Kuiterts nieuwste boek (2)

1992-03-27
  • Jaargang 36
  • nummer 7
Het jongste boek van Kuitert ligt in het verlengde van zijn eerdere geschriften. Het vat al het voorgaande nog eens samen. Is het daarom oude kost? Zeker niet! Het is een belangwekkend boek. Het stelt je in staat antwoord te geven op de vraag: Waar komt Kuitert met zijn wijze van theologiseren nu eigenlijk terecht? Wat houdt hij over? We kennen allemaal de benauwde vraag van de verontrusting: Waar blijven wij? Kuitert zelf zal ze maar al te bekend in de oren klinken, hij zal er vaak mee gekonfronteerd zijn. Laten degenen die deze vraag met of zonder pathos gesteld hebben en nog steeds stellen dit boek nu eens aandachtig lezen. Ik maak me sterk dat ze dezelfde ervaring zullen opdoen als ik: het valt mee. De schrik waarmee je, mede vanwege de titel die je gemakkelijk op het verkeerde been zet, begint te lezen slaat gaandeweg om in verwondering over de herkenbaarheid van Kuiterts theologie, van zijn schrijven over het christelijk geloof, moet ik eigenlijk zeggen. Hoe is het mogelijk dat iemand die zokritisch staat tegenover wat onder ons altijd gegolden heeft als het beginsel van alle christelijke theologie: het geloof in de Schriftopenbaring, in zijn uitleg van de geloofstraditie tot zulke herkenbare resultaten komt? Is de inspiratie leer van zoweinig gewicht? Of is Kuitert niet konsekwent?
Of bewijs ik met mijn verwondering alleen maar dat ik het gewoon niet begrijp?

De schrijfstijl
Wanneer Kuitert nooit eerder iets geschreven had dan zou ik van zijn boek alleen maar schrikken vanwege alles wat hij anders zegt dan ik gewend ben.
Maar zo is het niet. Een lange reeks van publlkatles staat op zijn naam. Je bent dus, voor zover je hem gelezen hebt, van zijn schrijfstijl en aanpak wel op de hoogte. Zo stap je over veel heen waar je als beginneling over zou vallen. Je vat zelfs gaandeweg waardering op voor die nuchtere nononsense-stijl van hem. Het klinkt wel eens oneerbiedig, maar Kuitert is dat toch geenszins. Hij schrijft juist met besef van God. Zo lees je aan het begin van het hoofdstuk over de Triniteit: 'De Drieëenheid (laat ik kortheidshalve er zo over mogen spreken) is ...' (p. 179) Hier is op een weldadige wijze het besef aanwezig dat 'drieëenheid' een ding is en als zodanig als aanduiding van God ongepast. Opmerkelijk is ook dat Kuitert het bezittelijk voornaamwoord, wanneer het op God en Christus betrekking heeft, steeds met een hoofdletter schrijft: Zijn. Dat zie je haast nergens meer. Kuitert is in zijn boek dan ook zeer onder de indruk van de grootheid en de hoogheid van God.
Dat neemt je onmiddellijk voor hem in.
Op veel modern (maar ook orthodox!) theologisch geschrijf van vandaag is immers maar al te zeer van toepassing wat Paulus aan de Korintiërs schrijft: "Sommigen uwer hebben geen besef van God. Tot uw beschaming moet ik dit zeggen" (I Korintiërs 15:34). "De Here hiet geen Hendrik" reageerde mijn grootvader op het al te gemeenzame in het godsdienstige, en hoewel hij geen Zeeuwse boer was (p. 112,178; ja, ja, die eerste gemeente, hè?) zou hij bij Kuitert met deze opmerking hoog gescoord hebben. Ach ja, 't is waar, soms knipper je bij het doornemen van Kuiterts boek even met de ogen, bijvoorbeeld wanneer je leest dat wij in de nood als de donder naar God toe moeten (p. 254). Hè?
Maar voor een goede exegese moet je ook hier op het tekstverband letten.
Kuitert bestrijdt op deze plaats namelijk temperamentvol de dogmatische hardvochtigheid van degenen die vinden dat je het bidden niet als achterdeurtje mag gebruiken, niet dus omdat je in de piepzak zit. Dat moet je eer te na zijn. Met verontwaardiging verwerpt hij dit gevit als ontoelaatbare schoolmeesteriij en boos op een heersende in plaats van dienende theologie houdt hij de weg voor iedere vertwijfelde open naar God. Vandaar. En hoe verrassend komt hij dan een moment verder aan met het ontroerende psalmwoord: "Wie Hem aanroept in de nood vindt zijn gunst oneindig groot".
Weet je, dan knipperen de ogen niet meer, dan tranen ze. Waar je je bij een zalvende schrijver gek aan zou ergeren, vanwege het onechte van het eeuwige teveel, daar schiet je bij Kuitert het gemoed van vol, omdat zijn spaarzamelijke vroomheid binnen de nuchtere kaders van de oprechtheid valt.

Tegen de tijdgeest
De vorige keer schreef ik dat Kuitert het vaak voor de christelijke geloofstraditie opneemt tegenover allerlei moderne en modieuze ontwerpen die hij met goede argumenten van de hand wijst. Ik wil daar nu een paar voorbeelden van geven. Ze illustreren stuk voor stuk dat Kuitert met zijn boek bepaald niet de populariteit heeft gezocht.
Kuitert staat met zijn onmodieuze theologie tegenover de tijdgeest, moet je zelfs zeggen. Wel zoekt hij in zijn bestrijdingen steeds de diskussie-toon en geeft hij zijn tegenstanders alle gelijk dat hun toekomt.
Dat doet sympathiek aan. Hij maakt daarmee trouwens zijn uitgangspunt waar dat alles wat hij zegt (en zelfs belijdt!) bespreekbaar is. "Gesprek betekent dat partners elkaar op voet van gelijkheid behandelen" (p. 24).

1. In de eerste plaats wil ik noemen dat Kuitert het in hoofdstuk VII van zijn boek, 'Gods voorzienig bestel. Over de onderhouding en regering van alle dingen', opneemt voor het belijden van zondag 10 van de Heidelbergse Katechismus, op p. 110 zelfs met zoveel woorden. Het is zoals we allemaal weten mode geworden op de belijdenis dat God alle dingen regeert af te geven. Het er in elk geval hartgrondig mee oneens te zijn. En inzoverre wij onze gekompliceerde wereld heel moeilijk terug weten te vinden in het overzichtelijke huis-, tuin- en keukenrijtje van "loof en gras, regen en droogte" en wat er verder volgt in dit kerkelijke leerboekje, is dat ook goed te begrijpen. De betreffende zondag is er daarom een mooi voorbeeld van hoe een blijvende waarheid in een tijdgebonden formulering ondergebracht kan zijn. Maar een blijvende waarheid is wat daar beleden wordt wel. Tot mijn grote vreugde handhaaft Kuitert de christelijke belijdenis van Gods almacht en acht hij die met het God-zijn van God gegeven. "Hij zou ophouden God te zijn als het anders was" (p. 58). Op p. 102/3 bespreekt Kuitert de moderne opvatting die breekt met de belijdenis van God die alles leidt en bestuurt en het daartegenover houdt op een God die alles lijdt en verduurt, een God die in alle moeite aan onze kant staat, meelijdt, meehuilt maar die er verder allemaal ook niets aan kan doen. Kuitert rangschikt deze voorstelling onder de reddingspogingen die (sympathiek!) bedoelen God van elke blaam van een engagement met deze boze wereld te zuiveren en hij schrijft: "Het is de oplossing van Harold Kushner in dat boekje dat een paar jaar achtereen ..., daaruit blijkt hoe het probleem ons bezig houdt - op de bestsellerslijst heeft gestaan: 'Als 't kwaad goede mensen treft'. Het is een prachtig boekje als het gaat om beschrijvlnq van het leed dat mensen kan overkomen, maar van God blijft niets meer over dan een tandeloze tijger, een God zonder macht, een God die net zoveel kan als wijzelf. Wat willen we nog met zo'n God?" En even verder: "God is niet weerloos, niet onderweg naar Zijn macht, niet weerloze overmacht (de laatste term is van Berkhof, dJ) - dat zijn woorden die onze verlegenheidmet Zijn bestel weergeven, we kunnen ze niet echt menen". Wie mijn boek 'Bron en Norm' (1979), bijvoorbeeld de hoofdstukken IX en XXV, gelezen heeft zal begrijpen dat ik hier zeer mee ingenomen ben. Ik kan dat hele hoofdstuk VII van Kuiterts boek dan ook van harte aanbevelen.
Of ik het dan met alles wat daarin
gezegd wordt eens ben? Nu, ik heb wel vragen. Is het waar dat het kwaad bij de schepping hoort en dat wij af moeten van de idee dat er geen kwaad mag zijn dat van Zijn kant komt (p. 107)? En dat God met ons het spel van kat en muis speelt, maar dat Hij te vertrouwen is (p. 111). Zulk spreken hoort hard. Onjuist is het niet, maar ik begrijp eigenlijk niet waarom Kuitert hier zwijgt over de satan. Die ontbreekt opmerkelijkerwijs in vrijwel heel het boek. Daar hoop ik nog wel op terug te komen. Het is waar, Kuitert spreekt over het Godsbestuur precies zoals Job dat doet in de gesprekken met zijn vrienden. Dat beeld van kat en muis past daar helemaal in. Maar in het voorwoord van dat bijbelboek Job is het alsof daarop toch een verduidelijking en zelfs een korrektie wordt aangebracht. De God van de dialogen, de Willekeurige en toch de Getrouwe, de God tegen wie Job bij God in beroep gaat (!, 16:20/1), wordt daar onderscheiden en gescheiden in enerzijds de HERE en anderzijds de satan.
In de dialogen worden ze beiden door het ene woordje 'God' gedekt en omsloten (zo lijkt het), maar het voorwoord legt de twee uiteen: HERE én satan, HERE versus satan. Niet dat daarmee alle moeilijkheden van de lucht zijn, zeker niet. De voorstelling van het voorwoord vervangt die van de dialogen dan ook niet, ze blijven naast elkaar staan. Maar wat bedoelt het voorwoord met die (onder)scheiding?
Zou ons met de satan, die als tegenstander en tegenspeler, als kontraintelligentie tegenover de HERE wordt gesteld, niet een scheld-adres verschaft zijn waarop wij onze woede kunnen koelen ('0 God, verdoem hem!') zodat we ons naar God de Here toe in onze taal kunnen verzachten en ophouden Hem 'iets ongerijmds' toe te schrijven? Met andere woorden (om even met Kuitert die elk beslissend beroep op de bijbel afwijst mee te denken), hebben wij die satan omwille van ons mens-zijn eigenlijk niet nodig?
God verschoonde Job om zijn harde woorden, maar zou Hij tegen ons die het voorwoord van het boek Job kennen en van de duivel weten niet kunnen zeggen: spoel eerst eens je mond?

Volgende week gaan we verder.

Ds. G. de Lange
Nog even een mededeling van andere aard. Of er nog een antwoord van mij kwam op het artikel van ds. G. de Lange te Rotterdam, getiteld 'Nu Christus gekomen is', in het nummer van 28 februari j.l., vroegen sommigen mij. Nee, dat was ik eigenlijk niet van plan. Weliswaar had genoemd artikel de vorm van een vraag aan mij, maar inhoudelijk gaf het toch meer het standpunt van ds. De Lange over de positie van de vrouw weer. Antwoorden zou dus neer komen op een diskussie.
Ik heb ds. De Lange gezegd dat ik me over die zaak genoeg geuit had om aan zo'n gesprek nog weer eens te beginnen. Zijn artikel is dus geplaatst als een bijdrage aan de algemene gedachtenvorming op dit punt.

H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief