Kritiek op art. 1 van de Nederl. Geloofsbelijdenis

1992-04-10
  • Jaargang 36
  • nummer 8
De belijdenis van Gods bestaan
In onze kerken is er officieel geen spoortje van onenigheid of meningsverschil omtrent het echt bestaan van God. Als een individuele broeder of zuster daar wel mee tobt, wordt dat als kerkelijk-abnormaal ervaren. Dus kan ik ook met enige vrijmoedigheid wat kritiek oefenen op artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis waarin wij ons geloof inzake het bestaan van God belijden.
De kritiek die ik bedoel gaat immers niet zozeer over de eigenlijke geloofsinhoud die wij belijden, maar meer over de bewoordingen ervan, over de vorm, over de taal. Maar toch, er is meer aan de hand dan alleen de taal.
Het gaat ook om filosofische en theologische achtergronden van bepaalde manieren van uitdrukken. Want het zou wat kinderachtig zijn om over een ouderwets woord dat in onze spreektaal niet meer voorkomt te vallen of daarover moeilijk te doen. In die zin gaat het dus niet maar om woordjes.
AI zijn de juiste bewoordingen en uitdrukkingswijzen voor ons geloof en voor ons kerkelijk leven niet altijd het belangrijkste, zij zijn ook weer niet zonder betekenis. Omdat de woorden van onze confessies veel te maken hebben met de theologie van de opstellers, kunnen de door mij te bespreken uitdrukkingen wel van belang zijn voor eventuele correcties op de onder ons gangbare theologie. En dat is indirect weer van belang voor de gemeente, want kerk en theologie hebben op verschillende manieren wat met elkaar te maken.

Twee opschriften boven art. 1 Ned.Gel.BeI.
Voor mijn betoog maak ik gebruik van twee uitgaven van de Ned.Gel.Bel. De eerste is de uitgave van 'De Drie formulieren van eenigheid', verzorgd door A. Kuyper. Dat is in de gereformeerde wereld de klassieke standaarduitgave.
De tweede die ik gebruik is die van het (vrijgemaakte) Gereformeerd Kerkboek. In beide uitgaven hebben alle artikelen van de Ned.Gel.Bel. een opschrift gekregen, om kort aan te duiden waarover het in elk artikel gaat. Deze opschriften zijn niet oorspronkelijk, maar een privé maaksel van wie zo'n uitgave verzorgt.
Dat was in de editie van Kuyper duidelijk, want hij plaatste elk opschrift tussen vierkante haken. De vrijgemaakte uitgave doet dat niet, en zou daardoor het misverstand kunnen suggereren dat deze opschriften tot de eigenlijke confessie zelf behoren.
Belangrijk is dat verschil echter niet.
Maar waarom zet het 'Ger. Kerkboek' boven artikel 1 het opschrift: 'De enige God', terwijl de klassieke uitgave van Kuyper hier heeft '[Dat er een eenig God is]'? De redenen voor deze wijziging zijn mij onbekend, ik kan slechts een vermoeden hebben en mijn eigen keuze straks argumenteren. Om nog te noemen redenen geef ik beslist de voorkeur aan het vrijgemaakte opschrift.

De belijdenis gewijzigd
Veel meer opvallend is de verandering in het begin van dit artikel zelf. Kuyper (of eigenlijk F.l. Rutgers, wiens tekst door Kuyper na de tiende editie werd overgenomen sinds 1897) vertaalde als volgt: "Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk wezen, hetwelk wij God noemen: enz."
Het Ger. Kerkboek heeft als eerste zin van artikel 1: "Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er één God is, een geheel enig en éénvoudig geestelijk wezen". De belijdenis is hier dus een ietsje gewijzigd.
De woorden 'hetwelk wij God noemen' zijn weggelaten.
Naar ik meen is deze weglating een verbetering. Maar erg gelukkig ben ik er nog niet mee. Want al ben ik het natuurlijk geheel eens met wat de kerk hier bedoelt te belijden, m.i. moeten we niet over God spreken als over een 'wezen', en nog wel een 'geestelijk wezen', waaraan wij de naam 'God' geven. Strikt en letterlijk genomen, en helaas ook historisch juist, wordt God hier filosofisch ingedeeld bij de 'wezens', en dan meer in het bijzonder bij de 'geestelijke wezens'. Het is zeer dubieus of men zich daarvoor kan beroepen op Joh. 4:24, waar inderdaad staat 'God is geest'. Het woord van Christus in Joh. 4 is niet en bedoelt niet te zijn de vertolking van een filosofische theorie over wat de eigenschappen zijn van 'geestelijke wezens', met de conclusie dat God daar dus ook onder valt.

Daarentegen moeten we de uitdrukking van de confessie dat God 'een geestelijk wezen' is, wél verdenken van de bedoeling een theologische uitspraak te zijn, waarin dan onbedoeld een akelige scheut filosofie meekomt. Zeker, de bedoeling was goed. Die was namelijk om o.a. bepaalde materialistische opvattingen over God te weren, want in de eerste eeuwen van de kerk kwamen die inderdaad wel voor. Men nam echter helaas de spreekwijze van heidense filosofen over, en in die eigentijdse taal en (vooral) vanuit een eigentijdse theoretische probleemstelling pro beerden de kerkvaders en vele latere theologen, ook in de Reformatietijd, onder woorden te brengen 'wat wij met het hart geloven'. Het 'belijden met de mond' gebruikte daarvoor echter meermalen niet de taal van 'het geloof des harten', maar een minder geschikte filosofische manier van spreken. Mogelijk dat de vrijgemaakte vertalers dat enigszins hebben aangevoeld.

'Hetwelk wij God noemen'
Deze woorden heeft het vrijgemaakte Geref. Kerkboek dus weggelaten. Om de zaken niet nodeloos gecompliceerd te maken, laat ik nu de oorspronkelijke Franse tekst buiten beschouwing.
Daaraan zijn wij in Nederland niet kerkelijk gebonden. Maar alleen al de zojuist geciteerde toevoeging bij dat 'geestelijk wezen', nl. de woorden 'hetwelk wij God noemen', verraadt duidelijk dat hier wel een belijdende gelovige aan het woord is, maar dan iemand die gebruik maakt van een afstandelijke, theoretische denkhouding en Objectiverende spreekwijze.
Zo spreken wij in het actuele geloof niet over onze God. Wij gaan in de actualiteit van ons geloven niet filosoferend uit van het bestaan van geestelijke wezens die anders zijn dan stoffelijke wezens, en waartoe wij dan ook God rekenen (naast engelen en duivelen bijvoorbeeld). Wij zeggen ook niet dat wij dan één van die geestelijke wezens God noemen. Nog afgezien van de terminologie is dat een nogal afstandelijk en objectiverend gepraat.
Wij hebben immers niets te benoemen, wij verzinnen de naam 'god' niet die 'wij' dan aan 'een' geestelijk wezen zouden geven, aan één van 'de geestelijke wezens' die wij kennen.
Dit is ook niet de praktische taal van het dagelijks leven. Als iemand mij zou vragen of ik getrouwd ben dan antwoord ik ook niet: ja, en wel met een tweebenig stoffelijk wezen (zonder veren) dat ik een vrouw noem en die tal van goede kwaliteiten heeft: een goed verstand, geduldig, etc. etc.

God is geen 'probleem'
Zo is ook God zelf of zijn bestaan geen 'probleem' waar je over kunt discussiëren en theoretiseren, dat je kunt onderzoeken of definiëren of 'bewijzen' en waarover je een 'mening' mag hebben, naast andere 'meningen'. Het zgn. 'probleem of er een god bestaat' is een typisch rationalistische camouflage van gebrek aan een waar geloof.
Zo hebben wél de heidense filosofen van Griekenland over hun god of goden gesproken. Xenophanes (zesde eeuw v. Chr.), de uitvinder van de wetenschappelijke theologie, heeft dat inderdaad zo gedaan. Over hem later nog wel wat meer. Tegenwoordig noemt men die stijl van theologiseren 'objectiverend spreken', d.w.z. een ding, een object, maken van datgene waar je over praat. Je spreekt dan afstandelijk vanuit een 'toeschouwershouding', niet vanuit een persoonlijke en existentiële liefdesrelatie.

Over het bestaan van God
Een tweede punt is hier de vraag of wij met artikel 1 van onze belijdenis bedoelen een antwoord te geven op de vraag of er wel 'een' God bestaat. Dat was voor het geloof van joden en christenen nooit een echte vraag. Zij geloofden gewoon in God en dat hield natuurlijk in dat zij ook geloofden dat God er is, dat Hij 'bestaat'. Maar in het geloof staande en levende, kan men daar geen punt van maken, geen vraagpunt en geen twistpunt.
Dat deden de vroege heidense filosofen van Griekenland wel. En sindsdien is het in onze Westerse cultuur een erkend filosofisch of theologisch 'probleem' geworden, de vraag of er 'een' God bestaat en, zo ja, of en hoe je dat kunt 'bewijzen'. Pas in de laatste eeuwen werd dat ook een praktische levensvraag voor grote delen van de geseculariseerde bevolking.
Maar deze discussies, als ze tenminste in ernst gevoerd worden, staan buiten de actuele en liefdevolle geloofsverbondenheid met God. In deze verbondsrelatie met God komen zulke vragen niet op. Tenzij bij een individuele aanvechting van de duivel. Zo kan ook in een goede huwelijksrelatie niet serieus de vraag overdacht worden: bestaat mijn partner eigenlijk wel? en hoe kan ik dat bewijzen?
Maar goed, tegenover mensen die daar wél een probleem van maken, kunnen we met dit artikel belijden dat wij inderdaad zomaar geloven dat God er is en dat wij in Hem geloven, met Hem verbonden zijn, Hem lief hebben, enz. Daarom is het vrijgemaakte opschrift m.i. beslist te verkiezen boven dat van Kuyper, waaraan een sterk theoretisch luchtje zit. Met deze belijdenis bedoelt de Kerk niet, althans niet primair, in te gaan op het 'probleem' of er wel 'een God' is, om dan vervolgens als stelling te poneren dat er inderdaad 'een God bestaat'.
Het is begrijpelijk dat er in de loop der eeuwen, met name ook in onze eeuw, heel wat theologen zijn geweest die eigenlijk heel dit eerste artikel wel uit de belijdenis wilden geschrapt zien.
Soms hadden ze daarvoor m.i. goede gronden, soms ook niet. Maar dat kan hier blijven rusten. M.i. hoeft het niet geschrapt te worden, maar behoeft het wel een betere redactie.

Het verschil tussen de twee opschriften
Na het zojuist gezegde kan ik het eerder gesignaleerde verschil tussen de twee genoemde opschriften wellicht verklaren. Kuypers opschrift 'Dat er een enig God is' kan suggereren dat het in dit artikel gaat om een 'probleem' nl. om de vraag of er 'een god bestaat'. Daartegenover luidt het opschrift van het Geref. Kerkboek simpel: 'De enige God'. Hier geen problematiek over het bestaan van God, maar hier belijdt de gelovige met de kerk geheel onproblematisch zijn/haar geloof in 'de enige God'.
Dat doet mij denken aan iets dergelijks in de Catechismus, zondag 8. Daar wordt gevraagd waarom wij spreken over God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, als er toch maar één God is. Het antwoord is dan niet een moeilijk betoog, maar haast korzelig kort: "Omdat God zich alzo in zijn Woord geopenbaard heeft". Daarom, en nergens anders om. Punt uit. Geen verhaal over drie en één, en hoe dat kan, en over het probleem of dat niet onlogisch is of tegenstrijdig. Niets daarvan. Z6 is God nu eenmaal: één God: Vader, Zoon en Heilige Geest.
Halleluja.

'Een enig wezen'
Zoals al eerder gezegd, we willen niet muggenziften of vallen over een woord. Zo bezien kan men met wat goede wil vrede hebben met de hier bovenstaande uitdrukking, al vind ik het persoonlijk wat oneerbiedig over God objectiverend en theoretiserend te spreken als over 'een wezen dat zus en zo is'. Maar goed, de bedoeling is kennelijk om te belijden dat God als God alleen is, er zijn er niet meer. De 'andere goden' waarover de Schrift serieus spreekt, bijv. in het eerste gebod, en in heel het Oude Testament, zijn eigenlijk geen goden, het zijn af-goden, mensenverzinsels, 'projecties'.
Als zodanig kunnen ze echt wel machtig zijn en wat doen. Zij leiden met grote kracht af van de enige ware God. Zij zijn surrogaat-goden die trekken van overeenkomst hebben met een heleboel andere goden, waartoe de heidenen dan ook nog wel de God van Israël wilden rekenen. Veel moderne, soms ex-orthodoxe, 'godgeleerden' spreken tegenwoordig ook zo over God: Hij zou eigenlijk hoofdzakelijk een product van onze 'ervaring' zijn, waarachter misschien wel 'iets' bestaat, dat men dan desgewenst wel 'een geheim' kan noemen, een verklaring voor onze ervaring.

'Een éénvoudig wezen'
Men kan met wat goede wil best een historisch besmette term aanvaarden in de geloofsbelijdenis. Het wordt echter al wat anders als er ook nog bijgezegd wordt: een 'eenvoudig' wezen.
Het Geref. Kerkboek plaatst zelfs nog een accent op dit woord: éénvoudig.
Wat zou de bedoeling van de gemeente kunnen zijn, met deze belijdenis?
Op z'n gunstigst dit, dat men hier denkt aan Jac. 1:5 waar ook sprake is van eenvoudigheid bij God, maar dan van een zgn. 'morele eenvoud'. Toch ligt de zaak in werkelijkheid niet zo onschuldig. Er zit een theologische en filosofische geschiedenis aan deze uitdrukking.
Dat God een enig God is, was al eerder gezegd. In de vrijgemaakte uitgave staat zelfs: 'een geheel enig ...wezen'.
Een herhaling hiervan zal dus niet de bedoeling van de uitdrukking 'eenvoudig' geweest zijn. Het zou een overbodige doublure zijn. Nee, gezien de geschiedenis van de theologie is er beslist sprake van een welbewuste toevoeging: er is niet alleen een enige God, maar die enige God is ook 'een voudig', en wel in 'ontologische' zin.
Naar mijn overtuiging weet de kerkelijke gemeenschap (een paar geleerden uitgezonderd) niet, en kàn zij ook niet weten, wat hierm'ee bedoeld is.
Het 'Geref. Kerkboek' zet bij dit woord een noot, met verwijzing naar Joh. 4:24. Daar staat: "God is geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid". Geen woord dus over 'de éénvoudigheid' van God. En de enige tekst in de Bijbel die de eenvoudigheid Gods wél noemt, wordt in het Geref. Kerkboek niet als 'bewijstekst' aangehaald. In historisch opzicht terecht, zoals we straks zullen zien.

De oorsprong van de 'eenvoudigheid' in artikel 1.
Wanneer we in de theologische vakliteratuur nazoeken wat met deze 'eenvoudigheid' van God bedoeld kan zijn, dan komen we al spoedig tot de conclusie dat hier een filosofische kwestie op de achtergrond aan het werk is. Het is een punt dat al door de eerste (heidense) theoloog, nl. Xenophanes (plm. 570-470 v. Chr.), aan de orde is gesteld.
Deze dichter-filosoof bespotte de traditionele goden van zijn tijdgenoten, die z.i. veel te veel leken op de mensen zelf, ook met hun immorele gedrag.
Nee, hij dacht veel verhevener over de goden. Hij ging een lijst opstellen van de eigenschappen die 'een' god moest hebben, om als een echte god te kunnen worden beschouwd en vereerd. O.a. bedacht hij dat een echte god niet 'samengesteld' kan zijn, zoals stoffelijke dingen samengesteld zijn uit onderdelen. Een 'echte god' moest dus 'éénvoudig' zijn.
Daarom moest hij behoren tot de onstoffelijke, geestelijke wezens, die niet samengesteld zijn uit onderdelen. Ook niet uit een aantal verschillende eigenschappen.
Daarom kon hij ook van god zeggen dat hij o.a. 'een en al denken' was!
Veel latere, ook christelijke, theologen bleken lang niet ongevoelig voor dat denkmonster. Aristoteles noemde god ook 'het denken van het denken' en zijn invloed in de christelijke theologie is, zoals algemeen bekend, zeer groot geworden, uiteraard met veel 'correcties en aanvullingen'.
Na Xenophanes, toen de Griekse filosofen in de werkelijkheid gingen onderscheiden tussen 'wezens' en hun 'eigenschappen', pasten ze dit ook toe in de theologie, die toen nog beschouwd werd als 'meta-fysica', het eerste of hoogste deel van de filosofie.
In een echte god mochten er dus geen samenstellingen zijn, niet van stof en geest, ook niet van wezen en eigenschappen.
Een god zou éénvoudig moeten zijn. Alles wat hij hééft aan vermogens en eigenschappen is hij, en is hij totaal.

Blijvende invloed van de filosofie
Vanuit dit begin der theologie bij de heidense dichter/denker Xenophanes, is deze idee van de eenvoudigheid zakelijk, en meestal ook letterlijk, in de christelijke theologie overgenomen en blijven voortbestaan. Ook in de orthodoxe gereformeerde theologie. Uiteraard met de allerbeste en vrome bedoelingen om allerlei vroegere en tegenwoordige ketterijen te kunnen weren.
Wie de onverkwikkelijke geschiedenis van de theologie inzake de zogenaamde eenvoudigheid Gods wil lezen, kan uitvoerig terecht bij de vierdelige toelichting op de Nederlandse Geloofsbelijdenis van A.D.R. Polman (plm. 1949) en ook in de Geref. Dogmatiek van H. Bavinck, deel 11,blz. 87 ev, 96 ev. en 144 ev. Ook Bavinck en Polman sloten zich onkritisch aan bij deze traditie. Allerlei niet-orthodoxe theologen zoals Remonstranten, Schleiermacher, veel half-orthodoxe Lutheranen, en vele vrijzinnigen, hadden al vroeg in de gaten "dat er van de simplicitas Dei (= de eenvoudigheid Gods) geen jota stond in de Schrift, dat ze louter metaphysische leer was en volstrekt niet noodzakelijk te gelooven". Aldus geeft Bavinck zelf (a.w. 11,146) het standpunt weer van de Remonstranten.
Voor hem was dit een ketterij. Zelf zou ik het met dit standpunt van de Remonstranten van harte eens zijn, als ik niet wist dat zij tegelijk met o.a. deze op zichzelf juiste opvatting, allerlei andere onbijbelse ideeën wilden doordrukken.

Schriftbewijs
Opvallend is dat de vrijgemaakte uitgave, die in de confessie met cijfertjes vele verwijzingen naar schriftplaatsen heeft ingelast, bij de besproken uitdrukking helaas verwijst naar Joh. 4:24, waar met geen woord sprake is van de eenvoud Gods. Maar, zoals reeds opgemerkt, men verwijst niet naar de enige plaats in de Schrift waar wél gesproken wordt van de eenvoudigheid Gods, nl. Jac. 1:5.
Dat weglaten van déze verwijzing is historisch gezien volkomen terecht. De Schrift spreekt in de genoemde plaats van God die 'eenvoudigweg en zonder verwijt' wijsheid geeft aan wie Hem daarom vragen. Deze eenvoud heeft inderdaad helemaal niets te maken met de eenvoudigheid die arttkelt van de confessie helaas bedoelde: de zijnseenvoudigheid uit de theoretische ontologie (= zijnsleer).
Gelukkig kan ik hieraan toevoegen, dat wij als kerkleden ook niet gebonden zijn aan eventueel slechts wetenschappelijk vast te stellen historische theologische bedoelingen van de opstellers der Confessie. Daarom kunnen wij met vrijmoedigheid de eenvoud Gods belijden naar Jac. 1:5, waar we lezen dat God ons gebed 'eenvoudigweg en zonder verwijt' verhoort. Dat was inderdaad niet bedoeld door de opstellers van die belijdenis. Wij lezen de belijdenis echter in het licht van de Schrift, en niet andersom. Niet de oorspronkelijke bedoeling der opstellers is kerkelijk bindend, maar de tekst zelf, en die in het licht van de Schrift.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief