Pastorale notitie
1992-03-27
Het zijden draadje- Jaargang 36
- nummer 7
Hij was op het vliegveld van Alicante gepakt. Ze vonden vijf kilo harddrugs in z'n bagage. Zijn eerste 'koeriersdienst' mislukte. Terwijl men hem verteld had, dat zijn voorgangers zo gemakkelijk duizenden guldens verdiend hadden. Bijna nooit controle ...
Wel erg naïef: stel u voor, een jongen van zeventien, die in z'n eentje naar Spanje vliegt. Buiten het zomerseizoen.
Ook nog met een donkere huidskleur.
Zòeen is natuurlijk gauw verdacht en wordt prompt gecontroleerd.
Ik zocht David op in de gevangenis van Alicante. Eenmaal per maand. Na uitgebreide controles van papieren en stempels kwam ik er in. Alleen toen er een gewelddadig oproer was uitgebroken en de Spaanse TV beelden te zien gaf van gevangenen, die op het dak geklommen waren, en veel gehelmde leden van de Guardia CiviI, moest ik verstek laten gaan. Dan komt zo'n huiveringwekkend gebeuren opeens wel dichtbij je!
't Was trouwens toch al zo'n naargeestige, beklemmende omgeving. Als ik David had opgezocht kwam ik er van buiten en van binnen k6ud vandaan.
We konden met elkaar praten in een 'spreekhok' met gewapend glas tussen ons in. Een hand, een schouderklopje was er niet bij. Hard praten om de ander te kunnen verstaan. Bepaald niet een gemakkelijke manier om met iemand in contact te komen en hem te leren kennen.
Op een dag belt een reclasseringsambtenaar naar de pastorie. Davids moeder komt naar Alicante. Ze wil graag een gesprek. Of ik daartoe bereid ben. Vanzelfsprekend, maar je loopt er wel over na te denken: wat voor iemand zou het zijn? En je stelt je onbewust er op in, dat ze uit een milieu komt dat nogal ver van ons af staat.
Als ik haar ophaal zie ik een nog jonge, erg sympathieke en - naar later blijkt - ontwikkelde vrouw. In de uren dat ze bij ons is horen we haar verhaal over de spanningen en teleurstellingen in haar huwelijksleven: door haar man misbruikt en mishandeld, gevlucht naar een blijf-van-m'n-lijf-huis, na Davids geboorte het opnieuw maar tevergeefs geprobeerd, tenslotte definitief met hem gebroken en met drie kinderen achtergebleven.
Ze kan de opvoeding alléén niet aan en zo zijn de kinderen in kindertehuizen en jongerencentra terechtgekomen.
En ze voelt zich schuldig. Ze is tekortgeschoten.
Is het door háár dat David zo geworden is? Zocht hij bij verkeerde vrienden wat hij thuis miste?
Alle vooroordelen smelten weg. Je wilt met haar meevechten om David weer een kans te geven. Hij is toch pas zeventien? Nog een heel leven voor zich, maar hoe?
Op een gegeven moment vertelt ze, dat haar zoon zo graag tekent en dat ook in de gevangenis veel doet. Ze haalt een paar werkstukken uit haar tas die ze bij haar eerste bezoek van hem gekregen heeft.
't Zijn pakkende tekeningen. Een hand, om prikkeldraad geklemd, waaruit bloed druipt. Een Che Guevarra-kop.
Ook één met het gezicht van de lijdende Christus met de doornenkroon.
Getroffen kijken we ernaar.
"Die laatste heeft hij speciaal voor mij gemaakt", zegt ze, "want hij weet dat de Christusfiguur heel veel voor mij betekent." We zijn even stil.
David moet zelf niet veel van de kerk en zo hebben, maar is er misschien toch nog wat overgebleven van wat z'n moeder hem heeft meegegeven?
Ze mag hem één keer 'vis à vis' bezoeken: zonder dat nare glas ertussen.
Hem even aanraken, strelen, kussen.
Dan gaat ze weer terug naar Nederland.
Haar eerste en waarschijnlijk laatste bezoek aan Spanje: haar financiële toestand laat méér niet toe. Wanneer zal ze haar zoon terugzien? De kans dat hij een gevangenisstraf van jaren krijgt is groot.
Maar ze blijft hem vasthouden. Brieven schrijven. Pakjes sturen - ook al hoort ze dat heus niet alles bij David terechtkomt.
Het lijntje, dat hen beiden verbindt, blijft.
De week daarop is David jarig en ik ga erheen. Om hem te feliciteren? Veelmeer om te laten merken dat we aan hem denken. De Kerstdagen staan ook nog voor de deur ...
Na eindeloos wachten kunnen we praten, en het is net alsof we elkaar toch een stuk naderbijgekomen zijn. Ik kan merken, dat hij het bezoek van z'n moeder erg fijn gevonden heeft. Hij heeft warmte gevoeld. Niet alleen lichamelijk - de trui die ze meenam was hard nodig - maar vooral geestelijk staat hij nu niet helemaal meer in de kou.
Ik heb namens de kerk een pakje voor hem meegenomen met allerlei dingen waarvan we gehoord hebben dat hij ze graag wil hebben èn die ook zijn toegestaan.
Ik vertel hem dat, en we zijn benieuwd of alles door de controle komt. Na m'n bezoek wil ik het bij de wacht inleveren, maar het wordt aanvankelijk geweigerd. Uit het in rap- Spaans gesproken verhaal begrijp ik, dat hij van z'n moeder al een pakje heeft gekregen en méér nu niet is toegestaan. Ik probeer duidelijk te maken dat het voor zijn verjaardag is.
En dat ik geestelijke ben en het namens de kerk kom brengen. Uiteindelijk pakt de bewaker het gelukkig toch aan.
Wanneer ik de volgende maand David voor het laatst opzoek, hoor ik van hem dat alles wat ik afgegeven heb is doorgekomen. "Dat ik nog eens een pakje van een kerk zou krijgen ... ik zou het vroeger niet voor mogelijk gehouden hebben", zegt hij. "En met wat erin zat was ik ook erg blij ... en niet alleen een bijbeltje, wat ik ook wel fijn vond hoor, want ik lees hier veel."
Als ik terugrijd gaat het door mij heen hoe weinig er eigenlijk voor nodig is om het zijden draadje, waarmee sommigen nog vastzitten aan geloof en kerk, intact te houden, maar ook hoe gemakkelijk het is om zo'n dun lijntje zonder het je bewust te zijn en zonder het te willen - te laten breken.