De vrouwen de theologie
1992-02-28
- Jaargang 36
- nummer 5
Ter inleiding
In het vorige nummer van Opbouw schreef ik over de verhouding van onze confessie tot de theologie. Er zou nog een aantal artikelen over hetzelfde en aanverwante problemen komen, maar reeds nu wil ik mijzelf even onderbreken.
Wat ik over het genoemde meen te moeten zeggen kan beter nu alvast indirect gedemonstreerd worden aan een actueel en practisch onderwerp, nl.
de in onze kerken opnieuw geopende discussie over 'de vrouw in het ambt.' Hoewel de kerkeraad van de gemeente te Amsterdam-Centrum daaroverIn het verleden al veel gesproken heeft en ook een beslissing genomen, zal hij toch het toegezonden rapport in zijn midden nog eens overwegen. De kerkeraadsleden, van wie ik er één mag zijn, zijn verzocht om, als ze daartoe behoefte gevoelden, ter voorbereiding van die bespreking hun gedachten al vast op papier te zetten.
Ondergetekende heeft dat gedaan en bij nader inzien dacht ik mijn 'afwijkend gevoelen' ook wel eens te mogen publiceren. Temeer omdat, zoals gezegd, mijn idee over de genoemde kwestie samenhangt met een bepaalde visie op kerk en theologie en op hun onderlinge verhouding. De discussie over de vraag naar de eventuele plaats van 'de vrouw' in het ambt, bracht mij nl.
opnieuw tot de vraag naar 'de theologie' in het ambt. Ook daarover geeft de Schrift m.i. ons wat te leren, zij het indirect.
Wat hier volgt is dus de nota die ik aan mijn eigen kerkeraad gestuurd heb, vandaar dat er een enkele persoonlijke noot in zit.
Overwegingen bij het studierapport over de vrouw in het ambt
Van dit rapport is m.i. heel veel goeds te zeggen. Omdat mijn overwegingen in hoofdzaak kritisch en zelfs in een bepaald opzicht afwijzend zijn, wil ik om misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen, beginnen met een aantal positieve waarderingen.
Te waarderen is dat dit rapport zich aandient als een 'studierapport'. In deze benaming, die overigens niet voorkomt in de opdracht van de Landelijke Vergadering van 1988, liggen verschillende mogelijkheden, al naar gelang men het woord 'studie' opvat in wetenschappelijke zin of in praktisch-kerkelijke zin. De commissie heeft het, vermoedelijk in overeenstemming met de geest waarin de opdracht bedoeld was, primair opgevat in een wetenschappelijke zin. Zij heeft zich zelfs voorshands onthouden van een op het kerkelijk leven toegespitste laatste hoofdstuk dat de titel zal krijgen: 'Conclusies en Advies'.
Persoonlijk acht ik dat hoog te waarderen.
Ik zou mij ongelukkig hebben gevoeld wanneer dat hoofdstuk, op de basis van de combinatie van een aantal bijbelteksten en met behulp van een netwerk van visies op de schriftuitlegging, geconcludeerd zou hebben dat volgens de Schrift een vrouw wel of niet in het ambt mag. Dan zou er aan de lange reeks van gereformeerde studies en rapporten in allerlei landen ter wereld, nog een exemplaar zijn toegevoegd, eventueel met één of twee minderheidsrapporten ..
Een volgend punt van waardering is de m.i. hoge kwaliteit van dit studierapport.
In een echt wetenschappelijke werk- en denkhouding heeft men nagenoeg alle relevante 'gegevens' zorgvuldig opgespoord, op een rij gezet, vergeleken, tegen elkaar afgewogen, vanuit de oorspronkelijke teksten en contexten geduldig overwogen, en met grote voorzichtigheid, onpartijdigheid en distantie diverse detailbeslissingen genomen. Als theoloog heb ik dit rapport dan ook met gespannen aandacht en bewondering gelezen. Slechts op enkele detailpunten had ik een kritisch vraagteken.
Bovendien is het resultaat van deze studie ook in een voor een groter publiek zeer leesbare vorm gepresenteerd.
Dat is een grote verdienste en ik meen dat wij graag zouden kunnen voldoen aan het verzoek van de commissie om "te bedenken dat het (rapport) samengesteld moest worden niet door vrijgestelde academici, maar door broeders en zusters die hun gewone werkkring behielden."
Dat gevraagde 'bedenken' heeft bij mij echter, behalve waardering voor de commissie en haar werk, ook geleid tot de bekende populaire vraag 'waar zijn we eigenlijk mee bezig?' Dat is een prealabele vraag, waarin men even afstand van eigen activiteit en betrokkenheid als zodanig, ten einde te voorkomen dat men met alle enthousiaste inspanningen bezig is in een onjuist groter kader. De overweging van deze vraag bracht mij tot het kritische inzicht dat wij met dit rapport op een verkeerde weg terecht zouden kunnen komen. Niet noodzakelijk, maar wel waarschijnlijk.
Veel zal afhangen van wat het nog onbekende laatste hoofdstuk met de voorafgaande hoofdstukken zal doen. Gezien onze gereformeerde tradities ben ik daar nl. niet gerust op, al zou het kun- .
nen meevallen.
Het hierboven geciteerde verzoek van de commissie klinkt als een excuus. Als ik het met eigen woorden mag weergeven, dan zegt zij: wij hebben ons best gedaan en we hebben in een fijne broederlijke sfeer gediscussieerd, maar u moet bedenken dat wij (helaas?) geen commissie van professoren waren. Wij waren vol bezette mensen met een baan. We moesten het tussen ons gewone werk door doen. Stel dus a.u.b.
niet de eisen die je aan een wetenschappelijk werkstuk zou kunnen stellen.
Accoord, Desniettemin kunnen we ons als kerken gelukkig prijzen dat we een landelijke adviescommissie hadden die zo knap allerlei specialistische theologische lectuur, vooral op het gebied van de exegese, grondig kon bestuderen en voortreffelijk samenvatten.
Een ander punt echter is de vraag of alle commissieleden voldoende theologische deskundigheid hadden om alle besproken specialistische details ook te beoordelen. In zulke gevallen is men bij het meestal voorkomende meningsverschil tussen de professionele deskundigen het doorgaans eens met het laatste wat men gelezen heeft. We hebben dan immers geen weerwoord. Vandaar ook de kerkelijke traditie om bij moeilijke problemen in voorbereidende commissies zo mogelijk altijd professionele deskundigen te benoemen, die dan in feite in doorslaggevende mate bepalen in welke richting de conclusies en adviezen gaan. Zoals in de maatschappij vanuit links-politieke hoeken vaak zeer sceptisch tegen de democratie wordt aangekeken, omdat men vermoedt dat achter de schermen de grote beslissingen toch worden gedicteerd door "het militair-industriële complex", zo zijn ook in allerlei kerken veel gelovigen zich bewust geworden dat ze in plaats van door 'presbyters' (ouderlingen) in feite bestuurd worden door het "theologischclericale complex". Als theologische 'leken' kunnen ze immers toch niet allerlei leergeschillen doorgronden en beoordelen. Zo zijn er in de kerkgeschiedenis, niet het minst in de orthodoxie, veel onverantwoorde kerkscheuringen ontstaan op een theologische machtsbasis, die tengevolge van de emotionele belevingen ervan voor generaties lang of voorgoed onherstelbaar werden.
Aan dit alles moest ik voortdurend denken, toen ik mij verdiepte in het voor ons liggende rapport. Ook het rapport, en zelfs de LV 1988 in haar opdracht, wijzen ons er op dat er achter de kwestie van ja of nee inzake de vrouw in het diakenambt, tal van andere, dieper liggende en van wijder strekking zijnde vragen liggen.
Inderdaad, men zou kunnen zeggen: een gecompliceerd netwerk van vragen. Als eerste punt noemde de LV, en m.i. terecht, "de wijze van argumenteren vanuit de Schrift". In vaktaal heet dat 'de hermeneutiek'. Een zeer boeiend, maar moeilijk vak, ook al worden de resultaten van die wetenschap op nog zo eenvoudige wijze doorgegeven aan de kerken. De gehele dogmatisch-theologische leer aangaande de Heilige Schrift komt er aan te pas. Een klein scheutje daarvan in sterk verdunde vorm heeft de commissie ons gepresenteerd in de paragrafen over de aard van het schriftgezag, en over de reikwijdte van bijbelse voorschriften. We vernemen daarbij ook een opvatting van de gemeente te Eindhoven, maar de commissie vraagt zich af (zonder die vraag te beantwoorden) of die Eindhovense 'leeswijzer' bruikbaar is. Wie moet die vraag nu beantwoorden? De kerkeraad van Eindhoven? De eerstkomende LV? Of alle kerkeraden aan wie dit rapport is toegezonden, o.a. met het verzoek dit op gemeentevergaderingen te bespreken? Wie of welke vergadering spreekt hier het gezaghebbende woord?
Let wel: in deze moeilijke hermeneutische kwesties!
Vanaf onze kansels wordt ons terecht en geregeld voorgehouden dat wij in ons leven bij alles moeten vragen wat de wil des Heren is. Dat geldt natuurlijk ook voor dominees en kerkeraden. Nu zitten wij voor de vraag: is het naar de wil des Heren dat wij de zusters uit de ambten blijven weren? Het rapport wekt de indruk alsof het antwoord van de Here ons gegeven is in de vorm van een zeer ingewikkelde kruiswoordpuzzel. Jaren, ja decennia lang zijn tal van orthodoxe kerken in de wereld al aan het puzzelen om dat kruiswoordraadsel op te lossen, d.w.z. om het antwoord van de Here God te vernemen. Zij kwamen via (objectief samengestelde?) commissies van halve of hele deskundigen tot tegenstrijdige 'oplossingen' van de puzzel. Meestal slechts met meerderheid van stemmen en niet zelden met de pretentie dat meningen die van die meerderheid afwijken, niet echt 'schriftgetrouw' zijn. Ook ontbrak een minderheidsrapport meestal niet.
Zou dat nu de bedoeling van God zijn met de openbaring van zijn wil? Ik kan het niet geloven. Het is theologisch al niet zo eenvoudig uit de Schrift te 'bewijzen' dat wij drie afzonderlijke ambten moeten hebben: predikant, ouderling en diaken. Maar dat is nog te doen met wat goede vooringenomenheid, al zijn de zgn. 'bewijzen' m.i. lang niet 'waterdicht'.
Maar gelukkig voedt Christus zijn gemeente niet op met kruiswoordpuzzels of wiskundesommen, waarbij hele reeksen van zgn. 'gegevens' naast en tegenover elkaar geplaatst en afgewogen moeten worden. Nee, Christus spreekt in verstaanbare praktische taal zijn héle gemeente toe en wil door haar geloofd en gehoorzaamd worden. Daartoe geeft Hij haar de leiding van de Heilige Geest die haar leiden zal in alle geloofswaarheid. Niet in alle wiskundige waarheid, of theologische waarheid, of welke theoretische waarheid dan ook.
Om wetenschappelijke waarheden na te vorsen gaf Hij aan een heel klein percentage van de mensen wetenschappelijke capaciteiten, "om zich daarmee af te tobben onder de zon". Maar de kerk wordt door Christus geleid door zijn duidelijk en heilig Woord en door zijn Geest, met als instrumenten geen 'vrijgestelde academici', maar ouderlingen, van wie de predikant er één is. De ambtelijke leiding door de ouderlingen wordt niet normatief gekenmerkt door theologische, maar door praktische kennis van de Schrift.
Christus leidt zijn gemeente niet door een paar theologische deskundigen of ondeskundigen. Niet automatisch is wetenschappelijke kennis van de Bijbel naar de "zin en mening" van de Schrift en van de Geest van Christus. Natuurlijk is er christelijke theologie mogelijk, maar ook dan blijft het resultaat theologie, mensenwerk, en geen profetisch Woord van God.
Hetzelfde kan gezegd worden van kerkelijke vergaderingen die zichzelf graag in het latijn, de taal der vroegere geleerden, aanduiden als synode, classis of regio, en die hun voorzitter, secretaris en penningmeester graag praeses, scriba en questor noemen. Ook deze vergaderingen hebben in de gereformeerde (door onze rationalistische Westerse cultuur enigszins misvormde) traditie meestal hun theologische adviseurs, die geen lid waren, een plaats gegeven in het voorgestoelte en bij stemmingen eerst hun oordeel gevraagd.
Mij is bekend dat sommige theologische hoogleraren zich groen en geel ergerden als een synode tegen hun advies in stemde, waarop één van hen hardop vroeg: waarvoor zitten wij eigenlijk nog hier?
Nogmaals moet ik hier trachten een misverstand te voorkomen. Het geschetste verschijnsel van overheersing van de kerk door theologie en theologen, heeft in alle eeuwen reacties opgeroepen van anticlericalisme, of van antitheologie sentimenten. Ook in onze tijd en zelfs in onze kerken kan men stemmen vernemen van mensen die zeer cynisch doen over theologie en zeggen dat dat vak nergens goed voor is. Een simplistisch beroep op het "eenvoudig geloven van wat er in de Schrift staat" heeft echter ook onze oommissie terecht afgewezen. Zelf mag ik ook zeggen dat ik grote perioden in mijn leven enthousiast theoloog geweest ben, zodat ik zelfs in de theologie mocht promoveren.
De laatste jaren ben ik er (als hobby) weer opnieuw ingedoken en bestudeer ik momenteel hoe in de eerste vier of vijf eeuwen de zgn. 'kerkvaders' en de grote concilies met hun leeruitspraken over de goddelijke Drieëenheid en de ervande twee naturen van Christus, in schrikbarende wijze (grotendeels onbewust) afhankelijk waren van drie of vier eigentijdse heidense filosofieën. Allerlei kerkelijke en dogmatische termen hebben ze daaraan ontleend en daarmee bijbelvreemde elementen in de kerk binnen gebracht.
Ik wil maar zeggen: niemand kan en mag mij verdenken dat ik wat tegen theologie als zodanig heb. Ik wil alleen waarschuwen tegen misbruik, door praktische kerkelijke beslissingen inzake al of niet vrouwelijke ambtsdragers te baseren op langdurige, moeizame en controverse wetenschappelijke betogen, alsof de Geest van Christus ons langs DIE elitaire weg wil bewaren bij de gehoorzaamheid des geloofs.
Daarom zie ik, om een woordspeling te gebruiken, liever "de vrouw in het ambt" dan de theologie in het ambt.
Meer in ernst gesproken: we kunnen zegeen van beide missen, althans niet in de twintigste eeuwen in een stad als Amsterdam anno 1992. Maar dan wel elk in een dienende functie, en niet in de overheersende positie die de theoloog onder theologische leken uiteraard altijd inneemt als het om theologische zaken zou gaan. Of de gemeente van Christus uit haar midden ook een zuster kan roepen tot een ambtelijke dienst, is echter geen theologische kwestie, maar een geloofsvraag. Christus gaat niet op wetenschappelijke wijze om met zijn bruidsgemeente, die op een hoge uitzondering na, niet bestaat uit theologen.
Zelfs andere geleerden zijn er zeldzaam, zoals trouwens in heel de maatschappij.
De kerk is geen academie, en de niet-academici tellen voor vol mee in een schriftgetrouw gemeenteleven.
Maar hoe kunnen ze nog voor vol meetellen als ze theologische problemen moeten oplossen en als de kerk theologisch zou moeten leven en bestuurd worden? Moeten we allemaal amateurtheologen worden? Afhankelijk van en uiteraard overheerst door experts en specialisten?
Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat Christus in een zo belangrijke vraag over wie er wel en wie er niet in aanmerking komen voor een ambt, zijn gemeente in het schemerduister van raadsels zou plaatsen die zelfs door de beste deskundigen in de exegese en andere theologische vakken niet eenstemmig opgelost kunnen worden. Alleen daarom al ben ik van mening dat we als kerken een verkeerde weg zouden opgaan als we het bestaande meningsverschil over de vrouw in het ambt op een theologische basis theologisch zouden willen oplossen.
We kunnen bij onze discussies daarover ongetwijfeld onze winst doen met theologische deskundigheid. Onze kerken vergen dan ook terecht, als regel waarop uitzonderingen mogelijk zijn, dat althans predikanten theologie gestudeerd hebben. Zij zijn geroepen tot het geven van leiding, ook bij het leren kennen van de Schrift en bij het besturen van de gemeente. Ook voor sommige niet-predikanten is enige theologische studie, een respectabele en waardevolle hobby wanneer men zich daartoe aangetrokken voelt. Maar meer niet, en niet zonder gevaren. Men bedenke hoeveel theologen en theologische studenten juist door hun theologiestudie van het geloof zijn afgeraakt. Dat is nog dagelijkse actualiteit! Ook binnen de kerkelijke orthodoxie.
Maar hoe moeten we dan de vraag inzake de al of niet toelaatbaarheid van zusters in kerkelijke ambten behandelen?
Die vraag kan ik in het algemeen niet afdoende beantwoorden, maar wel kan ik misschien een bijdrage aan de discussie in onze gemeente leveren met de volgende opmerkingen. We kunnen onze winst doen met het nu voor ons liggende rapport. M.L is daaruit het volgende duidelijk geworden, voorzover we het nog niet wisten:
1. Ook de vraag naar de geoorloofdheid van vrouwen in een kerkelijk ambt is niet simpelweg met verwijzing naar een of meer bijbelteksten te beantwoorden.
Zelfs onze schriftgeleerden slagen daarin niet.
2. De aanwijzing die de Schrift ons geeft voor het verkiezen van ambtsdragers is o.a., maar wel primair, dat het mensen moeten zijn die in hun leven binnen en buiten de gemeente, tonen dat ze de Heilige Geest hebben ontvangen, en ook als 'vrucht' van de Geest: menselijke deugden als wijsheid, betrokkenheid ('ijver'), schriftkennis, liefde tot de gemeente, enz.
3. Verschillen in de gemeente tussen armen en rijken, geleerden en ongeletterden, blanken en gekleurden, mannen en vrouwen, sterken en zwakken in het geloof, gehuwden en ongehuwden, bejaarden en jongeren, en wat dies meer zij, kunnen volgens de Schrift hun plaats hebben in de gemeente, maar ze mogen geen discriminerende rol spelen integendeel: zij mogen slechts dienen als verschillende gaven (of onthoudingen van gave) die in het geheel der gemeente aangewend mogen worden tot velerlei dienstbetoon tot de onderlinge opbouw in de liefde en samengroeiing met ons hoofd Christus.
4. Verschil van mening in de gemeente(n) over al of niet zusters in één of meer ambten, moet in li,efde verdragen worden, over en weer. Maar de kerkeraad is geroepen in de praktische situatie waarin een gemeente verkeert, in dezen "knopen door te hakken", een beslissing te nemen, waarin met zoveel mogelijk omstandigheden wordt gerekend.
Dat is kerkeraadstaak.
5. De wijsheid die wij allen in deze dingen nodig hebben, is een gave van Christus die Hij ons, naar zijn belofte, wil schenken op het gebed. Als een concrete beslissing dan anders uitvalt dan wij persoonlijk hadden gehoopt en die wij de enig juiste achten, dan moeten wij dat in geduld en liefde verdragen, ook als het andere gemeenten betreft. Wellicht dat God het ons of anderen later openbaart wat in dezen wijsheid is.