft zich aangepast. Vrijheid claimend gebruikte Hij zijn vrijheden niet. Het bracht Hem smaad en hoon en op het laatst zelfs de dood.
Toch koos Hij ervoor. Toen er Grieken kwamen en belangstelling toonden was dat een verleiding voor Hem om nu maar zijn werk onder de besnedenen af te breken en ingang te zoeken bij de niet-joden. Christus doorstond die verzoeking. Hij zei: "De graankorrel moet eerst in de aarde vallen en sterven. Pas dan brengt zij vrucht voort" (Johannes 12 : 24). En zo is Hij door zijn dood heen Heer van Grieken en Romeinen en Germanen geworden.
Langs die weg zijn deze heidenen God gaan loven. Bij varkensvlees en bloedworst.

De heidenchristenen staan dus van huis uit aan de kant van de sterken.
Dat is zo niet gebleven. Ook binnen die heidenchristelijke gemeentes is later dat verschil tussen sterk en zwak weer opgekomen. Zo blijft dit thema een aktualiteit in de geschiedenis van de kerk. Ook wel van ons eigen kerkelijke leven. En nog altijd staat daar middenin die problematiek het voorbeeld van Christus. Hoe loste Hij dat op? Hij leefde in de hoop op de overwinning van zijn sterkte. Hij forceerde die overwinning niet maar Hij hoopte erop dat God zijn tegemoetkoming en aanpassing zou kronen door de gemeente op de lijn van de sterken te plaatsen. Dat heeft Hij niet tevergeefs gehoopt. Aan deze hoop moeten wij ook vasthouden ("opdat wij in de weg van de volharding en van de vertroosting de hoop zouden vasthouden", vers 4). Het valt op dat in dit gedeelte waarmee Paulus zijn vertoog over de sterken en de zwakken afsluit tot vier maal toe van die hoop sprake is (de verzen 4, 12 en 13). De sterken moeten daarom vooral sterk zijn in die hoop.
Het is een hoop die niet gezien wordt maar die van de andere kant ook niet beschaamd maakt. De hoop dus dat God het opzij gaan voor de zwakken zal zegenen met de triomf van wat de sterken voor ogen staat. Met deze christelijke hoop gaan we vol goede moed het nieuwe jaar binnen, de kerk van morgen tegemoet. AMEN.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief