Calvijn-kritiek over de zaak Servet

1992-01-17
  • Jaargang 36
  • nummer 2
Vaak wordt tegen Calvijn in stelling gebracht dat hij schuldig zou zijn aan de vuurdood van zijn tegenstander Servet. Dikwijls kun je dat als kritiek en als verwijt horen van de kant van degenen die het Calvinisme eigenlijk niet kunnen verdragen en die het soms ronduit haten. Was die Calvijn er niet vóór, dat Servet levend verbrand werd?
Het is een algemeen verbreid argument tegen het Calvinisme en tegen de reformator zelf.
Wie was Servet eigenlijk? En wat zijn de factoren die tot zijn veroordeling geleid hebben?
Verstaan we de tijd waarin het zich afspeelde?
Deze en dergelijke vragen kunnen bij beantwoording licht brengen in een situatie waarvan we dikwijls zelf niet genoeg weten om de tegenstanders te weerstaan.
Wat is die Calvijn-kritiek waard?
Het zal blijken dat een antwoord niet achterwege behoeft te blijven, al is het niet gezegd dat iedere Calvijn-kritikus het verstaan zal.
Het is in elk geval goed zelf zicht te hebben op die situatie.


Michaël Servet was van Spaanse afkomst.
Hij is vermoedelijk in 1511 geboren.
Al op z'n twintigste, in 1531, schreef hij een boek tegen de leer van de Drieëenheid, De Trinitatis erroribus, libri septem, Zeven boeken over de dwalingen van de Drieëenheid(1).
Het was dusdanig ketters, in de lijn van de vroegere ketter Sabellius, en zo pantheïstisch en spiritualistisch, dat hij in hetzelfde jaar nog erom uit Basel en Straatsburg verbannen werd.
Maar in plaats van tot bezinning te komen, werkte hij in stilte verder aan eenzelfde geschrift. Hij had toen in Parijs medicijnen gestudeerd en was lijfarts van de bisschop van Vienne, aan de Rhöne, geworden en in diens paleis kon hij rustig verder werken - in zijn haat tegen de Drieënige God, het Driekoppig monster, zoals hij de HERE noemde.

Mede omdat hij de erfzonde ontkende en ook niets van de kinderdoop moest hebben en vooral omdat hij niet geloofde dat Christus Gods Zoon is, is hij, toen bekend werd dat hij de schrijver van het in het geheim en anoniem gepubliceerde boek was, door de roomskatholieke overheid vanwege Godslastering gevangen genomen.

Hij leefde onder de schuilnaam Michaël Servetus Villanovanus. Het boek droeg de intrigerende titel: Restitutio van het Christendom - kennelijk als tegenhanger van de Institutio van Calvijn.
Het boek vond in Italië zo'n vruchtbare bodem dat Calvijn verzocht werd de ketterse dwalingen van deze man te weerleggen(2).
Het was zelfs zo, dat een collega van Farel onder invloed van Servet tegen de leer van de Drieëenheid begon te spreken(3) en er werd al gelasterd dat Farel zelf ook die richting uitging(4).
En daar Calvijn, om heel andere reden bezwaar had tegen het gebruik van de termen Drieëenheid en Persoon - in het conflict met Caroli - werd de toestand gespannen.
Vooral toen Servet, ontsnapt uit de gevangenis, naar Genève kwam, waar de tegenstanders van Calvijn, de libertijnen, de heersende partij waren. De scherpe briefwisseling tussen Calvijn en Servet, waarbij Calvijn hem van zijn valse leer trachtte te overtuigen, had niets gebaat - integendeel, Servet zou in Genève Calvijn er wel onder krijgen.
Was dat gelukt, dan had dat het einde van het reformatorische werk en de ondergang van de kerk in Genève betekend(5).

Een van de belangrijkste beschuldigingen die men inmiddels tegen Calvijn heeft, is deze, dat Calvijn Servet bij de Inquisitie zou hebben aangeklaagd, toen deze zich tijdens zijn vlucht in Wenen schuil hield. Maar Calvijn antwoordde hierop: "Niets daarvan", en hij voegde er aan toe: "Als het waar was dat ik hem verraden had, om hem, onverschillig door wie, te laten straffen, zou ik het niet willen ontkennen; en meen niet dat ik me daarvoor zou schamen"(6).

De zaken stonden scherp. Wat Servet niet verwacht had, gebeurde: hij werd in Genève; ondanks het feit dat de meerderheid in de Raad Libertijns was, gegrepen en gevangen gezet.
Door de Raad daartoe aangezocht, heeft Calvijn het verhoor van Servet geleid, waarbij hij alle mogelijke pogingen in het werk gesteld heeft om Servet van zijn dwalingen terug te brengen.
Hij schreef de 20e augustus 1553 aan Farel, dat hij hoopte dat Servet ter dood veroordeeld zou worden, "maar het is mijn wens, dat men hem de wreedheid (atrocitatem) van de straf bespaart"(7).
Geen vuurdood.
Hij bleef daarbij, ook al vond Farel dat je hem dan als een vriend behandelde, terwijl hij Calvijns aartsvijand was(8).
Servet was dat inderdaad. Tijdens het proces ging Servet op een woeste manier te keer en braakte God-onterende taal uit. "De Godheid woont in alle duivels."
De Raad van de stad heeft toen verder het proces gevoerd. De beklaagde mocht schriftelijk zijn verdediging opstellen en er de tijd voor nemen. Toen zijn zelfs een ogenblik de rollen omgekeerd, nl. nadat de Libertijnen in de gevangenis met hem gepraat hadden: Ineens was Servet de aanklager, in plaats van de beschuldigde. Calvijn was de grote zondaar, die niet behoorde te leven. Heel de inrichting van staat en kerk in Genève viel hij aan.
Toch is het voor Servet daarna mis gegaan: een klein deel van de stadsraad koos voor verbanning, en enkelen zeiden: levenslange gevangenisstraf, maar de grote meerderheid veroordeelde hem tot de brandstapel. Calvijn heeft toen echter nog ernstige pogingen gedaan om de vuurdood veranderd te krijgen in de terechtstelling met het zwaard.
Op 26 oktober 1553 schreef hij aan Farel: "Morgen wordt hij terechtgesteld.
We hebben alles gedaan wat we konden om de soort doodstraf te wijzigen.
Maar tevergeefs. Ik zal u mondeling meedelen waarom we niet geslaagd zijn?"(9).

Het scherpe verwijt, de scherpe kritiek dat Calvijn hem tot de vuurdood veroordeeld heeft, of heeft helpen veroordelen, is dus niet juist.

Toch blijft nu natuurlijk de vraag naar het ketter-doden. Gezegd moet worden, dat de stads raad op aandringen van de Libertijnen - en van Servet zelf - advies bij de Zwitserse steden inwon. Die drongen allen aan op veroordeling.
Want de overheden stonden toen op het standpunt dat men ketters en brute Godloochenaars ter dood moest brengen.
Calvijn was dus in dat opzicht 'kind van zijn tijd' - hij was ook die mening toegedaan.
En omdat de Schrift in dezen geen opdracht aan de overheden geeft om ketters met het zwaard te doden - zij moeten door de ambtelijke tucht uit de kèrk worden weggedaan -lijkt het gelijk helemaal aan de kant van de kritici.

In de eerste plaats moeten wij er echter op letten, dat Calvijn in deze kritieke situatie heeft geijverd voor de eer en de naam van de HERE, tegenover een man die uiterst Gods-lasterlijke dingen zei.
Calvijn was geen verdraagzaamheidsapostel, zoals de Libertijnen dat waren, Castellio en Ami Perrin in Genève.
Hoewel Calvijn aanvankelijk waardering had voor een man als Castellio, begon hij in de loop der jaren Castellio's humanistisch verdraagzaamheidsbeginsel op te merken. Hij proefde het verschil in geest, was er bang van.
Later heeft deze geest doorgewerkt in mannen als Coornhert, in de Nederlanden, tot in onze tijd in de Coornhert-liga toe - en meer nog in het standpunt van de moderne mens: het humanisme tegenover de erkenning van Gods soevereiniteit.
Deze Castellio schreef een boekje vanuit die geest over de vraag: moeten ketters gedood worden? En velen vielen hem bij.
Maar Calvijn erkende Gods soevereiniteit over het mensenleven tegenover Castellio's god, die als een vergrote, veredelde humanist met de mens onderhandelde(10).
Zo was daar een verschil in geest - als van vleselijk Israël tegenover geestelijk Israël. David was niet zonder zonde, maar hij stond anders tegenover de HERE dan Absalom.
Dat verschil in geest moet bij onze historiebeschouwing telkens en overal nagespeurd worden.
Onze vaderen waren wel kinderen van hun tijd, maar velen hebben de strijd voor de Waarheid mogen strijden, tegen de leugen van de geest van hun eeuw.
Calvijn is niet vrij te pleiten van het foutieve middeleeuwse standpunt van het ketterdoden door de overheden, maar we verstaan hem wel in zijn strijd tegen het humanisme in zijn verdraagzaamheids-ideaal, dat daar met geweld aan het opkomen was.
Helaas heeft meer en meer de mensverering het in onze moderne tijd gewonnen van de Schriftuurlijke erkenning van de Almachtige.

Vervolgens speelt in de situatie in Genève rondom Servet ook het volgende een belangrijke rol.
We moeten bedenken dat de strijd der geesten in die dagen, van de geestelijke machten op het wereldtoneel (Ef. 6:12), in de uiterst labiele situatie van het namiddeleeuwse Genève heel zwaar is geweest.
Op dat moment stonden tegenover elkaar Calvijn, die de reformatie van het hele leven zocht, èn Servet, die in een vijandige geest heel de inrichting van kerk en staat aanviel.
Uit een brief, geschreven een paar dagen voor Servets terechtstelling, blijkt hoe bijzonder kritiek de toestand voor Calvijn was. Men was bezig, onder brutale hoon voor het evangelie zijn werk in de gemeente kapot te maken.
Over Servet deelt hij dan mee dat men nog niet weet wat er met hem zal gebeuren.
"Voorzover ik het vermoeden kan, zal morgen in het raadhuis het vonnis geveld worden en overmorgen de terechtstelling plaatsvinden''(11).

Ondertussen blijkt uit het vervolg van dezelfde brief hoe de toestand in het buurland Frankrijk was: In Frankrijk zouden er drie broeders verbrand worden, in Nimes lagen er zeven of acht in boeien in de gevangenis, in andere Franse steden nog meer... (brief aan Bullinger, 25 oktober 1553). Kinderen van God, die om het geloof in de Schriften verbrand werden...(12).
In diezelfde dagen was er in Genève een revolutionaire geest die het reformatorische werk dusdanig aanviel, dat kerk en staat ineen zouden storten...

Zelfs bestond er ten tijde van de regering van Karel Veen wet op de Drieëenheid, waaraan protestant en katholiek zich hadden te houden. Deed men dat niet, dan tastte men de grondslagen van de samenleving aan! Servet was zo ook, met zijn ontkenning van de Drieënheid, politiek gezien een gevaarlijke revolutionair.
Daarom is het niet verwonderlijk, dat Calvijn volgens het toenmaals geldende strafrecht voor onruststokers, "die elke wet omkeren en alle politie en elke natuurlijke orde zouden willen vernietigen", het als burgerlijke taak voor de overheden zag om dit soort gevaarlijke lieden uit de samenleving weg te doen.
Zou Servet, die van mening was dat Calvijn niet behoorde te leven, in zijn opzet geslaagd zijn en had hij mèt de Libertijnen de macht gekregen in Genève, dan had dit het einde van de kerk daar betekend en waarschijnlijk het einde van het leven van vele gelovigen.
Dan was de satan er in geslaagd de Reformatie in Europa en in de wereld in de knop te breken.
In die moeilijke situatie heeft God deze overheden gebruikt om de weg voor de voortgang van Zijn werk open te houden en om een totale omverwerping van Zijn ordeningen te stuiten.

Noten
1 E. Doumergue, Calvijn in het strijdperk, Amsterdam 1904, p.354, 461. J. Calvijn, Institutie IV, xvi, 29.
2 E. Doumergue, a.w.p.59.
3 ibidemp. 200v.
4 ibidemp. 215, noot3.
5 Zie voor weerlegging van Servetsdwalingen: J. Calvijn, Institutie I. xiii. 10,22; I.V. 5; u.ix.s; II. x.1; n.xrv.s.e: IV. xvi. 29v.; IV. xvii. 30.
6 E. Doumergue, Calvijnals menschen hervormer, Amsterdam 1931, p.156.
7 Johannes Calvins Lebenswerk in seinen Briefen, Tübingen 1909, Ed. Schwarz I, 484.
8 E. Doumergue, Calvijn als menschen hervormer. a.w.p.157.
9 Briefe, ed. Schwarz, a.w. 1493.
10 Zie over Castellio: A. Janse, Uit de geschiedenis der kerk, 2e dr. Groningen 1966, p.160-181.
11 W.F. Dankbaar, Calvijn zijn wegenwerk, Nijkerk z.j. p.120, zegt, dat eerst Farelen daarna Calvijn met twee raadsleden Servet bezocht en in zijn cel en dat deze om genade riep tot God. Tot erkenning van Christus als de eeuwige Zoon van God kon hij ook toen niet komen.
12 Briefe, ed. Schwarz, a.w. 1492.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief