Eenheid boven geloofsverdeeldheidl
1992-04-10
Wat ons beweegt om hier te komen is dat wij gemeenschap met elkaar willen beleven. Dat doel zal zeker bereikt worden, en daarom is deze bijeenkomst in ieder geval geslaagd.- Jaargang 36
- nummer 8
Dat is maar goed ook, want alleen al daardoor is het van veel minder belang, wat ik nu precies ga zeggen. Dat stelt mij dan gerust, want ik moet de vrees koesteren dat de opgegeven titel u heeft misleid. Die heeft namelijk een zekere vaagheid, en kan dus heel verschillende verwachtingen wekken. Laat ik eerst mogen zeggen wat ik niet bedoel.
Het zal niet gaan over eenheid tussen Nederlands Gereformeerden, Christelijk Gereformeerden en Vrijgemaakt Gereformeerden.
Niet omdat ik daar geen voorstander van zou zijn; het tegendeel is waar. Ik zou die eenheiçf van harte begroeten, maar dan juist omdat ze niet is: eenheid boven geloofsverdeeldheid.
Wat deze kerken ook verdeeld mag houden - en dat blijkt altijd weer toch heel wat te zijn - ze belijden hetzelfde geloof aan dezelfde Heer. Daar is geen sprake van verdeeldheid in het geloof.
De vraag die ik wil opwerpen is dan ook een andere. Ze kwam bij mij op toen ik een paar maanden geleden in het Reformatorisch Dagblad (6.12.91) een interview las met de synodaal gereformeerde predikant J. Slomp. Die had onderzoek gedaan naar de manier waarop Luther en Calvijn in hun tijd hadden gesproken over de Islam. Het resultaat was hem tegengevallen, vooral bij Calvijn. Die was, zo zei ds. Slomp, in zijn opvattingen 'christomonistisch '.
Dat woord was toen nog nieuw voor mij. Sindsdien heb ik het vaker opgevangen.
Wat het betekent legde ds. Slomp ook uit. Calvijn placht namelijk te zeggen: wie de Zoon niet kent, die kent ook de Vader niet. Dat was voor ds. Slomp te beperkt en te eenzijdig. Je zou dan geen ruimte laten voor godskennis in andere religies dan de christelijke.
Naar zijn mening zou dat aan die andere godsdiensten onrecht doen.
In deze visie zullen wij alle grote wereldgodsdiensten moeten beschouwen als loten van één stam. Wie dat loochent, en aan het christendom een unieke plaats toekent, doet de andere religies tekort. Hij is een christomonist.
Nu denk ik niet, dat deze opvatting onder ons aanhangers zal vinden. Het lijkt mij dan ook overbodig er kritisch op in te gaan. Het is toch zonder meer evident, dat hier een streep gehaald wordt door alles wat het christendom sinds zijn ontstaan heeft beleden.
Christus heeft ons geboden alle volken tot zijn discipelen te maken. Deze nieuwe leer gebiedt ons het tegendeel.
Ze zegt dat christenen discipelen moeten worden van alle volken. Haar prediking is niet meer de Grieken een dwaasheid en de Joden een ergernis, maar neemt de aanstoot van het kruis weg. Ze brengt een ander evangelie, en dat is, zo hebben christenen altijd met Paulus gezegd, geen evangelie.
Het is een ander, een nieuw geloof, en de duidelijkheid zou er mee gediend zijn als het ook een nieuwe naam aannam.
Geloof aan de gelijkwaardigheid van de grote wereldgodsdiensten gaat nu eenmaal lijnrecht in tegen alles waarvoor niet slechts bepaalde kerken, maar alle christenen te zamen altijd hebben gestaan. Wie in volle overtuiging meent, dat oude christendom nu te moeten loslaten kan met de beste bedoelingen vervuld zijn, maar juist als hij een eerlijk en oprecht mens is, zal hij niemand willen misleiden. Hij kan beter een naam laten varen, die niet meer beschrijft wat hij is. Hij moet zichzelf geen christen meer noemen.
De kwaliteit van dit nieuwe geloof zal ons verder niet bezig houden. De vraag echter die ik graag met u zou willen bespreken is deze: hoe komt men er toe in onze tijd zulke stellingen te betrekken?
Gaat het om iets geheel nieuws, of kunnen we deze opvattingen verklaren vanuit de Nederlandse traditie?
We hebben het dan over de vraag, hoe godsdienst en geloof in het openbare leven gewaardeerd moeten worden, en over de regels, die we daarbij in acht nemen.
Rondom geloof bestaat altijd een zekere spanning. Enerzijds is geloof iets persoonlijks. We verlangen van de samenleving dat ze die persoonlijke keuze ook eerbiedigt. Ieder moet vrij zijn te geloven wat hij of zij zelf voor waar houdt. Vrijheid om te geloven zoals wij het zelf willen zien wij als een kenmerk van een beschaafde maatschappij.
Anderzijds moet echter in elke samenleving ook een gemeenschappelijk geloof bestaan. Dat hoeft niet het christelijk geloof te zijn, of een andere religie.
Denken we maar aan de voormalige Sovjet-Unie. Die wees elk godsgeloof af. Ze was principiëel atheïstisch.
Maar ze had wel een geloof, dat de maatschappij samenbond. Ze had duidelijke opvattingen over goed en kwaad. Nu dat geloof verdwenen is, verkeert die vroegere sovjetmaatschappij dan ook in staat van ontbinding.
De mensen zijn het er niet meer over eens wat goed is en wat slecht is. Ze hebben geen vaste normen meer.
Daarom is er altijd een gemeenschappelijk geloof nodig. En daaruit komt steeds een zekere spanning voort tussen die maatschappelijke behoefte aan algemeen aanvaarde normen, en de individuele vrijheid, zelf een geloof te kiezen. Daarbij zou ik dan graag vanuit de geschiedenis een paar kanttekeningen willen plaatsen.
Ons beste startpunt is dan de zestiende eeuw, de eeuw van de reformatie. Dat is de tijd waarin voor het eerst in Europa verschillende geloofsovertuigingen naast elkaar komen te staan: enerzijds de rooms-katholieke, anderzijds de protestantse in verschillende variaties.
Dan moet men zich er rekenschap van geven, of dat eigenlijk mogelijk is, en of het geloorloofd is. De eerste reactie van zeer velen is toen geweest, die vraag ontkennend te beantwoorden.
Het zou gevaarlijk zijn, meenden ze, meer dan één geloof plaats te geven, want dan zouden de mensen niet langer dezelfde opvatting hebben over goed en kwaad.
Als zulke ideeën de toon aangeven, kan er van tolerantie geen sprake zijn.
Voordat een politiek van verdraagzaamheid mogelijk wordt, moet het hele denken grondig veranderen. Dat kan op verschillende manieren. Ik zou drie soorten tolerantie willen onderscheiden.
Er bestaat ten eerste een tolerantie uit onverschilligheid. Zij zegt dat elk geloof even belangrijk is, of liever: even onbelangrijk.
Daarom mag iedereen zeggen en schrijven en geloven wat hem het beste uitkomt. De deur lijkt dan dus open te zijn voor onbeperkte vrijheid.
Toch is dat niet het geval, en het kan ook zo niet zijn. Tolerantie is nooit onbeperkt. Ook een tolerante maatschappij heeft opvattingen over goed en kwaad, en geeft aan de handhaving van die eigen normen ook absolute voorrang.
Een goed voorbeeld levert ons ook hier die vroegere Sovjet-Unie. Volgens de grondwet bestond daar vrijheid van godsdienst. In de praktijk betekende dat weinig of niets, omdat kerken de belangen van de sovjet-maatschappij in geen enkel opzicht mochten schaden. De communistische, atheïstische cultuur nam altijd voorrang boven de kerk.
Gehoorzaamheid aan de normen van de partij woog zwaarder dan gehoorzaamheid aan Gods geboden, en dat bracht gelovigen voortdurend in gewetensconflicten.
Daarom zit aan tolerantie uit onverschilligheid altijd een gevaarlijke kant.
Juist omdat ze godsdienst onbelangrijk vindt, zal een tolerante maatschappij van dit type haar normen ook niet aan de godsdienst ontlenen. Dan zal ze.ook intolerant zijn tegenover christenen, die de onchristelijke norm van de overheid afwijzen. Een actueel voorbeeld is de zogenaamde affaire Woudenberg: een christelijk schoolbestuur maakte bezwaar dat een lerares ongehuwd samenwoonde.
Staatssecretaris Wallage heeft daar toen een scherp afkeurend oordeel over uitgesproken, omdat de overheid normen hanteert, die ongehuwd samenwonen juist zien als goed gedrag. Ze komt dan onherroepelijk in botsing met gelovigen, die de norm van Gods wet willen handhaven.
De overheid, die tolerant is uit onverschilligheid, zal voor dat beroep op Gods wet niet opzij willen gaan. De schijnbaar onbeperkte vrijheid heeft heel duidelijke grenzen. Bij het trekken van die grenzen zal de overheid ook niet terughoudend zijn, omdat ze in de grond van de zaak godsdienst niet belangrijk vindt, en dus ook weinig respect heeft voor de overtuigingen die ze tolereert. Zodra het gaat om dingen die voor de overheid wel betekenis hebben, zoals de vrijheid om ongehuwd samen te wonen, zullen de kerken zich moeten aanpassen.
Er is een tweede soort tolerantie, die van hoger gehalte is. Zij zegt niet dat geloof onbelangrijk is. Integendeel, ze ziet verschil in kwaliteit tussen het ene geloof en het andere, tussen de ene kerk en de andere. Ze vindt niet dat al die opvattingen gelijkwaardig zijn.
Maar ze acht zichzelf niet bevoegd, anderen hun vrijheid van kiezen te ontnemen. Ze respecteert niet iedere overtuiging. Ze respecteert wel elke drager van die overtuiging.
Deze benadering vinden we het eerst omstreeks het midden van de zestiende eeuw. Ze beriep zich graag op de gelijkenis van het onkruid, dat tussen het koren gezaaid was ... De slaven dan zeiden tot hem: wilt ge dan, dat we het bijeenhalen? Hij zeide, neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken.
Laat beide samen opgroeien tot de oogst" (Matth. 13: 28-30a). Dat er onkruid tussen de tarwe groeide, was voor iedereen heel goed zichtbaar.
Maar het bleef de verantwoordelijkheid van de Heer van de oogst, het uit te trekken en te verbranden op zijn tijd.
Dat is de tolerantie, die bestaan heeft in de Nederlanden vanaf het einde van de zestiende eeuw. Men zag wel degelijk verschil tussen de kerken onderling. De gereformeerde kerk nam dan ook een bijzondere posttie in. Zij werd door de overheid begunstigd. Maar aan de andere kerken werd plaats toegestaan - aanvankelijk nogal krap, maar op den duur ruim genoeg voor elke kerk om zichzelf te kunnen zijn.
De reden waarom deze tolerantie zo ruim kon zijn was dat ze de maatschappij niet in gevaar bleek te brengen. De vrees dat verschil in geloof ook zou leiden tot verschil in normen voor goed en kwaad werd niet bewaarheid. In de grond van de zaak huldigden alle kerken dezelfde opvattingen over de omgang van mensen onder elkaar. De christelijke zedewet, de wet van de tien geboden, werd door iedereen aanvaard, en was het gemeenschappelijk bezit van alle Nederlanders.
Ze was ook norm en maatstaf voor de overheid. Dat lijkt ook wel een voorwaarde te zijn voor deze vorm van tolerantie. Ze staat immers vrijheid van geloven toe omdat ze godSdienst zo belangrijk vindt, belangrijk genoeg om ieders persoonlijke keuze te eerbiedigen.
Zo'n overheid kan moeilijk zelf ongodsdienstig zijn. De gelijkenis van het onkruid in de akker heeft alleen een boodschap voor wie in staat is echte tarwe van andere groeisels te onderscheiden.
Alteen een overheid, die zelf christetljk is, kan tolerant zijn op deze manier, en tegelijk in de maatschappij de christelijke zedewet handhaven.
Dan begrijpen we ook, waarom aan deze vorm van tolerantie een einde moest komen. De christelijke overheid bestaat niet meer. Dat is niet bij toverslag gekomen. De overgang van christelijk naar neutraal heeft zich langzaam voltrokken. Maar er is wel een ogenblik aan te wijzen waarop deze ontwikkeling begint: met de gebeurtenis die we drie jaar geleden hebben herdacht, de Franse revolutie van 1789. Dan voltrekt zich een principiële breuk. De Franse revolutie is een poging een nieuwe, rechtvaardige samenleving op te bouwen, onafhankelijk van het geloof aan God. Dat is niet direct en overal even duidelijk zichtbaar, zeker niet in een land als Nederland. De mensen die de revolutionaire ideeën gaan verwezenlijken zijn zelf in de christelijke godsdienst opgegroeid. Hun gedachten over goed en kwaad lopen aan die van het christendom grotendeels parallel. Maar met de tijd zal die verbondenheid minder worden, en zullen de principiële verschillen meer en meer aan het licht treden.
In de negentiende eeuw is daar nog niet zoveel van te zien. De leidende liberale en conservatieve politici zullen zichzelf gewoonlijk als christenen bestempelen, en voor het onderscheiden van goed en kwaad dezelfde maatstaven aanleggen als in een zuiver christelijke samenleving gelden. Maar het verschil kan toch niet zonder gevolgen blijven. Dat is zelfs onmogelijk als het gaat om ons probleem, dat van de tolerantie.
In de neutrale staat van na de revolutie kunnen staatslieden zelf wel christenen zijn, maar de overheid is niet langer christelijk. De staat als zodanig heeft afscheid genomen van de godsdienst. Dan wordt het heel moeilijk, toch een vorm van tolerantie te handhaven, die juist op eerbied voor de godsdienst gebaseerd is. De kans is groot, dat de tolerantie uit onverschilligheid in haar plaats komt.
In Nederland is dat echter niet gebeurd.
Daar heeft zich een tussenvorm ontwikkeld, een derde variant, en die brengt ons dan eindelijk bij de titel van dit verhaal: eenheid boven geloofsverdeeldheid.
Ik bedoel daarmee het volgende.
De liberale staat van de negentiende eeuw, de staat van de revolutie, moet zijn normen van goed en kwaad hebben. Deze neutrale overheid kan daarvoor niet zonder meer verwijzen naar de wet Gods, maar ze voelt zich aan de christelijke zedeleer wel verwant, en heeft daar sympathie voor.
Daaraan geeft ze zelfs uitdrukking in haar idealen. De wet op het lager onderwijs zei bij voorbeeld, dat de staatsschooi, de openbare school, moest opvoeden tot christelijke en maatschappelijke deugden. Dat wilde men ook niet prijs geven. Minister-president Kappeyne van de Coppello zei het uitdrukkelijk bij de behandeling van de wet in 1877: ook zij die niet lid zijn van een christelijke kerk, staan met elkaar in de gemeenschap van de christelijke zedeleer. Die christelijke zede Ieer verbindt alle Nederlanders met elkaar.
Dat is nu: christendom boven geloofsverdeeldheid.
Christenen kunnen onderling verdeeld zijn over de leer. De één gelooft dat Jezus Gods enig geboren Zoon is, en de ander ziet in Hem niet meer dan een leraar der mensheid, een voorbeeld van deugd en naastenliefde. De één houdt de paus voor het wettige hoofd van de kerk, en de ander wil van bisschoppen en monniken niet weten.
Maar bij al die verschillen is er toch iets wat hen verenigt, zoals die christelijke deugden, waarin alle kinderen op school worden opgevoed. Eenheid boven geloofsverdeeldheid.
Het sleutelwoord in deze formule is het middelste: dat kleine woordje 'boven'.
Je kunt rooms-katholiek zijn of remonstrant, rechtzinnig of modern, maar er zijn waarheden die boven die verschillen uitgaan. Die waarheden vormen samen het gemeenschappelijk bezit van ons allen, en die leiden ons bij de keus tussen goed en kwaad. En dat wordt dan de grondslag voor een nieuw soort tolerantie. De basis is nu niet meer het respect voor ieders vrije keuze. Die vrije keus wordt nog wel aanvaard, maar die vrijheid is niet meer hoofdzaak. Hoofdzaak is wat ons verenigt, wat 'boven' al die verschillen uitgaat. Dat gemeenschappelijke is de norm, waaraan ook alle kerken en geloofsovertuigingen gemeten worden, en die de grens van de tolerantie aangeeft.
Je tolereert een geloof, omdat en voorzover het deel heeft aan het gemeenschappelijke, dat boven de geloofsverdeeldheid uitgaat.
Negentiende-eeuwers spreken dan meestal over 'christendom boven geloofsverdeeldheid'.
Dat doen ze omdat ze in de christelijke traditie zijn opgevoed.
Maar de neutrale staat is niet christelijk. Haar overheid is aan die christelijke traditie ook niet gebonden.
Ze zal die handhaven zolang dat het gemakkelijkst is, zolang dus verreweg de meeste mensen eveneens uit die traditie leven, en zich daarnaar gedragen.
Er kan een tijd komen, dat die traditie gaat afsterven, en geen invloed meer heeft op het gedrag. Dat kan, zoals we uit ervaring weten, want zo'n tijd beleven wij op het ogenblik. Zeer veel Nederlanders voelen zich door de christelijke zedewet niet meer aangesproken.
Dan moet de overheid zich aanpassen, en haar normen bijstellen.
En zo voltrekt zich de volgende verandering: christendom boven geloofsverdeeldheid wordt 'eenheid boven geloofsverdeeldheid' .
Dan zijn we terug bij dat christomonisme, waar we ons uitgangspunt in hebben gekozen. Het christelijk geloof in Nederland is historisch gezien op een dieptepunt aangeland. Christelijke moraal is ook niet meer maatgevend voor publiek gedrag. Ze kan voor de overheid geen houvast meer bieden.
Toch heeft de gemeenschap morele normen nodig. Dan gaat men die zoeken op een breder terrein. Naast het christendom worden tegenwoordig in Nederland verschillende andere godsdiensten beleden. Kunnen die dan misschien allemaal samen iets bieden, dat sterk genoeg is om de maatschappij bijeen te houden? Is er in al die godsdiensten niet een eenheid te vinden boven de geloofsverdeeldheid?
Naar die eenheid is men onmiskenbaar op zoek. Hoe komt het toch, zo vroeg mijn collega Wessels zich onlangs af in Trouw (24.1.1992), "dat joden, moslems en christenen zo uit elkaar zijn gegroeid?"
Het is een wat eigenaardige vraag. Die godsdiensten zijn helemaal niet geleidelijk uit elkaar gegroeid. Wie de Handelingen der apostelen opslaat en Petrus' preek op de pinksterdag gaat lezen, hoort van hem aan zijn joodse toehoorders geen oproep tot verzoening, maar tot bekering. Ze moeten een radicaal andere weg kiezen. De geschiedenis van de islam begint met de grote veroveringsoorlogen, die de christelijke kerken van Azië en Noord-Afrika hebben vernietigd, en die pas ten noorden van de Pyreneeën tot staan zijn gebracht. Wie deze vraag zo stelt, is in geschiedenis helemaal niet geïnteresseerd. Hij wil niet weten wat er gebeurd is. Hij wil de grote godsdiensten naar elkaar toepraten, en de geschiedenis moet ons dat dan niet nodeloos moeilijk maken.
Men kan er trouwens aan twijfelen, of het er wezenlijk om gaat, jodendom, christendom en islam als godsdiensten naar elkaar toe te brengen. Voor velen gaat het dunkt mij minder om verschillende godsdiensten als wel om verschillende culturen. Een interessante uitspraak konden we onlangs opvangen uit de mond van de heer Bolkestein van de VVD. Bolkestein zei dat er natuurlijk best islamitische scholen mochten komen in Nederland, maar dat men toch verstandiger zou doen het te laten.
Hij drukte dat uit als volgt: "vrijheid van godsdienst is een groot goed. Alle godsdienstige groepen in ons land hebben recht op een eigen school.
Maar het is beter als Nederlandse, Surinaamse, Marokkaanse en Turkse kinderen samen naar school kunnen.
Zo maken zij kennis met elkaars godsdienst, cultuur en gewoonten" (Reformatorisch Dagblad, 11.2.1992).
Wat maakt deze uitspraak zo interessant?
Dat is de gedachtensprong middenin het betoog. Eerst gaat het over godsdiensten, en dan komen we ineens terecht bij Turken en Surinamers. Een Surinaamse gOdsdienst bestaat helemaal niet. De Surinaamse samenleving is godsdienstig pluriform, en dat is ook al heel lang zo geweest. Dat weet Bolkestein natuurlijk ook. Maar het belijden van een bepaalde godsdienst is voor hem niet het belangrijkste kenmerk dat mensen kunnen hebben. Veel belangrijker zijn ethnische herkomst en cultuur. Hij is eigenlijk al weer een stap verder dan eenheid boven geloofsverdeeldheid.
Het is nu eenheid boven culturele en boven ethnische verdeeldheid geworden. Geloof wordt één van de kenmerken van een ethnische groepering.
Dat alles heeft natuurlijk gevolgen voor de tolerantie die op deze eenheid gebaseerd is. In januari van dit jaar vond in Amersfoort een aanslag op een moskee plaats. Dat heeft algemene afkeer gewekt, en ieder zal het dan ook eens zijn met het commentaar van het OJEC: "dit soort misdaden mag in een tolerante samenleving nimmer voorkomen".
Dat meldde Trouw op 27 januari.
Datzelfde nummer liet echter ook in een tekening op de voorpagina zien hoe die tolerantie in gevaar kon komen.
Rechts was een moslim te zien met de koran in de hand, links een boer, die met een hooivork op hem afkomt. Naast de boer staan een zegenende priester en een biddende dominee.
Het echte gevaar schuilt natuurlijk niet in die domme boer met zijn hooivork.
Het zijn de priester en de dominee, die de tolerantie bedreigen. Waarom bedreigen ze die? Omdat ze boeren en andere arme onnozele mensen wijs maken dat niet de overeenkomsten, maar juist de verschillen tussen godsdiensten belangrijk zijn. Zij ontkennen dat er een eenheid boven geloofsverdeeldheid bestaat. Ze nemen daarmee stelling tegen de heersende vorm van tolerantie, ze zullen er dan ook rekening mee moeten houden, dat ze zelf eerstdaags buiten die tolerantie komen te vallen. Wie de basisprincipes van de bestaande tolerantie aanvecht, kan niet meer op verdraagzaamheid rekenen.
Daarom schuilt in deze tolerantie een duidelijk gevaar. Of het direct werkelijkheid wordt laat zich nog niet goed bepalen.
Op verschillende manieren kan ze op weerstanden stuiten. Dat zou ten eerste uit kunnen gaan van de nietchristelijke godsdiensten. Het is maar de vraag of die zichzelf zo laag aanslaan, dat ze bereid zullen zijn zichzelf te beschouwen als cultuurvarianten van één universele godsdienst. Ten tweede zou er verzet kunnen rijzen vanuit de heersende Nederlandse cultuur, en dan bedoel ik niet de christelijke. Ik bedoel de cultuur van de ontwikkelde godsdienstloze Nederlander, die een abonnement heeft op het NRC/Handelsblad, die kijkt en luistert naar de VPRO, en als hij niet te oud is om nog illusies te koesteren bij de verkiezingen zijn stem uitbrengt op de heer Van Mierlo. Deze Nederlander is niet geneigd zijn eigen persoonlijke verlangens aan strengen beperkingen te onderwerpen. Misschien dat ook die niet-christelijke godsdiensten hem als het er op aankomt toch te nauw van zeden zullen zijn.
Die twee ontwikkelingen zijn denkbaar.
Ze gaan buiten ons om. Als wij de grondslag van de nieuwe tolerantie verwerpen, is dat niet omdat we de boeren willen aanstoken hun hooivorken uit de schuur te halen, en ook niet omdat we geen goed zouden kunnen zien in het gedrag van hen die andere godsdiensten belijden dan de christelijke.
Maar wat mensen wezenlijk scheidt is niet een cultuur, en wat hen kan verenigen zijn niet de punten van overeenkomst die in hun uiteenlopende geloofsovertuigingen gevonden kunnen worden. "Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft". Dan is niemand meer vreemdeling of bijwoner, maar zijn wij allen medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, medeerfgenamen, medeleden en medegenoten van de belofte in Ohrlstus Jezus.
Een ander fundament kan niemand leggen.
1 Toespraak gehouden op de jaarvergadering van de pers-vereniging 'Opbouw' op 21 maart 1992