Nog eens: werkdruk van predikanten (1)
1992-02-14
Bijna een jaar geleden werd in 'Opbouw' uitgebreid aandacht besteed aan een publikatie over de werkdruk van predikanten en de gevolgen die deze druk kan hebben voor het gezin van de predikant(1). Naar aanleiding van deze boekbespreking werd de vraag gesteld of er niet nóg eens aandacht aan dit onderwerp besteed zou kunnen worden. Het bleek moeilijk om daar een goede invulling aan te geven. Twee recente artikelen in het Nederlands Dagblad vormden echter een goede aanleiding om toch nog eens een poging te wagen(2).- Jaargang 36
- nummer 4
Hopeloos?
Er kleeft een ernstig bezwaar aan artikelen die eenzijdig de nadruk leggen op de zwaarte van een bepaald beroep. Mensen kunnen elkaar de put in praten. Dan wordt het ambt van predikant (of ouderling) een onmogelijk ambt, waar je maar beter voor weg kunt lopen. Op die manier ontstaat een vicieuze cirkel, waarbij niemand meer naar oplossingen zoekt.
Wanneer we in 'Opbouw' aandacht besteden aan dit onderwerp, is de bedoeling niet om elkaar de put in te praten. Dankbaarheid voor de grote inzet van de predikanten die God aan onze kerken heeft gegeven, moet samengaan met de zorg voor de predikant en zijn gezin, zodat ze hun werk met vreugde kunnen (blijven) doen.
De inhoud van dit artikel is voor een deel gebaseerd op vraaggesprekken met predikanten. Wel moet worden opgemerkt dat de gesignaleerde knelpunten niet alleen voor predikanten gelden, maar soms ook voor andere ambtsdragers en beroepsgroepen(3).
Er wordt in deze bijdragen niet geprobeerd om tot pasklare oplossingen te komen. Het is vooral van belang om attent te zijn op de mogelijke knelpunten.
Dit eerste artikel gaat vooral in op het pastoraat.
Overspannen
Het eerste artikel in de Variant is van de hand van J.E. van Delden. Hij begint met het verontrustende bericht dat er binnen de vrijgemaakt-gereformeerde kerken ongeveer 30 predikanten oververmoeid, depressief of overspannen zouden zijn (13%). Het was al duidelijk, maar ook uit dit bericht komt het weer eens naar voren: het leven van een predikantsgezin is niet alleen rozegeur en maneschijn. Van Delden (organisatiedeskundige) "hoopt met zijn bijdrage een diskussie los te maken over de vraag of dat, wat we als gemeente van onze predikant vragen of eisen, ook inderdaad gevraagd mag worden".
Werkbelasting
Van Delden probeert een objektieve vorm te vinden om de werkbelasting van predikanten te meten. Hij doet dit aan de hand van:
- het aantal werkuren (60 tot 70 uur per week)
- de aard van het werk (je kunt niet op je routine draaien; een preek, een huisbezoek: iedere keer weer moet je je opnieuw instellen)
- de intensiteit van het werk (het komt erg precies)
- de geladenheid van het werk (Gods Woord moet gebracht worden)
- afbreukrisiko (de woorden én de fouten van een predikant worden op een goudschaaltje gewogen en kunnen ernstige gevolgen hebben)
- diversiteit (een predikant moet van alle markten thuis zijn: huisbezoek, catechisatie, vergadering voorzitten, preek maken, in konflikten bemiddelen)
- er is weinig gelegenheid om ongestoord te werken de spreiding van werkdagen (er is niet zelden sprake van een 7-daagse werkweek).
Op grond van deze gegevens komt Van Delden tot de konklusie dat de predikant een bijzonder zwaar beroep heeft. Zijn beroep kan gemakkelijk worden vergeleken met de zwaarste andere beroepen in de samenleving.
Van Delden schrijft over de vrijgemaakt-gereformeerde kerken; er is weinig reden om aan te nemen dat de situatie in onze kerken rooskleuriger zou zijn.
Persoonlijke ervaringen
In de Variant van 25 januari wordt aan de hand van vraaggesprekken met predikanten een beeld van de praktijksituatie geschetst. Het wordt 'een voorproefje op eventueel nader onderzoek' genoemd. De auteur van het eerder in 'Opbouw' besproken boekje (Prof.dr. W.H. Velema) geeft tussen de interviews door kommentaar.
In de vraaggesprekken komt naar voren hoe sterk maatschappelijke veranderingen doorwerken in het werk van de predikant. Een predikant in het N.D.: "Het is nog niet eens zo lang geleden dat we nooit een geval van echtscheiding meemaakten. Nu hebben we soms met verschillende gevallen te maken. Het is héél erg arbeidsintensief. Je voelt je soms net een maatschappelijk werker".
Bumout
Er zijn tegenwoordig kursussen voor hulpverleners om te leren omgaan met hun werkdruk. Daarbij gaat het o.a. om het op tijd herkennen van signalen wanneer men eigen grenzen overschrijdt.
Wanneer moet je 'nee' zeggen tegen een cliënt die 's avonds laat op de stoep staat? Moet je je schuldig voelen wanneer een patiënt helemaal vast loopt? Moet je iedereen kunnen helpen?
Een groot aantal hulpverleners loopt vast. In de jeugdhulpverlening is dit een berucht verschijnsel. Jonge mensen die vol idealisme aan hun werk beginnen, zich de persoonlijke problemen van de jongeren sterk aantrekken en die al na enkele jaren niet meer verder lijken te kunnen: de rek is eruit.
In de gezondheidszorg noemt men dit burn out ('opgebrand'). Men ziet het inmiddels als een beroepsrisiko. Ook het onderwijs kent dit probleem in toenemende mate.
Een predikant is dus niet de enige. Wél denk ik dat de spanningsvelden voor een predikant groter kunnen zijn dan voor de 'gemiddelde hulpverlener'. In het vervolg van deze bijdrage komen deze aspekten nog eens nader aan de orde.
Pastoraat
Voor veel predikanten vormt het pastoraat een zware belasting. Preken zijn op een bepaald moment 'af', van bezoeken aan individuele gemeenteleden heb je zelden de indruk dat ze afgerond zijn. Bovendien zijn er altijd adressen waar je niet aan toekomt.
Het lijkt er ook op dat in onze tijd de relatie- en/of psychtsche problemen van individuele gemeenteleden gemakkelijker dan vroeger op het bordje van kerkeraad en vooral predikant terecht komen.
Dat laatste is niet alleen maar negatief.
Feitelijk gezien moet er helaas gekonstateerd worden dat er veel probleemsituaties zijn. Dat in die situaties kontakt gezocht wordt met ambtsdragers betekent echter ook dat men van de christelijke gemeente een positieve rol verwacht. Het zou niet best zijn als gemeenteleden met problemen alleen maar naar de huisarts of de psychiater zouden stappen en de ambtsdragers oversloegen.
Als één lid lijdt...
Toch moeten we ons wel realiseren dat het goed begeleiden van huwelijksproblemen, van depressieve mensen, van jongeren die vastlopen, veel energie vraagt van de gesprekspartners.
Dat geldt des te sterker als de relatie 'dichtbij' is (problemen in het eigen gezin raken iemand uiteraard veel sterker dan problemen in een situatie-op-afstand). Het complexe in de relatie van ambtsdrager tot gemeentelid is, dat hier m.i. toch eerder sprake is van een emotionele lading.
We spreken niet voor niets van 'broeders en zusters'. Als één lid lijdt, lijden de andere leden ook. Een predikant is dan ook meer emotioneel betrokken bij problemen in zijn gemeente, dan de 'gemiddelde' therapeut in de 'gemiddelde' werksituatie. Dit is een verzwarende faktor in het werk.
Grenzen in de tijd
Het is voor een predikant (een ouderling, een diaken) van belang om duidelijk te zijn ten aanzien van de vraag waar zijn grenzen liggen. Die grenzen liggen in o.a. de tijd (je hebt niet alle tijd van de wereld). Een predikant vertelde dat hij 's nachts niet kon slapen na intensieve gesprekken op de avond; hij verwees zijn gemeenteleden bij voorkeur naar de vroege ochtend.
Toch blijkt het in de praktijk moeilijk te zijn om die grens duidelijk aan te geven.
Een therapeut zegt na 3 kwartier dat de tijd om is, dat is voor ambtsdragers bepaald niet gebruikelijk. Misschien moeten we zeggen: gelukkig niet. Toch is het belangrijk om hier eigen grenzen in de gaten te houden.
Vaak kunnen overigens korte, meer frekwente, bezoeken veel heilzamer werken dan af en toe een lang bezoek.
Eigen (on-)mogelijkheden
Grenzen zijn er ook ten aanzien van de eigen mogelijkheden. De één heeft minder moeite met intensieve gesprekken en vindt die gesprekken zelfs een stimulerend deel van het werk.
Een ander heeft veel moeite met die gesprekken, gaat als het ware met lood in de schoenen op een adres af.
Het kan samenhangen met iemands sterke en zwakke punten, maar ook met 'gevoeligheden' (bv. kwetsbare momenten uit de eigen voorgeschiedenis).
Een gemeente mag niet van de predikant verwachten dat hij zondermeer in staat is in allerlei situaties goed te kunnen funktioneren. Een gemeente mag zeker niet van een ambtsdrager verwachten dat hij de psychiater of de psycholoog wel even kan vervangen.
Hoe de grens precies ligt, kan hier onmogelijk worden aangegeven. We zijn het er doorgaans over eens dat een predikant zich in principe op geestelijke zaken moet richten. In de praktijk valt het onderscheid tussen geestelijke en andere aspekten van het leven vaak maar moeilijk te maken. De grens tussen het werk van een predikant en (bv.) psycholoog is lang niet altijd duidelijk. Het is dan ook geen wonder dat de inhoud van gesprekken in individuele situaties sterk kan verschillen.
Doorverwijzen?
Het blijkt in de praktijk voor ambtsdragers vaak moeilijk 'door te verwijzen'.
Daar waar de arts deel uitmaakt van een circuit (arts --> specialist) is de overgang van ambtsdrager naar 'specialist' veel minder vloeiend. Daarom durven ambtsdragers ook minder snel te zeggen dat een bepaald gesprek buiten hun mogelijkheden ligt. Wanneer een bepaald kontakt geruime tijd 'loopt', wordt het soms nóg moeilijker om te zeggen dat de grenzen van de eigen mogelijkheden bereikt zijn.
Daar komt nog bij dat sommige gemeenteleden hun problemen alleen maar willen bespreken met (bv.) hun predikant. Als een gemeentelid niet doorverwezen wil worden, wat moet je dan als predikant of als ouderling? Hij komt dan in een 'klempositie'. De problemen kunnen zijn mogelijkheden te boven gaan, zonder dat het mogelijk is een ander in te schakelen. Tegelijkertijd durf je je ook niet terug te trekken: je voelt je immers verantwoordelijk?
Het pastoraat in moeilijke situaties kan dus een ingewikkeld appèl doen op ambtsdragers. Aan de ene kant ben je blij als mensen op zoek gaan naar steun binnen de christelijke gemeente.
Het moet ook niet zo zijn dat mensen hun zorgen maar inslikken omdat een predikant of een ouderling het toch al zo druk heeft. Aan de andere kant blijkt dat het pastoraat juist een erg zwaar aspekt vormt van het werk voor veel ambtsdragers.
Hulp van derden
Een oplossing op het grensvlak tussen de verschillende disciplines is niet direkt voorhanden. Sommigen denken in de richting van 'specialisatie'. Zo zijn er binnen sommige (vooral evangelische) plaatselijke kerkelijke gemeenschappen (in de VS, maar ook in Nederland) professionele hulpverleners aktief, die op het gebied van pastoraat en diakonaat dichtbij huis aktief ingezet kunnen worden. Het voordeel is, dat je gespecialiseerde christelijke hulpverlening snel 'bij de hand' hebt.
Hulp 'op afstand' roept immers vaak eerder (niet altijd!) een drempel op; bovendien is er niet zelden sprake van een wachtlijst. Vrij akute problemen moeten regelmatig nog een tijdje blijven liggen. En dan gaat de ambtsdrager zelf maar weer aan de slag...
In sommige situaties kan een ambtsdrager 'rugdekking' vragen van een gespecialiseerde instelling of therapeut.
De predikanten die op deze wijze (samen) hebben gewerkt, hebben hier positieve ervaringen mee. Het is ook een goede 'zet'. Een buitenstaander ziet vaak andere aspekten, die mensen door hun betrokkenheid bij een bepaalde problematiek over het hoofd dreigen te zien. Dit is dus geen kwestie van ondeskundigheid: het is een verstandige handelwijze. Ook een specialist vraagt immers regelmatig aan een ander om een bepaalde behandeling te toetsen (second opinion).
Samenvattend
Het pastoraat vormt een belangrijk deel van het werk van predikanten.
Wanneer er sprake is van ingewikkelde problematiek, is het van groot belang dat de predikant zijn eigen grenzen in de gaten houdt. Sommige zaken kunnen zoveel energie vragen of zo belastend zijn, dat het beter is om een grens proberen te stellen óf om gedeelten van het werk samen met een ander te doen. Daarbij komen vragen aan de orde als: "Kan ik het werk zélf aan? Kost een probleem niet zoveel tijd dat andere belangrijke zaken er erg onder gaan lijden (inklusief het gezin). Overschrijdt de problematiek niet teveel mijn eigen 'deskundigheid'?
Kan ik niet beter proberen door te verwijzen?" Het zijn vragen die zeker gesteld moeten worden. Een ambtsdrager moet ook proberen om in dit verband zijn eigen grenzen duidelijk te maken aan een gemeentelid.
Wat de gemeente betreft: aan de ene kant mag gehoopt worden dat de stap naar een ambtsdrager een 'lage drempel' heeft. Aan de andere kant zullen gemeenteleden met de grenzen van predikant of ouderling rekening moeten houden.
1 Opbouw, 1991/5 n.a.v. Prof. W.H. Velema: De pastorie, huis van de gemeente?
2 Nederlands Dagblad/Variant, 18 en 25 januari 1992
3 Zie ook ingezonden in het Nederlands Dagblad van 31 januari 1992 en 1 februari 1992