Tussen kerk en keuken
1992-04-10
Pasen- Jaargang 36
- nummer 8
In één van de verhalen die mijn vader ons vertelde over zijn jeugd, kwam een jongetje voor van een jaar of vijf.
In die tijd was sterven nog iets dat al heel jong bij het leven hoorde en ook het overlijden van een kind was niet iets uitzonderlijks. Het broertje van het bewuste ventje was overleden en op de dag van de begrafenis scheen de zon hinderlijk uitbundig.
Begrafenissen hadden in die tijd iets van een droevig feest en het jongetje hing over het tuinhek te wachten op de gasten die de uitvaart zouden bijwonen.
De eersten arriveerden en hij haastte zich het hekje open en weer dicht te doen. "Dag, m'n jongen, hoe is het er nu mee," zei een van zijn tantes en legde haar arm troostend om het rugje in het zwarte overhemdje.
Hij wreef zijn handjes in elkaar, keek haar stralend aan en zei: ,,'k en der zin an." Vertaald: Ik heb er zin in.
De tante was een van de goede soort en glimlachte.
Het is een tijdlang gewoonte geweest om kinderen weg te houden van de dood en bij begrafenissen bleven ze thuis.
"Worden de kinderen verdrietig van, kunnen ze niet aan en ze slapen slecht,"
redeneerden we. Dat kinderen helemaal verdrietig werden als ze opa of oma op miraculeuze wijze opeens nooit meer zagen en zich niet goed konden voorstellen wat 'dood' betekende, werd daarbij over het hoofd gezien.
Die houding is de laatste jaren aan het verdwijnen. De dood hoort er weer bij.
Toen mijn vader vier jaar geleden, vlak voor Pasen, overleed, werd het punt: onze jongsten thuislaten of meenemen naar de begrafenis, nauwelijks besproken.
"Neem je Reinier mee," vroeg mijn broer. Heel even aarzelde ik en knikte toen. "Ja, ik denk dat het goed is. Hij was heel dol op vader en de kans is groot dat hij zich buitengesloten voelt en er niets van begrijpt."
"Zo denk ik er ook over," zei mijn broer.
Ook de anderen waren het hiermee eens en namen hun kleintjes mee.
Inderdaad, ze waren verdrietig. Tegelijkertijd bleven ze nuchter en ze werkten 'Neldadig op de andere aanwezigen.
Ze waren, ondanks het verdriet, opgetogen dat ze hun neefjes, nichtjes en verdere familie weer zagen en er werd stevig geknuffeld. Stil stonden ze daarna bij de kist. Peter, de jongste zoon van mijn broer keek peinzend naar zijn grootvader, die het wás, en toch ook niét meer was. Opa zag er mooi en wat streng uit. Deze laatste eigenschap nu was hem totaal vreemd en Peter vond het niet echt opa meer. "Als ik doodga, ga ik verkleed als paashaas," zei hij toen. De familie schoot en bloc in de' lach. "Deze opmerking zou aan vader besteed zijn geweest," zei mijn moeder, lachend door haar tranen heen. Daar waren we allemaal zeker van, want zo was hij wel.
Kort voor hij overleed waren we met z'n drieën bij hem in het ziekenhuis. Hij wist dat hij niet meer beter zou worden, had het nogal benauwd en zag op tegen de mogelijke pijn.
"Als ik nu erg beroerd ben, dan moeten jullie de Here niet bidden of ik beter word hoor. Vraag maar liever of het dan zo kort mogelijk mag duren." zei hij en ging verliggen van zijn rug op een zij.
"Tuurlijk Papa, dat doen we," zeiden wij vurig en in tranen.
"Ho, ho, nog niet!" reageerde hij verschrikt en keek ons onmiddellijk daarna aan met een schelmse blik.
We schaterden van het lachen. Hoewel het niet in zwang was om te proesten bij het bed van een doodzieke man.
"Overlijden, net als oom Hendrik, zittend aan de tafel en in gesprek met iemand, dat lijkt me hét einde," zei hij nog.
Soms verhoort de Here God letterlijk. Zo werd zijn einde. Mijn vader is weer even opgeknapt, naar huis gekomen en terwijl hij na het eten genoegelijk een praatje zat te maken met een zuster uit de gemeente, is hij overleden.
Een verhoord gebed.
Hij overleed vlak voor Pasen. De nieuwe naam die de Heer in petto heeft voor degenen die in Hem geloven kent hij nu.
Het nieuwe begin dat we door Pasen krijgen is ons dat jaar extra duidelijk voor ogen gesteld. Maar voor het nieuwe begin hoeven we niet op de hemel te wachten. Dat is al begonnen.