Ex Libris

1992-01-31
  • Jaargang 36
  • nummer 3
Bloknoot
BLOKNOOT is de naam van een nieuw christelijk literair tijdschrift. Volgens het voorwoord wil het drie dingen: literair werk van christen-auteurs publiceren, zich bezig houden met literair werk van christen-auteurs uit heden en verleden, en tenslotte wil het literatuur benaderen vanuit christelijk perspectief. Nu hebben we al enkele jaren een blad dat precies hetzelfde beoogt, namelijk Woordwerk. Biedt dit nieuwe tijdschrift iets dat Woordwerk niet heeft?
Bloknoot heeft maar één redacteur: Dirk Zwart. Het eerste nummer telt 60 bladzijden en daarvan zijn 48 door Zwart gevuld. Dat lijkt me geen gezonde zaak. Zwart heeft problemen gehad met De Reformatie en in vijf bladzijden geeft hij daarvan verslag.
Wie zat daar nou op te wachten? Verder zijn 19 bladzijden gevuld met correspondentie tussen Jan. H. Eekhout en Gerrit Kamphuis. Afgezien van de vraag of iemand als Eekhout zo veel aandacht verdient, betwijfel ik het dat zoiets in een tijdschrift op zijn plaats is.
De meest waardevolle bijdrage in Bloknoot is van Jac. Schaeffer die het werk van Dirk Ayelt Kooiman bespreekt.
Zeer beslist de moeite van het lezen waard.
Er staan ook gedichten in dit nummer.
Het eerste is van Henk Knol en het begint zó: Ze mijdt de pislucht: voorsmaak van de hel... Nou ja, modern is het wel, maar ik heb kennelijk wat ouderwetse opvattingen over taalgebruik in poëzie. Hans Barendregt publiceert: Vier gedichten over het beeld Gods in de mens. Van Marco Molenaar zijn vier gedichten opgenomen onder de titel: Mensenkind. De kwaliteit van die laatste vier is zodanig dat ze geen aanleiding geven het blad dáárom aan te bevelen.
Dat geldt ook voor de wat studentikoze en niet altijd vlekkeloze stijl van Dirk Zwart. Neem nou de volgende zin: "Het heeft Trouw in haar oneindige goedheid behaagd enige aandacht te schenken aan christelijke literatuur".
Kortom: wat aan goeds in Bloknoot staat, had vermoedelijk ook wel een plaats in Woordwerk kunnen krijgen. Dit eerste nummer bewijst niet dat het noodzakelijk is dat er nóg een christelijk literair tijdschrift op de markt komt.

De deur gaat open
Negen geschreven kinderportretten door Ettie Huizing. De schrijfster is als remedial teacher werkzaam in het basisonderwijs en in dit.boek vertelt ze over haar ervaringen met kinderen. Prettig leesbare lectuur waaruit liefde voor het kind blijkt. Laat ik een fragment overnemen: Ik geef Wim papier en viltstiften en vraag hem een tekening te maken. Ondertussen ga ik even naar de gang. Als ik terugkom, is hij verdwenen. Nergens te zien, maar wél te horen. Want stil zitten kan hij niet, er beweegt altijd wel iets aan hem en dat hoor je. Ik ontdek hem dan ook al snel, onder de tafel.
Maar wat te doen? Want is hij weggekropen uit angst of uit speelsheid? Hij zal uit zichzelf tevoorschijn moeten komen, want ik ken hem nog niet goed. Dus speel ik het oude spelletje: zoeken in de gootsteen, in de kast, achter het gordijn, in de koffiepot. Ik hoor duidelijk gegiechel onder de tafel, maar hij laat zich niet kennen. Tenslotte mompel ik hardop: "Nou, dan mag Marcel eerst". Ik loop naar de deur - en hij schiet tevoorschijn, werkelijk geschrokken. Hij stoot zijn kop aan de tafelrand, maar hij merkt het niet eens. Heel hard roept hij: "Ik bén er wel, hoor". Als we weer aan de tafel zitten, hervat ik mijn interview. Ik vraag of hij een broertje heeft. Jazeker, die heeft hij. Het blijkt dat hij en zijn broertje bevriend zijn met elkaar. Als ik hem vraag of hij nog een ander vriendje heeft, vertelt hij ook daarover honderduit.
Als ik vraag naar hun tuin, vertelt hij omstandig hoe die eruit ziet: een tuin met een heel grote vijver. Met wel honderd vissen erin; maar nou kun je niet meer spelen in de tuin. Zijn wijze van vertellen doet vermoeden dat veel dingen hem bovenmate verbazen, zijn stem slaat af en toe wat over. Tenslotte zeg ik: "Jij hebt zo veel over jezelf verteld. Zal ik jou nu ook wat over mezelf vertellen?"
Hij kijkt langs me heen naar buiten, met een uitdrukking op zijn gezicht alsof ook dit voorstel hem zeer verbaast. Dan zegt hij, alsof hij er lang over nadenkt, het echt overweegt: "Neueueueu..." hij rekt het woord als kauwgom, "neueueueu... doe dát maar niet."

Uitgever: J.H.Kok, Kampen. Omvang: 102 bladzijden. Prijs: f 20,75.

De Mérode en de jongen.
De Mérode en de jongens werd geschreven door Hans Werkman. Het is een aanvulling op zijn biografie: De wereld van Willem de Mérode, verschenen in 1983. Dit nieuwe boek biedt zowel méér als minder dan de titel doet vermoeden.
We worden bij voorbeeld uitvoerig geïnformeerd over een voor De Mérode heel belangrijke uitgave: Ganymedes, door Werkman betiteld als 'het knapenminnaarsboek', en verder lezen we veel over diverse personen die in het leven van De Mérode een rol hebben gespeeld; de schrijfster Wilma is van hen wel de belangrijkste. Maar wie denkt dat we allerlei details te horen krijgen over de verhouding tussen de dichter en jongens en met name over wat tegenwoordig 'ongewenste intimiteiten' heet, die vindt daarvan niets in dit boek. En terecht! Als ik de instelling van De Mérode met enkele woorden mag typeren, dan spreek ik eerder van geestelijke, platonische liefde dan van erotiek.
Wel is er één jaartal dat het leven van de onderwijzer Willem Eduard Keuning (=Willem de Mérode) in sterke mate heeft bepaald: 1924. Dat was het jaar waarin hij werd gearresteerd en tot acht maanden gevangenisstraf werd veroordeeld wegens sexueel contact met een minderjarige jongen. Maar dat is dan ook de enige keer geweest dat hij in deze fout verviel en een predikant die hem bezocht, verbaasde zich over deze zware straf: "Dan kunnen ze half Nederland wel opsluiten". Toch heeft deze gebeurtenis hem steeds achtervolqd; als hij zelf het verleden al op een bepaalde manier had verwerkt, dan werd het wel weer opgerakeld door mensen die het niet vergeten waren.
Werkman vertelt ons van alles over mensen die het levenspad van De Mérode hebben gekruist, ook over de jongens die zijn bijzondere belangstelling hadden. Hij doet dat aan de hand van gedichten, brieven en gevoerde gesprekken.
Zo krijgen we enigszins een beeld van de méns Keuning. Toch blijft hij voor mij een wat ongrijpbare figuur.
De oordelen zijn nogal uiteenlopend: hij wordt beschreven als een aimabel persoon, maar ook als 'een leuterend oud wijf'. Het eerste overheerst evenwel, de meeste mensen die Keuning hebben gekend, spreken in gunstige zin over hem. Maar... móet dat nou, zo'n boek?
Eén van degenen die De Mérode gekend hebben, zei tegen Werkman: "Waarom heb jij toch zo'n boek over meester Keuning geschreven? Ik stond vanmiddag aan zijn graf, alles kwam weer boven en ik dacht: Je moest eens weten dat ze zó'n boek over je geschreven hebben. Hij zou dit vreselijk gevonden hebben. De zonde moet bedekt worden. Begrijp je wel hoe verschrikkelijk het voor hem geweest is, wat er gebeurd is? Wij waren er allemaal kapot van, in één woord kapot. Je weet niet hoe erg het voor hem was dat hij er niet meer tegen op kon. En dan de gevangenis.
Waarom haal je dat allemaal op? Je mag de zonde niet openbaren." Ik heb begrip voor zo'n reactie en Werkman kennelijk ook. Toch heeft hij gemeend deze boeken te moeten schrijven. En ik moet zeggen dat hij kies en met het vereiste respect te werk is gegaan.
Werkman brengt ons in contact met een mens die wist dat hij aan bepaalde natuurlijke neigingen niet mocht toegeven en die ernaar gestreefd heeft als dichter te verwoorden wat zijn leven vervulde.
Een mens die ook christen was en die wist waar hij met zijn fouten en zijn schuld naar toe moest. Lezers die belangstelling hebben voor het dichtwerk van De Mérode en voor de mens die daarachter zat, kan ik dit boek van harte aanbevelen.

Uitgever: de Prom, Baarn. Omvang: 320 bladzijden. Prijs f 35,-.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief