Het raadsel der leesbaarheid
1992-01-31
Sommige schrijvers schrijven zo goed dat hun onderwerp er niet toe doet. Het maakt ook niet zo veel uit of je het met ze eens bent of niet, je leest ze bij wijze van spreken met puur gastronomisch genoegen. Het is moeilijk om precies aan te geven waar hem dat precies in zit. Een interviewer vroeg eens aan Karel van het Reve waarom hij Willem Elsschot de beste Nederlands-talige schrijver vond. "Omdat hij zo goed schrijft", antwoordde hij. Onlangs is van Van het Reve een door de auteur samengestelde bloemlezing uitgekomen onder de titel 'Een grote bruine envelop'. In het voorwoord bij deze bundel schrijft hij onder meer: "Ik heb genomen wat ik zelf voor mijn beste, meest leesbare stukken houd". Leesbaarheid blijkt bij lezing van het boek inderdaad één van de meest in het oog springende kenmerken van.- Jaargang 36
- nummer 3
Van het Reves werk.
Chinese ambassade
Waar Van het Reve ook over schrijften hij schrijft over veel dingen - het is altijd helder, boeiend, leesbaar. Die leesbaarheid is zo overheersend in zijn werk, dat menige Van het Revebewonderaar na het lezen van diens 'Geschiedenis van de Russische literatuur' Dostojewski, Tolstoj en Tsjechow is gaan lezen. Eigenlijk is "leesbaar" niet helemaal het goede woord om aan te geven waar het hem bij Karel van het Reve eigenlijk in zit. Wellicht is 'overtuigingskracht' beter: je kunt bijna geen stuk van zijn hand lezen of je moet zeggen: hij heeft gelijk. Wanneer hij betoogt dat zwemmen bij eb niet gevaarlijker is dan bij vloed, duik je bij het laagst mogelijke water de zee in.
Wat staat er allemaal in deze bundel?
Het boek vormt een dwarsdoorsnede uit het essaytstlsche oeuvre van Van het Reve, 'hoewel enkele zaken en personen die in zijn werk nogal prominent aanwezig zijn in dit boek ondervertegenwoordigd zijn: Freud (Van het Reve is een groot tegenstander van 'de Weense kwakzalver') en Rusland (Van het Reve is slavist).
In één van de stukken, 'Eieren van de grote Roerganger', beschrijft hij een bezoek dat hij bracht aan de Chinese ambassade in Moskou. Van het Reve was in 1967/68 correspondent van Het Parool in Rusland. In de ambassade worden de journalisten vergast op een propagandistische show, die op Van het Reve een deprimerende invloed heeft. Er wordt een film vertoond waarin een jongeman door de partij naar het platteland wordt gestuurd "om te helpen een landbouwcommune tot nog hartverheffender bloei te brengen dan deze dank zij de Grote Landbouwer toch al bereikt heeft. ...Een zeer deprimerende film. Er komt geen menselijk gebaar, geen redelijk woord, geen sprankje zelfs van de meest platte sovjet-humor in voor.
Iedereen spreekt op agitatorische, boze toon, zoals iemand praat die in een rij voor zijn beurt gaat en daarop attent wordt gemaakt." Na het eten verlaat Van het Reve de ambassade.
"Onder invloed van het genotene sla ik meteen linksaf, en een motoragent houdt mij na vijftig meter tegen. "Je rijdt tegen de stroom in!" roept hij verontwaardigd, maar met een gelaatsuitdrukking die mij na de film treft door zijn diepe menselijkheid. Ik bied hem mijn verontschuldigingen aan. Hij kijkt even naar mij, naar de ambassade op de achtergrónd, en dan maakt hij een moedeloos handgebaar. "Afijn, rij maar door", zegt hij, Het komt niet in hem op om Marx, Engels, Lenin of welke Roerganger dan ook te citeren, en ik besef hoe gelukkig ik mij mag prijzen dat ik in Moskou woon en niet in Peking."
Vleugels
Van het Reve heeft een zekere vermaardheid gekregen als bestrijder van de evolutietheorie en de literatuurwetenschap.
Onder de titel 'Een dag uit het leven van oe Reuzenkoeskoes' deed hij in 1977 een zeer vermakelijke en zeer overtuigende aanval op de evolutietheorie. In die theorie verbaast hem onder meer de bewering dat alle mutaties ontstaan zijn, doordat ze de soort voordeel verschaften. "Als de vogels ontstaan zijn omdat die vleugels voordeel verschaften, hoe komt het dan dat de beesten zonder veugels zijn blijven bestaan? Wat was dan het voordeel van die vleugels? Bij die vleugels komt trouwens de eerste vraag ook weer terug, de vraag van de giftand (nl.: wat voor nut hebben de tusaenllqqende stadia van de giftand voor een slang, de stadia die liggen tussen de gewone tand en giftand A.B.): goed, die vleugels bieden voordeel want je kunt ermee vliegen, en dat is een handige wijze van verplaatsen.
Maar voordat die vleugels vleugels waren, wat toen? Die vleugels, leert men ons, zijn niet ineens ontstaan, maar geleidelijk. Maar wat moet je met nog niet volgroeide vleugels, waar je niet mee vliegen kunt?
Fladderen? Zwemmen? Zwaaien naar kennissen?"
In de literatuurwetenschap zijn het de onleesbaarheid van de stukken der wetenschappers en het zich druk maken over zaken die volstrekt niet interessant zijn. Zo zijn ze uitvoerig bezig het begrip 'structuur' de definiëren.
Van het Reve in 'Het raadsel der onleesbaarheid': Chemici hebben heel leuke dingen over suiker gevonden en de natuurkundigen zijn heel wat over het atoom te weten gekomen zonder zich ook maar een moment druk te maken over de vraag wat nu eigenlijk structuur is. Literatuurwetenschappers weten dit niet of willen het niet weten.
"Zij moeten, voelen ze heel duidelijk, een definitie van structuur hebben. En dan krijg je bloedstollende, tot grote schaamte bij de lezer leidende definities als bijvoorbeeld deze: 'Structuur is de manier waarop in een literair werk een wereld wordt opgebouwd door middel van taaltekens'. Men lette op die wereld en die taaltekens: hun maskerende functie is duidelijk: laat je ze weg, dan blijft er over dat structuur de manier is waarop iets in elkaar zit."
Dit soort citaten uit de werken der literatuurwetenschappers vormen de enige slechte alinea's in 'Een grote bruine envelop'. Het citaat maakt trouwens meteen duidelijk waar Van het Reve een hekel aan heeft: onduidelijke schrijverij en het verschijnsel dat mensen iets anders schrijven of zeggen dan zij bedoelen. Hij schrijft daarover onder meer: "Heeft men werkelijk iets te zeggen, heeft men werkelijk een ontdekking gedaan, dan treedt die ontdekking markanter naar voren naarmate men hem eenvoudiger, begrijpelijker, simpeler formuleert. Heeft men echter niets te zeggen, heeft men eigenlijk niets ontdekt, doet men eigenlijk niets meer dan open deuren intrappen, dan werkt eenvoud juist schadelijk: in al zijn armoede staat de auteur dan voor ons."
Interpreteren
Uit zijn aversie tegen het zoeken naar 'bedoelingen' komt ook zijn afkeer van Freud voort. Iedere vorm van interpretatie van menselijk gedrag of van literatuur is hem een gruwel. Met name het zoeken naar de bedoeling van schrijvers en dichters is zinloos: als de schrijver iets met zijn werk bedoelde, waarom heeft hij dat niet meteen gezegd, waarom die omweg van het kunstwerk, als dat kunstwerk later weer geïnterpreteerd moet worden?
Op 'Het raadsel der onleesbaarheid' kwamen veel verdrietige reacties van miskende literatuurvorsers. Van het Reve reageerde met een stuk dat de voor hem kenmerkende titel 'Wat waren ze kwaad' draagt.
Bij het bespreken van een boek als 'Een grote bruine envelop' moet je aan een zeer sterke neiging tot veelvuldig citeren weerstand bieden. Dat is een goed teken. De ene zin is nog mooier dan de andere, het ene stuk nog overtuigender dan het andere. Wel zal menige lezer zijn wenkbrauwen fronsen bij het lezen van het stuk dat Van het Reve schreef over de godsdienst.
Als ongelovige - hij werd in een communistisch milieu grootgebrachtloopt hij wat het christelijk geloof betreft vast op het spanningsveld tussen Gods almacht en Gods goedheid. Die twee zijn volgens Van het Reve niet met elkaar te verzoenen. Hij snijdt in zijn stuk een probleem aan waar ook veel christenen mee worstelen, al is zijn toon opstandiger dan die een gelovige zou gebruiken. Hij verwoordt zijn twijfels en weerzin echter op een heel eerlijke en open manier. Toch moet je bij zijn beschrijving van het geloof denken aan de beschrijving van het licht door iemand die zijn hele leven in een donkere kast heeft vertoefd: zoals die het licht alleen van horen zeggen kent, zo beschouwt Van het Reve het geloof louter van de buitenkant en heeft hij er geen deel aan.
In dit boek kan men verder stukken aantreffen over de historica Annie Romein-Verschoor, de Russische schrijver Vladimir Nabokov, een zeer heldere verhandeling over de teloorgang van het communisme in Oost-Europa (in 'De ondergang van het Morgenland') en een ontroerend stuk over zijn eigen dood dat als volgt eindigt: "Wonderlijk is, dat na mijn dood ook mijn herinneringen verdwijnen. Bij ons thuis kwam in de jaren dertig een Komintern-agent, Karl genaamd, een Duitser. Het was een aardige man. Hij sprak altijd heel zachtjes en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?"
Karel van het Reve, Een grote bruine envelop, Uitgeverij Van Oorschot, f 19,90.