Confessie en theologie
1992-02-14
1. Relativiteit en relativisme- Jaargang 36
- nummer 4
In Opbouw van 27 september las ik in het verslag van de laatste zitting der Landelijke Vergadering dat er binnen onze kerken klachten zijn over of vrees voor het relativeren van onze belijdenisgeschriften.
Daarover heb ik mij een beetje verwonderd, maar ook weer niet teveel.
Eerst iets over dat beetje verwondering.
Van jongs af heb ik in de gereformeerde sfeer gehoord over en geleefd bij de relativiteit van de genoemde geschriften. 'Relatief' betekent immers dat ze niet op zichzelf staan, maar gerelateerd zijn aan... in dit geval de Schrift. Ook gerelateerd aan de kerk.
Belijdenisgeschriften zijn geen persoonlijke documenten, maar eigendommen van de christelijke kerken die er hun geloof in verwoorden. Hun geloof in Gods Woord. Belijdenisgeschriften zijn dan ook niet gelijk te stellen aan de Schrift, (vgl. art. 7 Ned. Gel. Bel.), zij zijn daaraan 'appellabel'. Zij kunnen door de kerken eventueel gewijzigd worden, als die wijzigingen in bepaalde gevallen een betere vertolking zouden zijn van de waarheid der Schrift. Vandaar dat beetje verwondering over dat bericht in Opbouw. Maar wellicht is dit slechts een woordenkwestie. Mogelijk heeft men 'relativeren' per ongeluk vereenzelvigd met relatiVISME.
2. Traditionele vrees
Zoals gezegd: mijn verwondering was beperkt. Want de genoemde vrees voor relativisme t.a.v. de belijdenisgeschriften heeft ook wortels in een hele lange kerkelijke en theologische traditie. Met deze traditie en haar onhoudbaarheid hebben wij in onze orthodoxe kerken van de Gereformeerde Gezindte steeds meer te maken en naar mijn overtuiging zal dat nog toenemen. Men kan uit vrees voor onenigheid of zelfs voor scheuringen wel weigeren hierover na te denken, maar de tijd staat niet stil en het kerkelijk en theologisch leven ook niet. We krijgen er m.i. onherroepelijk mee te maken, al of niet op korte termijn, al of niet voldoende voorbereid.
3. Vereenzelviging
Provisorisch zou ik de bedoelde traditie willen aanduiden met een gemakkelijk te hanteren sleutelwoord, nl. VEREENZELVIGING, zo u wilt: identificatie. In onze kerkelijke en theologische geschiedenis hebben we talloze malen te doen gehad met verschillende onverantwoorde vereenzelvigingen, waarvan de twee belangrijkste zijn 1. de vereenzelviging van menselijk woord en Gods Woord, en 2. de vereenzelviging van geloof en theologie. Over beide wat nadere overwegingen.
4. Gods Woord en menselijke woorden
Het lijkt voor christenen een vanzelfsprekende zaak: Gods Woord en mensenwoorden zijn totaal verschillend, zelfs al is er zakelijk volkomen overeenstemming.
Gods Woord is en blijft van God, mensenwoorden, ook al zijn ze in overeenstemming met Gods Woord, zijn en blijven mensenwoorden, ingebed in het tevenstotaal van die mensen. We weten alleen dat die beide in de Bijbel op een unieke en ook ondoorgrondelijke wijze met elkaar vervlochten zijn. Verder spreken we onder ons ook over de kerkelijke prediking als de verkondiging van Gods Woord.
Maar in die verkondiging zijn die twee dan weer met elkaar verbonden. Een preek IS niet Gods eigen Woord, maar verkondigt Gods Woord. Zij betuigt en vertolkt het. Zo proberen we Gods Woord en menselijk woord uit elkaar te houden. Wanneer we vanwege de verbinding van die twee in de Heilige Schrift en in de prediking, in het practisch spraakgebruik beide wel met dezelfde naam noemen (Gods Woord), bedoelen we dat toch niet in de theoretische zin van identificatie. We spreken ons dan immers juist niet uit over de aard van beide, maar over hun concrete inhoud en hun praktische waarde.
Uitdrukkelijk naar de aard ervan gevraagd, zeggen we: nee, Gods Woord is geen mensenwoord en menselijk woord is niet goddelijk. Het verschil is vergelijkbaar met het verschil tussen een 'schat' en een aarden 'vat'.
Lang niet alles wat de dominee zegt in een preek is Gods Woord. In de Schrift en in de prediking zijn beide echter zozeer met elkaar verbonden, dat we soms, in practische, en niet in abstracte theoretische zin, de preek terecht Gods Woord noemen. Deze spreekwijze passen we ook toe op het woord van een menselijke profeet, apostel of andere bijbelschrijver. Dat doet de Schrift zelf ook (vgl. bv. I Thess. 2:13).
We kunnen het ook nog anders uitdrukken.
Theologisch gesproken zijn Gods Woord en het menselijk woord (van bijbelschrijvers en predikers) niet te vereenzelvigen. Practisch gesproken wel, zij het weer niet op dezelfde manier bij bijbelschrijvers en predikanten.
Maar het verschil tussen Gods Woord in de Schrift en in de prediking moge nog even blijven rusten, om de zaak waarom het gaat, niet nu al gecompliceerd te maken.
5. Schriftbeschouwing en bijbeltheorie
Het zal duidelijk zijn dat reeds deze eenvoudige inleidende beschouwing consequenties moet hebben voor de theologische theorie over de H. Schrift.
'De Schriftleer'of de 'schriftbeschouwing' zeggen we dan meestal. Ons spraakgebruik is hierin echter dubbelzinnig en ongenuanceerd, maar dat is normaal. In de practische omgangstaal in ons geestelijk leven kan dat. In ons alledaagse spreken zijn lang niet al onze woorden in overeenstemming met wetenschappelijke definities ervan. Dat zou onze omgangstaal haast onmogelijk maken, en onuitstaanbaar. Maar ook hier geldt: als wij theologisch, d.w.z. op wetenschappelijke wijze, ons correct willen uitdrukken, dan is het beter de term 'leer der H. Schrift', of de term 'schriftbeschouwing' voor alle duidelijkheid te vermijden en te vervangen door 'bijbeltheorie', 'theorie over de Schrift', of iets dergelijks.
6. Leer en theorie
Ook het bijbelse woord 'leer' heeft in ons moderne spraakgebruik de mogelijkheid om twee verschillende zaken uit te drukken, nl. een praktische samenvattende, min of meer systematische uiteenzetting van wat de Schrift ons 'leert', maar 'leer' kan in ons moderne spraakgebruik ook betekenen 'theorie'.
Deze betekenis is aan de Schrift nog vrijwel vreemd. Wetenschappelijktheoretisch spreken was in de tijd van de bijbelschrijvers al wel enige eeuwen in de Griekse cultuur aanwezig, maar lag toch geheel buiten de gewoonte en bedoelingen van bijv. Paulus. Zijn taal was geen theoretische vaktaal, maar het zgn. koinè Grieks, de dagelijkse omgangstaal van de gewone burger.
Het spreken over 'de theologie van Paulus', of van bijv. Johannes, berust dan ook op een wijsgerig beïnvloed en niet te verantwoorden taalgebruik, waarin de bijbelse 'leer' vereenzelvigd wordt met een theologische theorie.
Dat komt eigenlijk, maar natuurlijk onbedoeld, neer op het vermenselijken van Gods Woord of het vergoddelijken van menselijke woorden.
7.Bijbelgeloof en bijbeltheorie
Wanneer we dus spreken over 'bijbeltheorie' dan weten we tenminste dat we op dat moment uitdrukkelijk niet bedoelen ons geloof te belijden dat de Schrift Gods Woord is, maar dat we dan op het oog hebben het product van de theologische nadere analyse van en bezinning op die geloofsuitspraak. Een product dat een resultaat is van menselijk theoretisch denken en onderzoeken.
Om een voorbeeld te noemen: elk groter handboek voor de dogmatiek zal ons leren dat er meerdere, onderling verschillende, theorieën zijn over de goddelijke inspiratie van de Schrift. Ook binnen de orthodoxie is daarover veel gestreden, zoals goed opgeleide theologen wel weten.
Hierop doelde ik ook, toen ik zei dat dit alles consequenties heeft voor de bijbeltheorie.
Helaas is het zo dat onze kerkelijke omgang met elkaar nogal eens gefrustreerd wordt doordat op dit punt ongenuanceerd, zonder te onderscheiden tussen geloof en theologie, over DE leer aangaande de Schrift of over 'DE schriftbeschouwing' gesproken wordt, alsof ons geloof en belijden dat de Bijbel het Woord van God is, nu ook automatisch betekent dat het allemaal eender en waar is wat een medegelovige die theoloog is, nu verder nog zegt over de inspiratie, over de literatuurgenres in de Bijbel, over de historische waarheid van bijv. tijdrekeningen en geslachtsregisters, enz. enz. Helemaal eng wordt het wanneer de daarover sprekende en discussiërende theologen zelf hun theoretische opvattingen niet meer als zodanig onderscheiden kunnen van geloofsuitspraken.
Maar daarover gaat het volgende punt.
8. Geloof en theologie
De vereenzelviging van deze twee grootheden heeft al een heel lange geschiedenis van narigheid en ellende achter zich. Het is een traditie die het vroege christendom onkritisch heeft overgenomen van het voor-christelijke heidense theologisch denken. Maar die geschiedenis moet hier blijven rusten, althans grotendeels. Het gaat ons om de zaak zelf, dat is om het theoretisch probleem van de verhouding tussen geloof en theologie. Daarbij zien we de confessie als een typisch geloofsverschijnsei, omdat zij een officiële geloofs-belijdenis van een geloofsgemeenschap is. Theologie daarentegen moge nog zoveel te maken hebben met geloof, ongeloof, dwalend geloof, e.d., maar zij is als zodanig, d.w.z. naar haar aard, geen geloofsverschijnsel, maar een wetenschappelijk verschijnsel, een wetenschap en als zodanig gekwal ificeerd door de theoretische denkfunctie van de mens.
Eigenaardig is dat in de kerk van Christus, ook in de oudheid al, velen altijd wel intuïtief een besef hebben gehad dat theologie iets anders is dan geloof.
Dat is gelukkig nog steeds zo, zij het m.i, veel te weinig. Geloven is (ik zeg het zonder overdrijving) iets heel anders dan theologie, al zit er ongetwijfeld een element in van een bepaalde 'soort' van kennis, die ook aanwezig is in theologie.
Het zojuist genoemde intuïtief en practisch erkennen dat er verschil is tussen geloof en theologische kennis, is echter een heel andere zaak dan het analyseren en uiteenzetten waarin nu precies dat verschil bestaat tussen geloof en theologie. En voorzover er overeenkomst is, waarin die dan bestaat.
9. Filosofische wetenschapstheorie
Dit laatste nu is een moeizame bezigheid, die van aard een wijsgerige is, en wel een typisch kennistheoretische aangelegenheid. Vaak denkt men dat de problematiek van de kennistheorie binnen de theologie, ook zelf een theologische kwestie is, maar dat is een misverstand. AI is iemand nog zo'n knap theoloog, daarom weet hij nog niet wat theologie naar haar (wetenschappelijke) aard is. Zoals ook een gespecialiseerde bioloog die ontelbare dingen weet van bijv. de insectenwereld, soms geen zinnig woord kan zeggen over wat biologie als wetenschap eigenlijk is. Inderdaad, daar hebben we dan ook de zgn. wetenschapsleer voor, en deze is weer een onderdeel van de kennistheorie en op haar beurt behoort die weer onder het hoofd filosofie, d.w.z. dat zij innerlijk samenhangt met en gebaseerd is op (al dan niet bewuste) kosmologie en antropologie.
10. Encyclopedie der theologie
Zo is bijv. het vroegere studievak 'encyclopedie der theologie' een typisch wijsgerig vak dat zich beweegt op het grensgebied tussen wijsbegeerte en theologie. Men zie bijvoorbeeld het onder onze ouderen althans van naam nog enigszins bekende driedelige werk van A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid. Daarin zijn grote delen puur filosofie, maar, zoals zoveel theologen gedaan hebben, filosofie à l'improviste. Hele geïmproviseerde kennistheoretische betogen zonder voldoende, zelfs meestal zonder enige bewuste fundering van de kennistheorie in een verantwoorde antropologie en kosmologie. Alsof een kennistheorie wijsgerig onbevooroordeeld uit de lucht geplukt kan worden. Kuyper was dan ook in zijn kennistheorie sterk gebonden aan de filosofische mode in het toenmalige wetenschappelijk spraakgebruik.
Het tragische gevolg daarvan is, en bepaald niet alleen bij Kuyper maar vrijwel algemeen, dat de theologie de hele geschiedenis door onbewust afhankelijk is gebleven van ouderwetse of eigentijdse wijsgerige denkpatronen, sleutelwoorden, denk-dilemma's en gedachtenschema's. In het gunstigste geval in de naïeve maar onjuiste mening dat dit slechts formele begrippen zijn, terwijl het aankomt op de inhoud.
Men meende ook dat men inhoudelijk van de filosofie onafhankelijk kon blijven met behulp van wat scherpzinnigheid en wat bijbelse of theologische waarheden. Wat niet het geval was: de 'heilige' godgeleerdheid werd zodoende nogal onheilig besmet met 'valse filosofie', nl. heidense en humanistische filosofie.
11. Confessie
Vergelijkbaar ligt de verhouding tussen confessie en theologie. De confessie isimmers een belijden van wat we geloven.
In de gemeenschap der gelovigen is dat concrete geloof 'gepositiveerd', zo u wilt: geformaliseerd en geformuleerd in een gezamenlijke uitspraak, een gemeenschappelijke tekst, die we 'confessie' noemen, 'belijdenis'. We blijven ons bewust dat het gebrekkig en o.a. historisch bepaald mensenwerk is, waar telkens wel weer iets tegen in te brengen is. Maar zolang ons niet duidelijk gemaakt kan worden dat de confessie inhoudelijk op enig punt in strijd is met de Schrift, blijft ze voor ons een (secundaire) geloofsnorm, in onverbrekelijke verbondenheid met de Schrift.
Dit laatste dan aldus gepreciseerd: niet de confessie leert ons wat de Schrift zegt, maar de Schrift leert ons wat we met onze confessie bedoelen te bel ijden.
Dit wordt in onze orthodoxie nogal eens vergeten.
12. Theologischeinvloeden op confessies
Bij de confessie hebben we echter een soortgelijk probleem als bij de prediking.
Het zijn mensenwoorden die bedoelen Gods Woord te vertolken. Dat wil zeggen, dat op de menselijke woorden van de confessie, evenals op die van de prediking, tal van invloeden hebben gewerkt, o.a. eigentijdse culturele, maar ook theologische invloeden.
Vaak kan men aan de preken horen welke leermeester(s) de predikant in zijn studententijd gehad heeft. Zo kunnen gespecialiseerde deskundige theologen ook aan de bewoordingen van de confessie 'proeven' welke theoloog of theologen bij de opstelling van die confessie hebben meegewerkt. Men kan bijv. bij artikel 1 van de Ned. Gel. Belijdenis heel gemakkelijk zien, dat ons geloof in God dat wij in dit artikel belijden, onder woorden is gebracht op een manier die geen enkele eenvoudige en gelovige Schriftlezer in onze tijd uit zichzelf zou verzinnen. Het is de vaktaal van een theoloog. Bovendien de taal van een theoloog die naief en onkritisch gebruik maakt van een Griekse filosofische terminologie. Hetzelfde kan men ook zeggen van de belijdenis van Athanasius. Geen hedendaagse schriftgelovige zou zijn geloof in God-Drieënig en in Christus als mens en als Gods Zoon op deze wijze meer onder woorden brengen.
Het is historische theologentaal met een flinke scheut filosofie er in. De bekende 'God der filosofen' die door Pascal werd onderscheiden van de bijbelse God van Abraham, Izak en Jacob, is maar al te vaak ook de God der theologen geworden.
13. Hedenisering van de theologie
Trouwens theologen kunnen weten uit hun studietijd welk een groot probleem in het begin van deze eeuw aan de orde is geweest onder de titel "Hellenisering (d.w.z. vergrieksing) van het Christendom". De dogma-historicus Adolf von Harnack heeft dat, zij het in een vrijzinnige geest, (opnieuw) aan de orde gesteld. M.L is zijn vrijzinnigheid een aanleiding geworden voor veel orthodoxe theologie om het aan de orde gestelde probleem van de invloed van de Griekse filosofie op de vroege theologie en op de oecumenische confessies en uitspraken van concilies verder maar te negeren, of kort en ondeskundig af te doen. Maar dat zal in de toekomst toch niet meer kunnen.
Overal in de theologie komt dit probleem telkens weer op. Recentelijk nog in ons land in een boek van de r.k. hoogleraar P. Schooneveld. We hopen dan ook over dit en aanverwante onderwerpen nog even door te gaan.