Kuiterts nieuwste boek (3)

1992-04-10
  • Jaargang 36
  • nummer 8
We waren bezig een lijstje op te maken van voorbeelden van Kuiterts onmodieuze theologie en waren nog niet verder gekomen dan het eerste. Maar dat was dan ook een heel belangrijk voorbeeld. Gods voorzienig bestel, zijn regering van alle dingen. Tot in onze eigen kring toe kun je daarover Berkhoviaanse geluiden horen, zo bijna algemeen zijn de nieuwere opvattingen daarover ingeburgerd.
maar dan is het notabene Kuitert die het oude geluid van de traditie weer ten gehore brengt. In een herijking, best, met een bijstelling, zeker, maar toch onmiskenbaar.
Dat is toch opmerkelijk! Hoe belangrijk het punt is blijkt wel hieruit dat de hele zin van het bidden er mee staat of valt. Zeer terecht legt Kuitert dat verband als hij schrijft: "Een God die er niets aan kan doen, is geen God meer. Het aanroepen, heeft geen zin, er verandert niets mee. Geloof en hoop gaan in rook op" (p. 102). Ware woorden. Maar laten we naar een volgend punt gaan.oja, nog dit, laat niemand denken dat het onmogelijk zou zijn een misschien nog wel langer lijstje aan te leggen van punten waarop we met Kuitert van mening verschillen. Maar ten eerste zal dat in onze kringen door anderen al genoeg gedaan worden (en dat moet ookl), en vervolgens vind ik dat de punten van overeenstemming meer in het centrum van het geloof liggen dan die van verschil. (Zoals afgesproken zouden we het punt van de Heilige Schrift eerst nog even buiten beschouwing laten.)

2. Onder dit punt zou ik willen wijzen op wat Kuitert over de verzoening schrijft.
Hij ziet de verzoening als een metafoor, dat wil zeggen als een beeldspraak die iets van een bekende situatie wil overdragen op een onbekende. Opstanding is ook zo'n metafoor: iemand staat 's morgens van zijn bed op en dat wordt als beeld gebruikt voor het volstrekt onbekende dat Christus na zijn dood tot nieuw leven kwam. Kuitert wijst zo heel veel uit de christelijke geloofstraditie aan als metafoor en je zou willen dat een filosofisch geschoold iemand hem op dit punt eens zou narekenen of hij daarin niet te ver gaat. Is bijvoorbeeld de aanduiding 'Vader' een metafoor - voor God of moeten we omgekeerd voor elk aards vaderschap van het zijne uitgaan, zoals Paulus in Efeziërs 3 : 15 lijkt te zeggen? Kuitert zelf voelt zich trouwens in het grensgebied tussen beeld en werkelijkheid ook niet al te zeker. Je kunt, zegt hij, een bepaald beeld overvragen.
Dat is ongetwijfeld juist, maar teveel van het beeld weggooien is ook een mogelijheid. Inderdaad, "het gesprek over de vraag wat ze bedoelt over te dragen en wat niet, blijft open" (p. 150). Maar dat nu verder daargelaten.
Het mooie van wat Kuitert over de verzoening schrijft is dat hij staande houdt (tegen de hele moderniteit in) dat Jezus voor Gods vergeving van onze zonden plaatsvervangend of plaatsbekledend de prijs van zijn leven betaald heeft. Dit is uitermate belangrijk. Heeft Kuitert door zijn voorstelling van de goddelijke voorzienigheid (zie het vorige punt) het gebed 'gered', met zijn leer over de verzoening 'stelt' hij het kerklied 'veilig'.
Want dat komt over de verzoening door de voldoening maar niet uitgezongen: 'Jezus, uw verzoenend sterven ...', enzovoorts.
Veel moderne theologie leert het zingen van het klassieke kerklied af. Dat is rn.i. ook het geval met wat in onze tijd de gereformeerde theoloog H. Wiersinga in zijn proefschrift 'De verzoening in de theologische diskussie' (1971) over de verzoening te berde heeft gebracht.
U weet wel, de leer dat Jezus' dood een schokeffekt teweeg wil brengen bij ons mensen: 'zijn we tot zoiets in staat?' en dat dat dan onze toekeer tot God bewerkstelligt.
Dat is een voorstelling die voor de mens een essentiëel aandeel in het verzoeningsgebeuren inruimt en daarmee de aanstoot die de doenerige mens aan de verzoeningsboodschap nemen kan probeert weg te werken.
Zonder Wiersinga bij name te noemen schrijft Kuitert hiervan: "Daarom denk ik dat Zijn kruisdood niet uitputtend beschreven is, als we zeggen dat ze een schok ('zijn we tot zulke daden in staat!') bedoelt te bezorgen aan de overtreders.
Dat 'schokeffekt' heeft het kruis ook, zoals ik heb laten zien, maar als het alles is wat erin ligt, is de vergeving eruit gevallen" (p. 151). Kuitert erkent dat de voorstelling van de verzoening zoals die in bijbel en traditie tot ons komt een ingewikkeld geval is. Op de vraag waar dat goed voor is schrijft hij: "Het meest afdoende antwoord is: de WEG ziet er zo ingewikkeld uit omdat mensen ingewikkeld zijn. Wij geloven niet zo gemakkelijk dat wij knoeiers zijn die de schepping (en zichzelf erbij) bederven en het uiteindelijk moeten hebben van de vergeving' (p. 156/7). Verzoening door vergeving dus. En ook het doorvragen op die vergeving gaat Kuitert niet uit de weg. "Verzoening zegt dat God vergeeft, maar dat Hij dat doet door te bedekken" (p. 150). God dekt de zonde toe met het echte, het bloedserieuze offer van Christus. De diepste klanken van het evangelie zijn hier bij Kuitert te beluisteren.

3. En nu de opstanding van Christus.
Heel belangrijk is dat Kuitert de feitelijkheid van de opstanding van onze Here handhaaft. Daarom kom ik er hier mee.
We hebben het immer over goede standpunten van hem op essentiële punten. Ook nu bespreekt en kritiseert Kuitert verschillende 'reddingspogingen' die moeten voorkomen dat we vanuit een modern levensbesef de hele opstandingsboodschap weggooien. Een daarvan is die van ds N. ter Linde (evenals die van Berkhof en Wiersinga blijft ook zijn naam ongenoemd): "Niet echt gebeurd maar toch waar". Het is een zin die een onbegrijpelijk groot sukses bij de schare lijkt te oogsten, gezien de polulariteit van deze predikant. Maar Kuitert zegt nuchter en met een lichte ondertoon van ironie dat het begrip 'waar' er een aparte betekenis mee krijgt. "Het betekent zoveel als 'onthullend'.
Dat is een keurig waarheidsbegrip, maar de vraag die het openlaat is waarom Jezus' opstanding onthullend zou zijn als ze niet slaat op een gebeurtenis".
Nadat hij nog een andere versluierde voorstelling ontrafeld heeft sluit Kuitert dit gedeelte als volgt af: "Ik denk dus dat het beter is af te zien van reddingspogingen, we geloven het of we geloven het niet". (p. 162). Ik stel met dankbaarheid vast dat je met Kuitert het feest van de opstanding des Heren oprecht kunt vieren zonder je door zijn paaspreek genomen te voelen. Dat staat voorop.

Maar ik citeerde Kuitert zoëven niet volledig, want de laatste zin van dit gedeelte was: "De vraag is alleen: wat geloven we dan"? En in het beantwoorden van die vraag kan ik Kuitert niet helemaal volgen. Bij het nader invullen van het hoe van Christus' opstanding toont hij zich nogal onder de indruk van Paulus' beeldspraak van de graankorrel en de korenaar uit I Korintiërs 15. De zin van deze beeldspraak is dat er tegelijk overeenstemming en verschil uit spreekt. Overeenstemming: de korrel en de aar heten allebei terecht tarwe (of gerst of iets anders), en verschil: de aar is vanuit de korrel niet voorspelbaar. Het is inderdaad een pracht van een beeld dat de apostel voor het opstandingsleven gebruikt. Maar kan het als enige voorstelling Jezus' opstanding verduidelijken, vraag ik me af. Kuitert schrijft: 'Ik zal dan ook door elkaar over Jezus' opstanding spreken en over de opstanding als heilsgave' (p. 164). Als heilsgave voor ons allen, vul ik aan. Ik denk dat dit voornemen een misgreep is. Ik ga er helemaal in mee dat onze eigen opstanding vanuit de lichamelijkheid die we hier hebben volstrekt onvoorspelbaar is. Naar het woord van Paulus dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet zullen beërven. Wij zullen als opgestane mensen 'anders, in alle opzichten anders' zijn dan hier en nu, zoals Kuitert terecht zegt. Maar als je dit ook op Jezus toepast stuit je dan niet op het probleem van de herkenbaarheid? De opgestane Here moet toch herkend zijn door zijn leerlingen? Hoe heeft het anders bij hen tot geloof in zijn opstanding kunnen komen? Kuitert schrijft: "Daarom onttrekt zich de Jezus van de opstanding (en de opstanding zelf) aan onze waarneming, geheel volgens het model van de zaadkorrel en de korenaar"
(p. 165). Dat zich onttrekken aan
onze waarneming lijkt mij voor onze eigen opstanding geen bezwaar maar voor Jezus' opstanding is het tamelijk funest. Wat ons betreft, wij staan aan de overkant met z'n allen op en zullen dan zo bewerktuigd zijn dat we met de waarneming en de herkenning van de ander naast ons geen moeite zullen hebben.
Maar Jezus' opstanding heeft plaats gevonden in deze wereldtijd en te midden van mensen die voor het leven der toekomende geen antenne hebben. Hoe is men dan tot de zekerheid gekomen: de Heer is waarlijk opgestaan? Moest daarvoor de opstanding van Christus niet ook een terugkeer tot dit leven zijn?
En verschilt daarin Christus' opstanding niet van de onze? Kuitert stemt zelf toe dat voor Jezus, vergeleken met ons, de opstanding een plus had. "Voor Jezus houdt de opstanding in dat God Hem bevestigt: Hij is degene naar wie de mensheid heeft uitgezien". Hij noemt dat plus iets dat tot Jezus' eigen persoonlijk-biografisch verhaal behoort.
Maar ik denk dat dit plus voor ons belangrijker is dan voor Hem. Wij zijn het die moeten weten dat Hij degene is naar wie de mensheid heeft uitgezien. En daarom is dat plus naar ons aardse.
mensen toe heel sterk gemaakt: het lege graf, het tonen van handen en zijde en het eten van een stuk vis. Zeker merken we aan de Opgestane ook de nieuwheid van leven die Kuitert bedoelt. Jezus verplaatst zich moeiteloos door gesloten deuren. Maar dat andere, die Lazaruskant (om zo te zeggen) die er ook aan zijn opstanding zit, kunnen we niet straffeloos van het paasgebeuren afstropen.
Jezus ging door de dood heen én Jezus keerde tot het leven terug, dat is het geheel eigene van zijn opstanding in onderscheiding van de onze. Nee, het door elkaar heen beschrijven van Jezus' en onze opstanding vind ik geen gelukkige greep. Wanneer Paulus het beeld van de korrel en de aar gebruikt schrijft hij aan een gemeente waarin aan de opstanding getwijfeld wordt. Ook aan Christus' opstanding? Nee, die stond daar als een paal boven water. Onzekerheid was er alleen omtrent de eigen opstanding. De redeneergang in dat bekende opstandingshoofdstuk verloop dan ook zo dat Paulus het bootje van onze opstanding aan de stevige steiger van Christus' opstanding afmeert. Ook dat pleit ertegen om onder het bekende beeld van korrel en aar dat hij in dit verband gebruikt beide opstandingen te vangen. Christus' opstanding levert een heel eigen verhaal op en moet dat ook willen we daarover niet ins Blaue hinein praten.

Maar op de achtergrond van Kuiterts voorstelling staat zijn afwijzing van het wonder als mirakel: "Opstanding is niet het weer levend worden van een lijk".
Dat gebeurt in onze werkelijkheidservaring niet en daarom is het toen en daar ook niet gebeurd. Want nemen we aan van wel dan verwijderen we onze van onze kultuur en onze medemensen en prijzen onszelf uit de markt van deze wereld. Kuitert bespreekt in dit verband het wonder van de drijvende bijl in de geschiedenis van Eliza en hij zegt: "Het kost geen enkele moeite om te geloven dat God bijlen kan laten drijven, de vraag is alleen of Hij dat doet". Hier zie je duidelijk dat Kuitert niet wonderongelovig is omdat hij aan Gods macht ertoe twijfelt. Dat is een positief punt.
Tegelijk echter doet hij met deze stellingname aan het bijbels georiënteerde wondergeloof groot onrecht want dat heeft nooit beweerd dat God bijlen doet drijven, wel dat Hij dat kàn en dat Hij dat bij die bijl ook deed, toen en daar. Het begrip wonder alleen al, wil ik zeggen, verzet zich er ertegen dat je het veralgemeniseert, het moet uitzondering blijven.
En is het nu werkelijk zo onoverkomelijk vreemd dat het heilsplan van God dat uitgelopen is op het volstrekt unieke gebeuren rondom Jezus Christus omgeven is geweest door de allerbijzonderste voorzienigheid van God die hier en daar voor volstrekt uitzonderlijke maatregelen heeft gezorgd? Wonderen heten in de bijbel ook wel tekenen. Ze zijn funktioneel en hebben een verwijzend karakter naar het eigenlijke heilswerk van God. Dat perkt hun voorkomen aardig in.
Je kunt er bepaald niet mee strooien, ook niet in de verwachting. Ik zou Kuitert wel willen opwekken Zijn al te grote schroom tegenover het wonder af te leggen. De overweging zou hem daarbij kunnen helpen dat wat hij nu van pasen gelooft hem toch ook al uit de markt van deze wereld prijst. Toegegeven, het is goed dat we wat het wondergeloof betreft de vinger aan de pols houden. Het kan daarmee inderdaad gemakkelijk de spuigaten gaan uitlopen. Het geloof wordt dan een zwelgen in het mirakel.
'Das Wunder ist des Glaubens liebstes Kind', schnierde Goethe daar al over.
Maar een kuis geloof in wonderen kunnen we toch niet missen. Misschien bedoelt Kuitert met zijn overdreven schroom wel zo'n kuising. Dat proef ik in zijn hele boek wel een beetje. Met zo min mogelijk geloofsstellingen wil hij zo ver mogelijk komen. Hij is vuurbang voor het opwerpen van onnodige hindernissen.
Dat getuigt in ieder geval van een pastorale instelling ten opzichte van de moderne mens.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief