Het ongeloof van Jezus' broeders

1992-02-28
  • Jaargang 36
  • nummer 5
Het lijden van Jezus
In zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus wordt gesproken over het lijden van Jezus, dat Hij "de ganse tijd van Zijn leven op aarde heeft gedragen".
Van dat lijden vormden de verzoekingen een groot onderdeel.
Vorige keer zagen we daar al iets van n.a.v. Joh. 6:15. Ook hier in Joh. 7 is weer sprake van zo'n verzoeking. En net als in Joh. 6 staat in Joh. 7 Christus volop in het middelpunt en mag er vanuit dat middelpunt licht vallen op verzoekingen, die op ons, ook vandaag, afkomen, en waarin wij door de genade van God in Christus' kracht staande kunnen blijven. Immers de Here Jezus is als wij in alle dingen verzocht geweest, maar zonder te zondigen.

Verzoeking tot een ontijdige daad
Het speciale van de verzoeking, waaronder Jezus lijdt in Joh. 7:1-10 is, dat Hij uitgedaagd wordt tot een ontijdige openbaring van Zijn Messiasschap. De situatie is als volgt: Vlak voor het Loofhuttenfeest, één van de drukst bezochte feesten in Jerusalem, verblijft Jezus in Galilea zonder openlijk aanstalten te maken naar het feest te gaan. Dat feit prikkelt Jezus' broeders en daarmee zijn wel Zijn echte broers bedoeld. Zij willen nu wel eens wat zien aan voortgang. Ze menen een tegenstrijdigheid te bespeuren in Jezus' manier van doen. Ze zijn op dit moment ongelovig en behept met een volkomen wereldse mentaliteit. Zij redeneren als volgt: Als Jezus werkelijk eens de Messias zou zijn, moet Hij Zijn mooie kansen niet laten verlopen in Galilea, waar geen mens iets goeds uit verwacht. Nee, dan moet Hij de aandacht van veel mensen trekken. En waar kan dat beter dan bij het grote publiek in Judea, waar Jezus discipelen had verworven, die naar Zijn heerschappij uitkeken, in Jerusalem, de oude "stad van David", die nu in teesttooi en feeststemming is. Dat is een werelds-verstandige redenering van die broers van Jezus en misschien werd hen dat ook wel mede ingegeven door een zekere familietrots: "Kijk eens wat een geweldige broer wij hebben", waarmee de aandacht niet alleen op Jezus, maar ook op henzelf gevestigd zou worden. Een heel alledaags-menselijke redenering, die ook vandaag nog opgeld doet: wie wat wil betekenen, moet zien dat-ie voor het voetlicht komt. En: grijp de kans, als die zich zo uitgelezen voordoet!

Het dilemma voor Jezus
Jezus wordt verzocht. We lezen in Joh. 7 niet uitdrukkelijk met zo veel woorden over de duivel, maar dat betekent niet dat die er niets mee te maken had.
We weten immers uit de andere evangeliën, hoe de duivel een "ongehoorzame Jezus" prachtig vindt en pogingen doet om dat ook te bereiken. Zo zal de duivel zich ook wel bij deze verzoeking niet onbetuigd gelaten hebben om de strijd bij Jezus aan te wakkeren: Jezus ziet voor Zich de weg van heerlijkheid zonder lijden, waarbij succes verzekerd lijkt als Hij nu de kans grijpt. We moeten hierbij goed bedenken dat Jezus voluit mens was, een mens net als wij, met afschuw en huiver vervuld voor de angsten en pijn die komen gaan op Gods tijd. Als Jezus nu eens die ontijdige daad deed, iets grijpen op een door Hemzelf bepaald tijdstip, iets dat veel aanlokkelijker en bekoorlijker was dan datgene wat God nog in petto had. We mogen dit gerust een spannend moment noemen.
We zien a.h.w. duivelen en engelen de adem inhouden: Wat gaat-er gebeuren? Zal Jezus de makkelijke weg kiezen, de weg naar succes, oftewel de weg van heerlijkheid zonder lijden, of kiest Hij de moeilijke weg, Gods weg, de weg van "door lijden heen tot heerlijkheid". Daar hing op dat moment heel wat vanaf, daar hing alles van af, voor de wereld en voor onszelf.

De afwijzing door Jezus
In vs. 6-9 lezen we hoe Jezus de verzoeking afwijst: "Mijn tijd is er nog niet, uw tijd is er altijd". Jezus' tijd komt pas later, niet op dit Loofhuttenfeest, maar op het later te vieren Paasfeest.
Ook dan zal er weer verzoeking zijn, maar precies andersom dan hier: Dan zeggen de discipelen: "Ga toch niet naar Judea" en zegt Jezus: "Ik ga wel, want nu is het mijn tijd"
(Joh. 11:7,8). Er is dus een duidelijk verschil tussen Jezus en zijn broers, een verschil dat we goed in het oog moeten houden: Voor die broers, zo staat er letterlijk, "is de tijd altijd bereid". Dat wil toch wel zoveel zeggen als: Als een mens niet met God en Zijn tijd rekent, is ieder ogenblik geschikt om zijn plannen uit te voeren. Het gaat dan immers alleen maar om het succes, om het veroveren van een plaats in de wereld, waarmee die mens dan meedoet (vs7).
Tegenover Jezus staat de wereld vijandig, omdat Hij haar boosheid aan de kaak stelt. De wereld bepaalt zelf haar tijd. Maar zo is het bij Jezus niet.
Zijn tijden zijn in Gods hand. Daarom zegt Hij: "Ik ga niet op naar dit feest".
Zo wijst Jezus de verzoeking af. Zo heeft Hij gestreden voor ons: met een Jezus die op het Loofhuttenfeest grijpt naar de koningsheerschappij waren wij verloren; met een Jezus, die zich op het Paasfeest laat offeren, zijn wij behouden.

De overwinning van Jezus
Dat Jezus toch uiteindelijk overwinnaar is, blijkt uit vs. 10, waar staat: "Maar toen zijn broers opgegaan waren naar het feest, toen ging Hij zelf ook op, niet openlijk, maar als in het verborgen." Er lijkt een zekere tegenstrijdigheid in het gedrag van Jezus: zeggen "Ik ga niet" en doen: wel gaan. Toch is die tegenstrijdigheid maar schijnbaar en dat zien we vooral uit die laatste woorden: "niet openlijk, maar in het verborgen". Jezus doet alles om te vermijden, dat er een actie zal ontstaan, die Hem op de troon zal brengen. Zijn daad is niet in strijd met zijn woord. Nu, op het Loofhuttenfeest handelt Hij in het verborgen en pas straks op het Paasfeest zal Hij openlijk te zien zijn, verhoogd aan het kruis.
We kunnen hier een vergelijking trekken met de door de andere evangelisten beschreven verzoeking in de woestijn. Daar toonde de duivel Jezus de heerlijkheid van aardse koningspracht en praal zonder lijden; die kroon wees Jezus af en later draagt Hij een doornenkroon. We kunnen in dit verband nog denken aan Hebr. 4 en 5, waar de verzoekingen van Jezus in verband gebracht worden met onze eigen verzoekingen: "Hij is op gelijke wijze als wij verzocht geweest" en "kan dan ook meevoelen met onze zwakheden": door Christus' volbrachte werk kunnen wij in onze verzoekingen op Hem rekenen. En voor ons is die verzoeking ook zo vaak aanwezig, de verzoeking om te spreken en te handelen op onze eigen tijd, zonder te vragen of het Gods tijd is. Dat kan gebeuren in grote of kleine zaken waar we 'winst' in kunnen binnenhalen, of in het sluiten van een 'goed' huwelijk, of in het maken van plannen voor de toekomst, onze carrière!
Maar wie gelovig ziet op het offer van Christus, zal ook zelf een offer moeten kunnen brengen. Het offer van jezelf, van eigen begeerte, van het willen handelen op eigen tijd. Wie in Christus' kracht het hoofd biedt aan die verzoeking, die zal bidden: "Neem mijn leven, laat het Heer, toegewijd zijn aan Uw eer". En die zal belijden: "Mijn tijden zijn in Uw hand".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief