Onderhoud van onze leesbril
1992-03-13
In Opbouw van 27 september jl. eindigde de heer Verheij uit Delft zijn artikel met een opmerking over "Het periodieke onderhoud van onze leesbrillen". Hij had ook een 'wensdroom' over een "bijdrage van de wetenschappelijk theologie" ten behoeve van dat onderhoud. Graag wil ik trachten een klein beetje die wensdroom in vervulling te laten gaan, want ook ik ben van mening dat genoemd onderhoud hard nodig is. Zelfs zou ik willen spreken van achterstallig onderhoud.- Jaargang 36
- nummer 6
1. De Bijbel is geen theologisch boek
De wensdroom van br. Verheij stond in verband met zijn bestrijding van diverse andere artikelen in Opbouw over de zogenaamde 'bijbelse chronologie'.
Zelf weet ik daar niet veel van en ik kan de desbetreffende betogen ook niet beoordeten. Alleen heb ik een intuïtief ongeloof ten aanzien van wat de andere auteurs daarover in Opbouw schreven, en verder vind ik die zgn. 'bijbelse chronologie' niet interessant.
Ik lig er bepaald niet wakker van. Maar dat het bij velen op dit punt schort aan de leesbril die men op heeft bij het lezen van de Schrift, daarin heeft de heer Verheij m.i. groot gelijk. Althans indien men in ernst meent te moeten spreken van een 'bijbelse chronologie'. M.i. bestaat die niet, evenmin als bijbelse dogmatiek, of bijbelse pneumatologie, of bijbelse christologie, of ook de zgn. theologie van Paulus, van Johannes, enz. Dat wil ik nu toelichten.
Het woord 'dogmatiek' is, zoals zoveel woorden in ons kerkelijk spraakgebruik, meerzinnig. Het wordt soms gebruikt in de zin van 'dogma', een woord dat evenals 'symbool' een ander woord is voor confessie of geloofsuitspraak van een kerk. Maar 'dogmatiek' kan ook gebruikt worden in de letterlijke zin, nl. als de naam voor een onderdeel van de wetenschappelijke theologie. Dogmatiek staat dan in een forse rij van vakken, naast bv. exegese, kerkrecht, hermeneutiek, homiletiek (predikkunde), symboliek, missiologie, enz.
Nu wil ik beslist niet een benepen 'taalpurist' zijn die wel eens het goed recht vergeet van het eigen karakter en de eigen waarde van de omgangstaal naast wetenschappelijke taal. Als iemand dus spreekt over 'bijbelse theologie' dan kan daarmee best iets goeds bedoeld zijn. Maar als we, wat in een bepaalde context óók zijn goed recht heeft, in wetenschappelijk verantwoorde terminologie willen spreken, dan moeten we zeggen dat er eige'nlijk geen bijbelse theologie (in de zin van in de Bijbel voorkomende theologie) bestaat, ook geen bijbelse chronologie, geen bijbels kerkrecht, bijbelse exegese, bijbelse poimeniek, homiletiek, catechetiek, geen theologie van Jesaja of christologie van Marcus, enz.enz. Dit om de oude en bekende reden dat de Bijbel geen wetenschappelijk boek is, ook niet een theologisch boek. De bijbel is niet en bevat niet een (wetenschappelijke) theologie.
2. Gevaarlijke slordigheid
Natuurlijk weet ik wel dat onze omgangstaal in dezen wat 'slordig' is.
Dikwijls, en met name in orthodoxe kringen ofschoon ook daarbuiten, horen we dat iemand 'theologisch' zegt, als men 'bijbels' bedoelt, of omgekeerd: men bedoelt te zeggen dat iets 'theologisch verantwoord' is, als men bedoelt dat het bijbels verantwoord is.
Bijbel, geloof en theologie worden niet altijd helder en bewust onderscheiden, en deze woorden worden dan door en voor elkaar gebruikt.
Er zijn ook nog altijd velen, vooral dominees, die hier luchtig overheen lopen met de opmerking dat dit maar een zaak van terminologie is, waar je niet te zwaar aan moet tillen. Zo belangrijk is dat niet, zegt men dan.
Met dit laatste ben ik het beslist oneens. Deze zaak is m.i. van direct en groot practisch-kerkelijk belang.
Tal van twisten en scheuringen hingen, en hangen nog steeds, hiermee samen. Vanwege die funeste gevolgen voor onze kerkelijke praktijk van bovengenoemde slordigheid, verdient het op ons huidige Westerse cultuurniveau, aanbeveling in ons kerkelijk spraakgebruik theologie en Bijbel goed en consequent van elkaar te onderscheiden, evenals confessie (= geloofs-bel ijdenis) en theologie.
Maar ook bijbel en confessie, want die zijn ook niet zonder meer gelijkluidend.
Bijbel, geloof, confessie en theologie, dat zijn de begrippen waarom het in dit artikel gaat. Het gaat over hun verschil en over hun samenhang, over hun onderlinge afhankelijkheid en onafhankelijkheid.
3.Leesbrillen
Het maakt een groot verschil bij het lezen van de Bijbel en van de confessie welke leesbril we op hebben. Om een paar voorbeeldjes te noemen: met een joodse bril op lees je Jesaja 53 anders dan met een christelijke bril, met een wettische bril op lees je de Bijbel (bijv. over al dan niet vrouwen in het ambt) anders dan met een evangelische bril, met een wetenschappelijk-historische bril lees je de Evangeliën anders dan met een geloofsbril op, enz.
4. Uitvinding van de wetenschappelijke bril
In onze Westerse cultuur is er van meet af, d.w.z. sedert de culturele explosie in de zesde en vijfde eeuw voor Christus in Griekenland, door filosofen een bepaalde bril geslepen.
Velen zouden die bril het liefst altijd willen ophebben om alles in heel het leven daardoor te bezien. Die bril was een min of meer wetenschappelijke bril, het kijkglas dat de pas ontstane wetenschap had geslepen.
Eeuwenlang bleef dit nog een hobby van een elite, maar toch, reeds in de eerste eeuwen na het begin onzer jaartelling werd deze hang naar een wetenschappelijke ziens- en levenswijze al wijd verbreid door de zgn.
volksfilosofieën van de Stoïcijnen en de Epikureërs, die ook in Hand.17:18 genoemd worden. Pas in de achttiende eeuw verbreidde zich die zgn. 'Verlichting' (van het verstand door de wetenschap) onder een veel groter publiek, terwijl de zgn. popularisering der wetenschappen in onze eeuw vrijwel iedereen in aanraking brengt met dit virus. Dit virus is de neiging, gewoonte of het ideaal om alles het liefst 'wetenschappelijk' te bekijken. Men meent dan dat aldus verkregen kennis veel betrouwbaarder is dan het emotioneel geladen, niet op dieper denken maar simpel op fragmentarisch waarnemen berustende spontane weten.
5. Kennis en mening
De eerste generaties van wetenschappers, voornamelijk filosofen, hebben die kwestie van de leesbrillen nog scherp en duidelijk gesteld. Ze maakten een heldere onderscheiding tussen kennis en 'mening'. Eigenlijke en echte kennis noemden ze met een apart woord, nl epistèmè, waarmee dit soort kennis onderscheiden werd van de kennis in de zgn. 'mening' (Grieks: dokè of dogma), dus 'geloof'. Een mening berust op onbetrouwbare, bedrieglijke ogenschijn, maar echte kennis (epistèmè) berust op zuiver denken.
Hiermee was de populaire tegenstelling geboren van de vastheid en zekerheid van kennis die door denken verkregen werd en de onzekere mening die slechts het resultaat is van menen of geloven, op grond van wat je ziet of hebt horen zeggen.
leder weet dat deze tegenstelling sindsdien nooit meer verdwenen is uit onze cultuur. Vandaar dat de Catechismus bij de verklaring van wat geloven is, spreekt over "een stellig weten of ' kennis': als een wezenstrek van het geloof. Dat ging destijds al, evenals nu nog, tegen het populaire spraakgebruik in, dat ieder van ons in de dagelijkse omgangstaal bezigt, bv. wanneer we zeggen: "ik weet het niet zeker, maar ik geloof van wel".
Nu is echter in onze eeuw die optimistische zekerheid van het DENKEN in de crisis geraakt. De wetenschap is wel niet zo heel veel, maar toch echt wel iets, bescheidener geworden in onze tijd. Omdat echter in kerkelijke en theologische kringen het geloof zelden helder wordt onderscheiden van theologische wetenschap, deelt ook dat geloof vaak in de onzekerheid en veranderlijkheid die aan de wetenschap eigen is. Een theoloog zou tegenwoordig een boek kunnen schrijven over 'de onzekerheid des geloofs', terwijl in het begin van onze eeuw een theoloog als H. Bavinck nog een veelgelezen brochure kon schrijven over 'de zekerheid des geloofs'. De geloofskennis is een subjectieve 'ervaring' of 'mening' geworden die nooit mag worden voorgedragen als een getuigenis van De Waarheid.
Anders-gelovigen heten dan ook vaak 'andersdènkenden'. Geloven is in ons populaire spraakgebruik 'denken' geworden, en in dat denken zijn graden van juistheid en betrouwbaarheid: wetenschappelijk denken is van hogere kwaliteit dan het populaire denken van 'het volk', theologie is een beter soort geloof, theologische kennis een meer betrouwbare of hogere geloofskennis.
6. Wat is (menselijk) geloven?
We horen steeds vaker, en wel van uiteenlopende kanten, dat in ons kerkelijk geloofsleven sprake is van veel resten der oude scholastiek, waarvan één der kenmerken is dat ze een oudrationalistische inslag heeft. Naar mijn mening is dat verwijt juist. Alvorens daar nader op in te gaan, geef ik daarvan eerst een voorbeeld.
Eén klein voorbeeldje van het traditioneel-scholastisch erfgoed dat in de reformatorische confessie en theologie is blijven voortbestaan, en van daaruit ook voorkomt in de prediking, is de visie op de aard van het geloof.
Zeer bekend is onder ons de omschrijving van de Catechismus, zondag 7.
Wat is een waar geloof? Antwoord: "niet alleen een stellig weten of kennis ... maar ook een vast vertrouwen ...
in mijn hart. .." enz. Zo althans de vertaling van Dr. A. Kuyper (of Rutgers) in zijn klassiek geworden uitgave van 'De Drie Formulieren'.
7. Zeker weten
Kuyper maakte met de geciteerde woorden een ietwat vrije, interpreterende vertaling. Want er staat eigenlijk: een zéker weten en een zéker (in de zin van vast en hartelijk) vertrouwen.
Deze gedachtengang, zowel in het oorspronkelijke als in de vertaling van Kuyper, sluit aan bij de vóórreformatorische theologie. Ten dele terecht, ten dele niet terecht, zoals ik in het vervolg hoop aan te tonen.
Wie wat afweet van de traditionele rooms-katholieke theologi-sche beschouwingen over de aard van het geloof, weet dat er in de literatuur van de beide hoofdstromingen (Franciscanen en Dominicanen) een enorme discussie is geweest over de betekenis van dat woordje 'zeker' (Lat. certa).
En ook over de gecompliceerde samenstelling van diverse factoren die tesamen het geloven als menselijke activiteit uitmaken.
8. Filosofie in de theologie
Wanneer men zich echter enigermate een beetje wijsgerige kennis en 'feeling' heeft eigen gemaakt, dan wordt het ons spoedig duidelijk dat die eeuwenlange theologische discussies over wat geloof nu 'eigenlijk' naar zijn 'natuur' of 'wezensaard' is, altijd, en zelfs noodzakelijkerwijs, uitgingen van een bepaalde filosofische theorie. En wel van een antropologische (dus: wijsgerige) schematiek aangaande de menselijke structuur, eigenschappen of mogelijkheden, en ook aangaande verschillende 'delen' van de 'ziel'. Zo wordt ook de theologische discussie over de aard van het geloof meestal onopgemerkt tot een filosofischantropologisch debat. De uit de Griekse filosofie door de scholastiek onkritisch en als vanzelfsprekend overgenomen schema's zijn dan hoofdzakelijk die van verstand en hart, verstand en gevoel ('affecten'), verstand en wil.
In het oude dominicaanse denken ziet men het geloof als een beweging naar God toe, waarin al de genoemde menselijke mogelijkheden en deugden bijeen gemengd zijn. Maar wel staat daarin het verstandelijke element steeds op de voorgrond.
9. Thomas van Aquieo en de scholastiek
De Rooms-Katholieke theologie is in belangrijke mate gevormd door Thomas van Aquino, en zijn invloed is tot op de huidige dag enorm. In alle theologie, ook in de Lutherse en Gereformeerde dogmatiek.
Ook over de aard van het geloof heeft Thomas uitvoerig geschreven. Hij heeft zich wel eens (eenzijdiger dan zijn totale opvatting) over het geloof zo uitgedrukt, dat het geloof een verstandelijke aangelegenheid is ("fides est aliquid rationis"), die door de deugd der liefde vervolmaakt wordt.
De moderne personalistische stromingen in de rooms-katholieke theologie hebben wel een aanzienlijk andere benadering van deze problematiek, maar blijven toch in dezelfde antropologische probleemstellingen bevangen.
Ook daar is het geloof in wezen 'kennis', zij het dan een 'bovennatuurlijke' kennis met een méér dan rationele, nl. een bovennatuurlijke, inhoud.
Maar de geloofszekerheid blijft als zodanig een rationele, verstandelijke zekerheid.
10. Antropologie
Het zal duidelijk zijn dat in de hierboven weergegeven gedachten een poging is gedaan om het geloof nader te 'definiëren'. Men probeert er de meest wezenlijke trekken van aan te wijzen.
Met behulp waarvan? We zagen al: verstandelijke zekerheid, hartelijk gevoel, vertrouwen, liefde, waren in de scholastische theologie veel voorkomende hulpmiddelen om aan te duiden waarom het eigenlijk ging in 'geloven'.
Geloven moest, althans in de theologie, gedefinieerd worden en dat moest uiteraard in termen van menselijke mogelijkheden, menselijke functies.
En die menselijke functies waren hoofdzakelijk die van verstand en wil.
Alles wat er nog meer te noemen is, werd bij één van die beide, of soms bij beide, ondergebracht. Men ging dus (en dat kan ook niet anders) uit van een antropologisch mensbeeld, d.w.z.
van een wetenschappelijke mensbeschouwing waarin destijds 'rede' en 'wil' de hoofdonderscheiding was. Zo was het al in de voor-christelijke oudheid, en al spoedig kwam daar ook het 'gevoel', het zgn. 'affectieve' bij als een afzonderlijk 'vermogen' van de mens.
Deze vóór-christelijke, filosofische mensbeschouwing ('antropologie') werd door de christelijke theologie vrijwel onkritisch uit het heersende filosofische spraakgebruik overgenomen en in de theologie gebruikt. Zo heeft men met deze hulp in de theologie geprobeerd het geloof te definiëren, nadat al veel eerder ook de leer van de goddelijke Drieëenheid en die van de twee naturen van Christus met dergelijke filosofische hulpmiddelen was omschreven in de diverse concilie-uitspraken en confessies.
Hierop hoop ik in volgende artikelen nader in te gaan.
11. Geloof en theologie
Door dergelijke wijsgerigantropologische denkpatronen werd impliciet het inzicht verduisterd in het structurele verschil tussen geloof en kennis. Later gebeurde hetzelfde met het structurele verschil tussen geloof en gevoel. Dat het geloof een niet tot iets anders te herleiden, een geheel eigen-geaarde menselijke functie of mogelijkheid is, was tot voor kort een onbekende gedachte.
Dat er verbindingen tussen de menselijke functies zijn, is algemeen bekend.
Zo is er ook verbinding tussen geloof en kennis, zonder dat het verschil tussen die twee verdwijnt. In het menselijk geloven zit inderdaad een kennis-element, zoals trouwens ook in alle andere bewuste menselijke activiteiten.
Maar wat gebeurt er nu als in dat kennis-element het structurele verschil tussen niet en wel theoretisch kennen, tussen praktische en wetenschappelijke kennis, over het hoofd gezien wordt? Dan wordt het praktische kennis-element dat om zo te zeggen een natuurlijk onderdeeltje is van het menselijk geloven, ongemerkt vereenzelvigd met de wetenschappelijke, theoretische theologie. Als dat dan bovendien gecombineerd wordt met het niet zien van de geheel eigen en onherleidbare aard van het geloof, en daardoor 'geloven' gezien wordt als een samenstelling uit kennis en nog wat (gevoel, vertrouwen, liefde, etc.), dan ligt het voor de hand dat men ook het verschil tussen geloof en theologie niet scherp meer kan zien.
Dit ligt geheel in de lijn van de.Grieks-
Romeinse traditie die steeds meer het aanvankelijk zo duidelijke onderscheid tussen niet- en wel theoretische kennis steeds meer interpreteerde als een minder of meer nauwkeurig en betrouwbaar kennen.
Onbedoeld, maar met ernstige en eeuwenlange gevolgen voor de beleving van het geloof en van het kerkzijn, werd zodoende de theologische kennis der 'godgeleerden' en der 'schriftgeleerden' van betere (in plaats van àndere) kwaliteit en van hogere (in plaats van àndere) waarde geacht dan de geloofskennis van de gewone gemeenteleden. Een geestelijk gevaar waaraan ook protestantse ambtsdragers vaak niet kunnen ontkomen. Dikwijls zijn ze ook bescheiden genoeg om het zelf niet in de gaten te hebben.
Anders dan de katholieke theologen, die in de genoemde vereenzelvigingen geen gevaar zien, maar juist een garantie voor de leerzuiverheid van de kerk.
12. Theologische leesbrillen
Als regel (waarop uitzonderingen mogelijk moeten zijn) dient een predikant m.i. twee verschillende leesbrillen te gebruiken om als wetenschapper zijn (toekomstige) ambtsbediening te kunnen ondersteunen. Een filosofische en een theologische leesbril. Een theoloog moet veel (goede) filosofie gestudeerd hebben om de onvermijdelijke filosofie in zijn theologie te kunnen herkennen. En een dominee moet veel (goede) theologie gestudeerd hebben om de theologie als zodanig buiten zijn kerkelijke prediking en pastoraat te kunnen houden. Ook hierover in het vervolg nog meer, hoop ik.