Werkdruk van predikanten (3)

1992-03-27
  • Jaargang 36
  • nummer 7
De aanleiding voor de eerste aflevering van deze serie was een artikel van de heer Van Delden in de Variant (N.o.) over de werkdruk van predikanten. Vervolgens werd geschreven over het pastoraat in de gemeente. Het is belangrijk dat gemeente en predikant op de hoogte zijn van wat men van elkaar verwachten mag. Een predikant moet proberen zijn eigen grenzen in de gaten te houden en dit ook duidelijk maken aan de gemeenteleden.
In het tweede deel kwamen o.a. spanningen binnen de gemeente aan bod. Soms stellen gemeenteleden tegenstrijdige eisen aan de predikant. Een drukke werkweek hoeft geen bezwaar te zijn; in kombinatie met veel spanningen kan het werk echter wel te zwaar worden.

Werkweek
Predikanten maken lange werkweken.
Een werkweek van 60 tot 70 uur is geen uitzondering. Overigens is het werkelijke aantal uren (zelfs via 'tijdschrijven') niet gemakkelijk te berekenen: nadenken over een pastoraal gesprek, op bezoek bij iemand die stervende is, een verschil van mening tussen twee gemeenteleden bijleggen: hoe meet je dat precies in uren of minuten? Ook de scheiding tussen vrije tijd en werktijd ligt bij een predikant vaak niet duidelijk. In zijn vrije tijd komt hij regelmatig zaken tegen die met zijn werk te maken hebben.

Vrije dagen
Er zijn predikanten die zelden een vrije dag nemen. Dag-in, dag-uit zijn ze bezig met hun werk. De vraag is, of hier geen grenzen worden overschreden.
Er kunnen zowel argumenten uit 'werkgeversbelang' als uit 'werknemersbelang' worden genoemd. In sommige beroepen blijkt de inzet en concentratie van veel werknemers te dalen wanneer men langer dan 6 á 7 dagen achter elkaar moet werken. Ook als men zich nog steeds voor 100% (of meer) in wil zetten: de rek gaat eruit.
Iemand die altijd en overal bezig kan zijn met zijn werk vormt echt een grote uitzondering, waar we ons dan ook niet aan moeten proberen te spiegelen.
Als na een lange serie werkdagen de rek eruit gaat, zou het dus ook zo kunnen zijn dat een predikant die zelden een vrije dag neemt, in zijn werk minder op kan brengen ...! Een werkgever snijdt zichzelf in de vingers, wanneer hij daar geen rekening mee houdt. Een gemeente en/of kerke raad dus ook!
Naast dit werkgevers/werknemersargument is er ook een principieel argument. Geldt het gebod dat we 6 dagen mogen werken en dat de 7e dag een rustdag is niet voor predikanten?
Hun rustdag valt niet op zondag, maar het gebod dat we de 7e dag mogen rusten heeft God met het oog op het welzijn van de mens gegeven!
Hoe een vrije dag moet worden ingevuld is een zaak van andere orde. Het wil niet zeggen dat de deur van de studeerkamer persé de hele dag op slot moet blijven. Het gaat om het principe: een dag die apart gezet kan worden om uit te rusten van het dagelijkse werktempo. Ook een dag waarop de predikant meer dan anders beschikbaar is voor zijn gezin. Het zou naar mijn idee goed zijn wanneer de gemeente ook wéét op welke dag de predikant in principe vrij is (in enkele gemeenten wordt dat bv. in het kerkblad genoemd).

Geven en nemen
Mensen die in (bv.) gezondheidszorg of onderwijs werken, moeten veel energie in anderen steken. Hoe kun je die energie opbrengen als je jezelf de tijd niet gunt om op te laden? Wanneer het leven alleen maar bestaat uit hollen, komt er van dat opladen weinig terecht. De accu loopt leeg. Dat geldt ook voor het geloofsleven. "Wanneer ik even naar mezelf kijk, merk ik dat ik lang niet altijd voldoende rust heb (of liever: neem) om mezelf de tijd geven om op God afgestemd te raken. Is het dan vreemd als je niets ervaart of ontvangt? Als je niet eet, krijg je toch ook geen nieuwe energie?" 1. Walstra merkt ten aanzien van predikanten op dat "de telefoon en de ballpoint de dienst van het gebed sterk hebben ingeperkt" 2. Hij citeert zowel Karl Barth ("de basis van alle theologische arbeid is het gebed") als Teilhard de Chardin ("de tijden die we vrijhouden voor het gebed moeten niet gezien worden als een extra last van verplichtingen; in werkelijkheid zullen ze een fontein worden, een machtige bezieler, die aan hetgeen wij doen een betekenis, een nieuwe lichtheid geeft").

Predikanten
Ook predikanten moeten vaak veel energie steken in anderen. Het is heel veel hollen en zelden stilstaan. Ideeën uit andere beroepsgroepen kunnen dan ook zinvol zijn voor predikanten (sommige vormen zijn al aanwezig binnen onze kerken). Te denken valt aan het bijwonen van kursussen of studiedagen, aan het zich laten bijscholen, aan de ontmoeting met kollega's, het geven van ruimte voor studieverlof (in het buitenland soms vertaald in de vorm van een sabbatsjaar). Ook al heeft men niet altijd direkt de indruk dat het rendement groot is, toch zijn deze kontakten vaak belangrijk.
Je kunt ook een keer luisteren zonder dat 'alles' van jou afhangt.
Een ander idee is het werken met een 'mentor' 3. Men noemt deze 'mentor' vooral voor beginnende predikanten.
Wat Van Koetsveld destijds beschreef over de moeizame overgang van de (hoge-)schoolbanken naar de praktijk 4 geldt in onze tijd nog steeds; voor veel predikanten is het wennen in de pastorie.
Toch denk ik dat het mentorschap niet alleen voor jonge predikanten zinvol is.
De mentor valt te vergelijken met de 'schaduw-therapeut' binnen de hulpverlening; de ervaring leert dat toetsing door een kollega heel verhelderend kan werken en dat men nooit te oud is om te leren. Natuurlijk kan een predikant ondersteuning zoeken binnen zijn eigen gemeente; er zijn echter ook situaties die het beste door een kollega 'aangevoeld' kunnen worden.

Altijd beschikbaar zijn?
Enige tijd geleden werd op een kongres de vraag gesteld waarom in de christelijk hulpverlening in het algemeen (dus niet alleen t.a.v. predikanten) zoveel mensen vastlopen. Je gelooft dat het in je werk niet alleen van jou afhangt, en toch doe je net alsof alle resultaat wel van jouw inzet afhankelijk is. Dus werk je tot je er bijna bij neervalt.
Het probleem is dat de verhouding soms zoek is. De predikant wordt dan gezien (of ziet zichzelf) als iemand die:
- 1) altijd en
- 2) overal
- 3) voor iedereen klaar moet staan.
Er is al eerder in 'Opbouw' over geschreven dat we in onze kerken in verhouding tot het aantal leden relatief veel predikanten hebben. Dat is een groot goed, waar we heel erg dankbaar voor moeten zijn. Andere kerken doen zichzelf en hun predikant tekort door op 'extensieve wijze de gemeente te beweiden'. Wie sommige tijdschriften doorbladert komt advertenties tegen voor bv. "een 70% predikant; de gemeente telt 1350 leden".
Het zal duidelijk zijn dat zo'n predikant nooit een echte vertrouwensband met zijn gemeenteleden op kan bouwen; hij krijgt niet de kans om zijn schapen echt te leren kennen. Toch kan er een negatief aspekt kleven aan de 'domineesdichtheid' in onze kerken. Denken we soms niet te gemakkelijk dat de predikant vanzelf voor ons klaar staat?
Wordt er niet te vanzelfsprekend naar de predikant gekeken; wordt er niet te 'automatisch' aandacht van zijn kant verwacht? Een gemeente wordt er niet slechter van als de predikant af en toe duidelijk zijn grenzen aangeeft of wanneer hij een tijdje niet beschikbaar is.

Dienstbaarheid
We zijn als christenen geroepen tot dienstbaarheid. Dat geldt ook voor het ambt van predikant. Wie niet dienstbaar wil zijn, wie alleen maar vaste werktijden wil, moet geen predikant worden. In het 3e deel van de serie in de VarianUN.D. over de werkdruk van predikanten gaat Ds. C.J. de Ruijter uitgebreid in op dit aspekt 5. In het vraaggesprek noemt De Ruijter een aantal andere beroepen met eveneens een zware werkdruk (bv. een middenstander die van maandag tot zaterdag van vroeg tot laat in touw is en 's avonds een lange kerkeraadsvergadering heeft). Daarna gaat hij in op de positieve aspekten van het ambt van predikant. Hij vergelijkt het ambt met de sport van een alpinist: je moet je enorm inzetten, "maar je hebt ook prachtige topervarlnqen, momenten .
waarop een predikant kan zeggen dat het allemaal echt de moeite waard is".
Ook merkt hij op dat er weinig mensen zijn voor wie zó veel wordt gebeden als voor de predikant.
Als één van de oorzaken van spannin-
I gen noemt De Ruijter het feit dat de , predikant vaak te geïsoleerd in de gemeente funktioneert. Hij is degene die bezoeken af moet leggen, terwijl dit werk in principe ook door anderen in de gemeente gedaan moet kunnen worden. De Ruijter legt voor wat de specifieke taken van de predikant betreft duidelijk de prioriteit bij de prediking en de catechese.
Opnieuw komt hier dus naar voren dat het werk in de gemeente niet alleen het werk van de predikant of van de kerkeraad mag zijn. God heeft alle leden van de gemeente gaven gegeven, alle gemeenteleden mogen en moeten dus ook op hun manier ingezet worden 6.

Kind van de predikant: een persoonlijke impressie
In het voorgaande deel kwam naar voren dat het werk van een predikant veel inzet vraagt. Een ander aspekt dat vaak ter sprake komt, is het gezin van de predikant. Ik ben geen predikant; dat heeft als voordeel dat er gemakkelijker 'vanaf de zijlijn' geschreven kan worden. Ik kom wél uit een predikantsgezin.
Daarom nu toch een persoonlijke (en dus niet voor altijd en voor iedereen geldende) impressie.
Verkeren kinderen van predikanten in een nadelige positie? Wonen ze teveel in een glazen huis? Natuurlijk worden er wel eens opmerkingen gemaakt over het beroep van je vader ("en dat voor een zoon van een dominee!").
Maar is dat alleen zo bij kinderen van predikanten? Als mijn vader arts, onderwijzer of direkteur van de plaatselijke bank was geweest, was ik net zozeer een 'buitenbeentje' geweest in de plaatsen waar ik ben opgegroeid.
Zij wonen soms ook in een 'glazen huis'.
Ook ander spanningsvelden die genoemd worden bij predikantsgezinnen kunnen wel wat gerelativeerd worden.
Een predikant heeft het druk, er is weinig tijd om met de eigen kinderen te praten, anderen lijken steeds voor te gaan. Dat vind je als kind niet altijd eerlijk. Maar ook daarin is het predikantsgezin beslist niet het enige gezin; er vallen veel andere beroepen te bedenken die (qua tijd) in een vergelijkbare situatie verkeren. In al die beroepsgroepen zal (meestal) de vader zich moeten realiseren dat hij ook een heel belangrijke taak heeft in het gezin.
Heb ik mijn eigen vader écht weinig gezien? 's Avonds was hij inderdaad weinig thuis. Voor een puber niet altijd zo plezierig. Daar stonden andere ervaringen tegenover. Hoeveel kinderen worden 's morgens door hun vader uitgezwaaid als ze naar school gaan? Als ik tussen de middag thuis kwam, was mijn vader meestal ook thuis.
Een bezoekje aan de tandarts of de dokter? Soms ging mijn vader mee, hij had overdag een redelijk flexibele agenda.
De zondag: dan voelde je binnen het gezin de spanning. Zo'n dag was druk en 'geladen'. En 's avonds was mijn vader door vermoeidheid niet altijd aanspreekbaar. Toch zaten er ook aan de zondag positieve kanten. Heel leuk was het om met mijn vader mee te gaan naar een andere gemeente: dat gaf altijd een bijzonder gevoel van saamhorigheid.
Het beroep van mijn vader: het was heel zichtbaar. Die zondag was gespannen, maar je wist ook waardoor die spanning kwam. Hij was in zijn beroep ook een duidelijk voorbeeld.
Hoeveel kinderen weten tegenwoordig 'wat hun vader doet'? ("Hij werkt bij de Hoogovens?" "Wat doet hij daar?"
"Nou, hij werkt!").
Wat wél ingrijpend is, zijn moeilijk oplosbare spanningen binnen een gemeente. Als er iets als kind in je geheugen blijft gegrift, dan zijn dat de spanningen (bv. rond een scheuring) in de gemeente. Want dan staat je vader onder vuur en je 'voelt' hoe zwaar dat voor hem is. Dat zijn inderdaad spanningen die ik ieder kind zou willen besparen.
Als je vader predikant is, heeft dat mooie en soms ook minder mooie kanten. Toch heb ik beslist niet de indruk dat ik - omdat ik nu eenmaal in een predikantsgezin ben opgegroeiddaardoor tekort ben gekomen in mijn jeugd. Toegegeven: het was een persoonlijke impressie, maar ik zal toch wel niet de enige zijn met (zeker 66k) positieve ervaringen ...

Afsluitende opmerkingen
Nu nog enkele afsluitende opmerkingen, ten dele samenvattende konklusies van wat eerder aan de orde werd gesteld.

- Het is duidelijk dat het werk van een predikant veel van hem vraagt. Toch is het belangrijk om niet alleen de zware aspekten te benadrukken. Het ambt van predikant is niet het enige zware beroep (zie recente publikaties over artsen); evenmin is het zo dat het ambtswerk vroeger wél gemakkelijk verliep. Er zijn in deze tijd wél meer complexe factoren, die het werk verzwaren ("Vroeger droeg het ambt ons ... en dat gaf je een gevoel van veiligheid. Tegenwoordig dragen wij het ambt en je wordt er soms doodmoe van" 7).
Wie echter álle nadruk legt op de verzwarende omstandigheden, komt in een vicieuze cirkel terecht waarin mensen elkaar in de put praten. Het gaat beslist niet om een onmogelijk ambt dat iedereen maar moet worden afgeraden. Veel belangrijker is het om te kijken in hoeverre aan de verzwarende omstandigheden van deze tijd tegemoet gekomen kan worden. Daarbij is een goede samenwerking tussen predikant, kerke raad en gemeente van groot belang.

- In deze serie werd o.a. een appèl gedaan op de leden van de gemeente om rekening te houden met de (on-) mogelijkheden van de predikant. Iedere predikant heeft zijn grenzen en in verschillende levensfasen kunnen die grenzen ook nog eens verschillend liggen.
Van der Poll schrijft dat het tijd wordt de pastorale, onderwijzende en verkondigende taken niet meer vanzelfsprekend aan dezelfde persoon te koppelen. M.a.w.: zet de predikant zo in dat zijn gaven zo goed mogelijk benut kunnen worden 8. Soms wordt er door de gemeente te 'automatisch' vanuit gegaan dat de predikant op alle terreinen even gemakkelijk inzetbaar is.

- Samenhangend hiermee: gemeenten hebben vaak hoge verwachtingen van hun predikant. Het is belangrijk dat kerkeraad en gemeente hun verwachtingen en prioriteiten duidelijk naar voren brengen (liefst al bij het beroepingswerk).
Omgekeerd moet de predikant proberen om duidelijk aan te geven wat zijn mogelijkheden en grenzen zijn.

- Predikanten moeten zich realiseren dat in een gemeente niet zomaar alles kan. "Niet alle predikanten hebben een zuiver afgestelde antenne voor zaken die aanstoot geven binnen een gemeente" 9. Wie als predikant bv.
onvoldoende rekening houdt met de geschiedenis van zijn gemeente, komt zichzelf op een onplezierige manier tegen. Ook daarin is een goed samenspel tussen gemeente en predikant van groot belang. Een gemeente moet de predikant de ruimte geven, de predikant moet rekening houden met de situatie binnen de gemeente.

- Een predikant dreigt bij spanningen soms als inzet te worden gebruikt.
"Gemeenteleden willen dat je als predikant duidelijk geplaatst kunt worden"
10. Ben je vóór of tegen ... Daarmee dreigt de predikant ook voor het karretje van die gemeenteleden gespannen te worden. Wat dan maar al te vaak wordt vergeten is het gebed voor de predikant. Dat is een ernstige vergissing. Juist in zó'n situatie is het gebed onmisbaar.
- Het is belangrijk om het gezin van de predikant niet uit het oog te verliezen.
Wanneer door de werkdruk van de predikant roofbouw wordt gepleegd op zijn gezin, zal ook zijn eigen werk er op den duur onder gaan lijden. De meeste predikanten zijn ook echtgenoot en vader. 06k in dat verband hebben ze van God een taak gekregen.

Tenslotte
Het artikel moet afgerond worden.
Lang niet alle aspekten rond het vraagstuk van de werkdruk van predikanten konden aan bod komen. De serie is dan ook allesbehalve volledig.
Er kwamen in ruwe pennestreken slechts enkele onderwerpen aan bod.
In deze serie kwam naar voren dat het ambt veel vraagt van een predikant.
We kunnen dat ambt niet los zien van de roeping. Daarin ligt ook de bron van het werk. Het is de liefde tot God en de liefde voor Zijn gemeente die onmisbaar is voor het werk. "Als God ons vraagt om te geven, de rijkdom van ons leven", dan kan er ook een moment zijn waarop de Here Jezus zich omdraait en zegt dat we zélf even uit mogen rusten (uit een preek van Ds. G. van den Brink over 1 Koningen 19: 19-21). Dat geldt zéker ook voor onze predikanten die zich zo volledig inzetten binnen de kerken.

Noten:
1. Jacob Visser, direkteur van de Internationale Bijbelbond, in het voorwoord bij.het boekje 'Stille Tijd'
2. Dr. J. Walstra: Pastor ondanks alles (Callenbach, 1989), pagina 8
3. Ook genoemd in 'Opbouw', Persschouw, 1989/26. Drs. O. Mooiweer citeert hier Ds. A.W. Kranenburg uit Hoogeveen.
4. Ds. C.E. van Koetsveld: Schetsen uit de pastorie te Mastland (1843).
5. Interview door H. Hoksbergen in Nederlands DagbladIVariant, 8 februari 1992
6. Ds. J.C. Schaeffer, Gemeenteopbouw, Opbouw 1991, nrs. 17, 18, 19
7. Citaat, zie voetnoot 4
8. Drs. E.w. van der Poll: Vrolijk orthodox (In: Soteria, 1992/1)
9. Citaat van Ds. A.W. Kranenburg; zie noot 4.
10. Dr. J. Walstra, pagina 21 (zie voetnoot 3).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief