Mystiek in de literatuur (7)

1992-01-31
  • Jaargang 36
  • nummer 3
De vorige keer ben ik geëindigd met de teezegging dat ik iets zou deorgeven uit de roman van C. Lambregtse: In zijn arm de lammeren.
Maar om de chrenologische volgorde aan te houden, neem ik toch eerst een boek van Jo van Dorp-Ypma: Miet van Dijk, verschenen in 1951. Een aanbeveling meer dan waard! Ik kon haast niet ophouden met lezen en vond het jammer dat het uit was. Als u over de schrijfster iets wilt weten, moet u eens het interview lezen van Hans Werkman in: Schrijven en geloven (1985).
Het voert te ver, als ik nu uitgebreid de inhoud van de roman ga vertellen. En zoals u weet, gaat het in deze reeks alleen over het verschijnsel mystiek, maar ik moet wel even zeggen dat het in dit boek niet de hoofdrol speelt. Die is weggelegd voor Miet van Dijk, een vrouw met heel bijzondere gaven; ze heeft vooral veel gevoel voor dieren, ze voelt hun pijnen en ze heeft in zekere zin 'de gave der genezing'. Een boeiende persoonlijkheid.
Maar nu naar de mystiek.


Ook hier hebben we weer een aantal vromen die tot het uitverkoren volk werden gerekend, ook hier maken we kennis met angst voor het eeuwige verderf, ook hier ontmoeten we weer een figuur die een voorman is van het ingeleide 'volkie', maar die in het dagelijks leven niet erg betrouwbaar blijkt te zijn. Het is een type dat we in heel wat romans tegenkomen. Hier heet hij Klaas Geneuchelijk. Miet van Dijk hoopt binnenkort te trouwen, maar haar meeder is ernstig ziek. Klaas Geneuchelijk zegt tegen Miet:
- En zal de Here Jezus op de bruiloft magge komme, want der bin der zat, die in de kerk trouwe, maar die het Opperwezen niet bij hun bruiloft uitnodige.
Ik kin je vrijer, meid, hij is een dooie christen, en ik mot zegge, hij is dood voor de dood, maar omdat jij ok geen asie leve in je hebt en niet weet wat een Hemansziel is, die nog kerme kin, is dat zo erg niet. Jullie zulle wel goed van leve zijn, maar je mot gekind weze, meid, je mot gekind weze, want nou lijkent het allegaar prachtig en is ter geen vuiltje an de lucht, maar je mot maar is voor de dood komme te staan, zoas je moeder, en dan komt het ter op an, dan mot je meer wete en meer bevinding hebbe, dan mot je niet allenig kinne zegge, dat je naar de kerk gegaan bin, want daar kin een dooje zondaar ook kom me, maar dan mot je gekind en doorgeleid zijn. Je moeder het verstand van kerme, maar die mist de terugstuitende daad, maar jij, ja meid, ik mot mijn eige vrijmake, jij bin zo dood as een pier. En wou ie dan in de hemel komme, bij het volkie?
Klaas Geneuchelijk zit bij de bedstee waar de meeder van Miet ligt te hijgen.
Hij rookt een stinkende pijp. Miet komt binnen en wordt nijdig. Ze zegt hem dat hij naar buiten moet gaan als hij roken wil en dat de dokter het roken in de kamer streng verboden heeft.
Maar. Klaas trekt zich er niets van aan.
"Jij hebt er geen last van, hè?", zegt hij tegen de zieke.
De vrouw in de bedstee schudt heftig van nee. Hoe durft Miet zich nou weer te bezondigen an het echte volkie.
- Dat bietje rook komt erommers niet op an, gaat hij voort, terwijl de benauwde stank de zieke doet hoesten, maar wel het vuur van de hel, en asse me daar nou is van verlost mochten worre, want het zal wat zijn in die nimmer eindigende eeuwigheid en dan voor eeuwig te laat. Griet, ik mot me ok van jou vrijmake, meid, je hebt wel trane en zo'n natte zondaar is liefelijker dan een droog en verhard mins as je dochter is, maar er mot nog zo veul met je gebeure, anders ga je met een ingebe.elde hemel verlore. Ik kin je niet naar de bloemhove jagen zo vlak voor de dood, meid. Meid, as het Opperwezen zijn Eigen niet verwaardigt om bemoeienisse met je te houwe, dan kin, neent, dan mag ik niet voor je hope.
Ze gaan eten, maar eerst zal Klaas op verzoek van moeder een 'zegent je' vragen. Hier volgt zijn gebed: (het wordt onverhoeds afgebroken)
- We komme voor je aangezicht, Here, hoewel we nog minder zijn dan een stoffie an een immer en een druppie an de weegschaal, en wij in je heilige neusgate ligge te rotte en te stinke as nietswaardige schepseltjes...
- Hoewel we stof en as zijn, daal je toch nog van jerhege zitplaats af om ons bij tije en ogenblikkies een kruimeltje en een bewijssie van je genade te geve en ons te kome lere, dat wat van den hemel afdaalt, geen misschientjes zijn. Zo ook voor deuze zuster, Here, laat haar sterve voor den dood, en laat haar verstand krijge van het kermen, en dat ze mag zien, dat ze der eige der niet kin bringe, maar dat ze bij tijen en ogenblikkies door u op ter weggetje gebrocht mot worre...
Het wordt helemaal bar en boos als Klaas Geneuchelijk later een oogje op Miet krijgt. Een paar jaar na de dood van haar vader zegt Klaas tegen Miet:
- Je hebt je vader ok al weer een paar jaartjes geleje weggebrocht, zegt hij, terwijl hij dicht naast haar gaat staan bij het achterhek en met een grote zwaai zijn pruim tabak in het heldere water spuwt.
- Jaat. Miet wil hem voorbij lopen naar binnen.
- Jaat, en hij het niks gezeid, doet wel?
- Hij heeft een beroerte gehad! Een vreemde macht dwingt Miet te blijven staan en de man, die daar recht in haar ogen kijkt, te antwoorden.
- Hij had ok niks kinne zegge, snerpt de stem naast haar, hij had ok niks kinne zegge, hij had er geen deel an.
Hij altijd met die lichte liedjes op de monica. Hebben ze hier niet een keer gehoord, dat tie maar zong: "God heb ik lief... " en dat die jonges van Kruit meezonge en de kleine kindere van Verkaik ook. Dat heb ie, als ie ze naar een christelijke school stuurt, dan neme ze woorden op ter lippen waar ze der eigen dubbeld en dwars aan bezondige. Dat getier uwer liedere, komt de waarheid te zeggen. En as dan het potje vol is, dan doet het Opperwezen er het dekseltje op. Maar voor jou heb ik nog een hoop en een misschien. Hij legt zijn hand op de arm van Miet. Ze rilt bij de aanraking.
Kort daarna gaat Klaas voor in gebed.
Hij weet dat Miet in de buurt is en alles kan horen:
Eentonig dreunt de stem van Klaas Geneuchelijk.
- We onderwinden ons om tot je te komen, hoewel we van ons eigen niks niemendal hebbe dan een hoop vodden en todden om bij te brengen.
- En wij, die wurmpjes zijn, hebbe niet met al in te brenge, als dat we door je eeuwig welbehagen es gearresteerd benne geworden, en nou bij tijen en ogenblikkies een liettie op ons weggie moge komme te zien, als je ons weer met woretjes uit je lieve waarheid wil komme heiligen aan onze zielen. Zo heb je je dienstknecht, die nou tot je roept, bepaald bij de waarheid, dat je de jonge dochter, die hier als Martha bezig is met veel dienens... - Miet maakt een onwillekeurige beweging - nou tot een Maria zal laten worden. En dan heb je je knecht erbij bepaald dat deze maagd hem tot een echtvriendin zal worden, want toen hij vanmorgen uit zijn legerstede verrees, kreeg hij het versie van den psalmist waarin de koning komt te zingen, dat de echtvriendin zal bloeien... Miet ziet plotseling, dat Klaas Geneuchelijk tussen de kieren van zijn oogleden naar haar kijkt.
Hij weet dat ik hier sta, dien onterik, denkt ze.
- En Here, toen het uwe dienstknecht zijn kniegies geboge, en gevroege, of ie nog een tekentje wou geve, wie die echtvriendin mocht weze, want het is een stap, Here, een stap die een zondaar van zijn eige niet kin doen, zonder dat tie geleid wordt... en toen ik vanmiddag bij deze broeder en zuster was, en deze Martha het volkie zag dienen, toen heb je mijn bepaald dat deze een uitverkoren vat is.
Miet huivert ervan. Zulke praat doen, as je bidt! Dat is spotten, dat is gruwelijk spotten en hij doet het, omdat hij weet dat ik hier sta.
Het volgende fragment heeft niets meer met mijn eigenlijke onderwerp te maken, maar het is wel typerend voor de roman en te mooi om niet door te geven. Miet heeft een getemde otter; hij vangt vis en brengt haar die. Er is een band tussen hen als tussen een goede baas en zijn hond.
Vijandig zien haar ogen naar het oude zinnelijke mannegezicht. Ze kijkt naar de vis in haar hand.
Ik wou dat den otter hèm net zo beet, denkt ze verontwaardigd. Dit is een gruwelijke zonde en ik wil hem niet langer aanhoren. Haar hand grijpt de knop alom de deur dicht te doen. Ze ziet Klaas Geneuchelijk kijken, maar dat kan haar niet meer schelen. Dit is geen bidden, dat je niet storen mag, dit is gruwelijk spotten.
Zacht geplas klinkt naast haar en voordat ze de deur dicht kan trekken, schiet een lang bruin beest langs haar benen, vliegt de tafel op en z'n witte tanden flikkeren.
Een rauwe kreet van Geneuchelijk onderbreekt zijn zalvend spreken. Hij vloekt terwijl hij met beide handen naar zijn keel grijpt.
De oude otter glijdt langs de tafelpoot naar beneden, om dan met een vaartje tegen Miet op te kruipen en op haar schouders te springen, een plekje dat hij altijd opzoekt, wenneer er wat bijzonders aan de hand is.
Miet laat de vis vetten: Ze voelt meer dan ze ziet, wat er gebeurd is. Met de otter op haar schouder loopt ze de loopplank af.
- Je had gelijk hoor, beest, je had groot gelijk, jij zou een mins beschaamd make. Ik had tussebeie motte komme met die godslasterlijke praat en nou dee jij het, mompelt ze, terwijl ze de pen lostrekt. De otter vergeet zijn gewone plekje op de voorplecht, hij blijft op Miets schouder zitten, zijn kop diep in haar nekharen weggeduwd.
U ziet: dit is een boeiende roman, om meer dan één reden. Ook de wat oudere scholieren kan ik het boek aanbevelen.
Waarom zouden ze het niet op hun literatuurlijst zetten?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief