Gebedswerk

1992-05-08
  • Jaargang 36
  • nummer 10
Ef. 3:14-17. "Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader naar Wie alle Vaderschap in de hemel en op de aarde genoemd wordt: moge Hij u in zijn onmetelijke heerlijkheid geven" (Willibrord-vert.).

Over gemeenteopbouw gesproken
Mag ik dit gebed van de apostel Paulus eens met u lezen onder dit aspect?
Er wordt in deze tijd (terecht!) vaak nagedacht over gemeenteopbouw.
Niet dat daar vroeger niets aan gedaan werd. Is de trouwe, volhardende bearbeiding van de gemeente door de ambtsdragers die er eeuwenlang al was niet de voornaamste factor in de opbouw van de gemeente van Christus?
Maar tegenwoordig wordt die uitdrukking in een meer bijzondere zin gebruikt.
Gemeenteopbouw is nu een meer gerichte arbeid om met inschakeling van alle gaven en krachten de groei en opbouw van het lichaam van Christus te bevorderen, zowel in kwaliteit als in kwantiteit. Prachtig, als daar goed over nagedacht wordt. En als daar hard aan gewerkt wordt. Niet alleen vanuit een negatieve aanleiding: om (verdere) afkalving van de gemeente te voorkomen. Maar ook vanuit de positieve interesse: hoe zou het leven van de gemeente er eigenlijk uit moeten zien, wil het beantwoorden aan Gods bedoeling.
Nou, ik denk, dat wij dan heel wat leren kunnen van dit bekende gebed van Paulus voor de gelovigen in Efeze cum annexis (hebben we inderdaad met een rondzendbrief te maken? zie 1:1 - het woord Efeze staat tussen haken).
Roert de apostel in deze voorbede niet de voornaamste punten aan waar het in het leven van de gemeente om gaat, toen en nu? We beperken ons nu tot het feit en de aanhef van dit gebed.
Waarom deze voorbede? Hoe gaat Paulus bidden?

Zonder gebed vaart geen gemeente wel
Kunnen we dat niet als eerste leren uit dit magnifieke voorbeeld van een apostolische voorbede? Wat neemt het gebed überhaupt al een grote plaats in in deze brief. Het eerste, hooggestemde stuk over de rijkdom van Gods genade over de gelovige van de nieuwe bedeling, hst. 1:14, wordt gevolgd door ... een voorbede, vs. 15-23.
De voortzetting van deze uitstalling van de evangelie-schatten, in hst. 2 en 3 wordt opnieuw gevolgd door ... een voorbede! 3:14-21. Straks, in hst. 6:18v vraagt de apostel op zijn beurt ook om de voorbede van de gemeente(n) met het oog op zijn arbeid als apostel. In geen brief vind je zo uitvoerig weergegeven, wát de apostel van Gods genadetroon smeekt voor de gelovigen.
Is dat niet, dat wij ons spiegelen zouden aan dit model-gebed?
Maar het gaat me nu eerst om het dát.
Als er één is die besefte, dat alle goede dingen van boven moeten komen van de Vader der lichten, alle opbouw ook en groei in het geloof van de gemeente, dan wel de apostel Paulus.
Wie heeft zo intens en hard en met voortdurende opoffering van zichzelf gewerkt aan de opbouw van een geestelijk huis voor God? Wie heeft zo beseft dat ons werken zonder bidden is als het roeien van een roeiboot met maar 1 riem? Paulus besefte de waarheid van de woorden van Christus: zonder Mij kunt gij niets doen, Joh. 15:5. Geldt dat vooral niet voor alle inspanning en inzet voor gemeenteopbouw en geloofsgroei? Begint die niet met... gebed? Voorbede ook van de ambtsdragers! Gebedskringen zijn zo vreemd nog niet, als er besef is van gemis aan geestelijke groei.

.,Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader" ...
In vs. 1 van hst. 3 zegt Paulus dat hij terwille van Christus Jezus in gevangenschap verkeert, ten behoeve van de (gelovigen uit de) heidenen. Ziet u het voor u? Een van de hoogste gezanten van Christus, die in het huis, waarin hij onder arrest stond (Hand.
28:30) op de knieën gaat om voor de gemeenten te bidden! Dat doen wij denk ik niet zo vaak meer: knielend bidden. In de Bijbel kom je dat meer dan eens tegen. Het is een van de gebedshoudingen, die Israël en de christengemeenten gekend hebben.
Zie Rom. 11:4 (het bidden van de Baälspriesters), 14:11 (citaat uit Jes. 45:23: voor Mij zal alle knie zich buigen, zo ook Fil. 2:10). David knielde neer voor Saul(!), 1 Sam. 24:9 en Salomo knielde (openlijk) neer voor God om te bidden, 2 Kron. 6:13. En een melaatse valt op de knieën voor Jezus neer om Hem om hulp te vragen, Marc. 1:40. Wat spreekt daar een eerbied uit. En een besef van diepe afhankelijkheid. Nee, knielbanken in de kerk, dat is zo gek nog niet. Toen ik het knielend bidden van de hele gemeente voor het eerst meemaakte in een dienst van de Anglicaanse kerk deed me dat best iets.
Komen wij ook als wij bidden zo tot God? Als smekelingen? Die beseffen: ik ben helemaal aangewezen op de (onverdiende) gunst van God? Is het ontbreken van het knielen meer dan het ontbreken van een uiterlijke vorm?

(Ik buig mijn knieën voor) de Vader .
Die Vadernaam hier is al typerend.
Geeft dat niet de rijkdom aan van het nieuwe Verbond? Is dat niet dé naam die Gods houding tegenover de gelovige typeert? Zo leert Christus ons God aan te spreken. Dat mag vertrouwen wekken. Groot vertrouwen. Daar is afstand. Er is ook gemeenschap.
Verbondenheid. Er is een machtig begin van het heil: de adoptie tot Gods kinderen. Zal een vader zijn kind(eren) niet geven, wat ze nodig hebben? Gebruikt Paulus die naam ook, om het gemeenschappelijke voorrecht te onderstrepen van Joden én heidenen die tot geloof in Christus kwamen? God maakt geen onderscheid meer tussen de een en de ander! Een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen die hem aanroepen, Rom. 10:12. Ja, wat een oneindig rijke Vader is onze Vader.

De Vader van alle vaders
"Alle geslacht in hemel en op aarde is naar Hem genoemd", zegt onze vertaling.
Het woord voor geslacht: patria is verwant met het woord voor Vader: pater. Een patria kan de betekenis hebben van een geslacht, met een gemeenschappelijke stamvader (vader Abraham, David, zie Luc. 2:4), maar ook een groep rondom een centrale figuur. Dan is er dus geen bloedverwantschap, maar verbondenheid uit andere oorzaken. Zulke groepen zijn er in de loop van de tijd talloos vele op aarde maar zulke groepen zijn er ook onder de zonen van God in de hemel, de engelen. Wil de apostel hier impliciet wijzen op de ruimheid van Gods verlossingswerk? Ik denk, dat hier in het algemeen gesproken wordt. Alle (groepen en geslachten van) mensen hebben hun oorsprong, hun bestaan aan God te danken. Hoe groot is deze Vader. ..

Wat hebt ge dat ge niet ontvangen hebt?
Er staat, dat alle patria's 'hun naam ontvangen' van God de Oervader. De vertaling 'genoemd worden-naar' is te zwak. Een naam ontvangen wijst op: een positie, eer ontvangen. De naam is datgene, waarmee je naar buiten treedt en kenbaar bent onder de mensen.
"De apostel wil dus zeggen, dat alle schepsel door Gods goedheid ontving wat het bezit aan krachten, positie, eer. En hij wijst hier op, om de grootheid en goedheid en heerlijkheid van God aan te duiden" (Greijdanus).
Zou de Vader dan niet vooral die nieuwe patria, de gemeente die Zijn Zoon formeert uit Joden en heidenen, heerlijkheid en eer en kracht willen geven? Denk aan Joh. 15:16 "Opdat de Vader u alles geve wat gij Hem bidt in mijn naam".

Om die reden
Paulus heeft reden om voor de gemeente te bidden. Het is goed om daar op te letten. Het kan onze gebeden voor de opbouw van de gemeente diepte geven. Ligt die reden niet in de geweldige dingen, die hij in deze brief noemt? Kort gezegd is dat het grote wonder van de nieuwe fase van Gods heilswerk die mocht aanbreken. Eindelijk is er immers een nieuw Hoofd, Christus dat het oude hoofd, Adam vervangt. Waarom geeft God Hem?
Om Zijn plannen te realiseren (zie hst. 1) om alles 'samen te vatten onder één Hoofd'. Adam faalde als hoofd: de zonde heeft alles in Gods wereld in de war geschopt, uiteengescheurd. Christus het nieuwe Hoofd zorgt, dat alles weer harmonieus verenigd wordt.
Daarom heeft Hij na zijn lijden en sterven zo'n geweldige machtspositie gekregen in de hemel (1:20v). Wat een weldaad als er goede leiders zijn!
Daar weten we vandaag alles van!
Waar zie je het machtige begin van die hereniging? In de gemeente, het lichaam van Christus, van wie Hij speciaal het Hoofd is(1:22v). Wat is het bijzondere van dat lichaam? Dat daar alle (radicale ethnische en religieuze) tegenstellingen overwonnen mogen worden, door ... de verzoening (2:11-
22). Dat geldt vooral voor de eeuwenoude kloof tussen Jood en Griek (heiden).
Nou, wie mocht dat eeuwenoude plan bekend maken en realiseren? De apostel Paulus (3:1-13). Wij kunnen ons niet meer voorstellen, wat een overgang dat is geweest! En dan te bedenken, dat het loutere bestaan van die nieuwe gemeenschap een presentatie mag zijn voor de hemelse overheden en machten (6f de engelen ook toezien hoe het hier op aarde in de gemeente toegaat!) waarin ze een beeld krijgen van de veelkleurige wijsheid van God! (3:10).
Geen wonder dat de apostel denkt: als dat nu maar goed gaat! Als die gemeenten in Efeze en omstreken nu maar echt een toonbeeld zijn van heiligheid en verzoening! (Daar heeft hij nog wel wat over te zeggen: zie hst. 4:1v). Begrijpt u deze voorbede? Moet dát ons niet dringen tot gebed? Het besef: er staan zulke grote dingen op het spel. Er is zo'n geweldige, nieuwe fase aangebroken. Gods werk haast naar de voltooiing! Het gaat niet om 'ons clubje', maar om Gods bouwwerk!

..Opdat Hij u geve naar de rijkdom van zijn heerlijkheid"
De maatstaf van Gods geven is niet wat bij ons mogelijk is. Wat in deze wereld voorhanden is. Maar wat bij Hem mogelijk is. Onze Vader heeft ongekende mogelijkheden. Paulus houdt er van om begrippen op elkaar te stapelen. De begrippen rijkdom en heerlijkheid wijzen op Gods onmetelijke grootheid als Koning. Salomo in al zijn heerlijkheid is er niets bij. Wat een mogelijkheden zijn er bij God voor de groei en bloei van de gemeente.
Denken we daar niet te klein van? Hij is "bij machte oneindig veel meer te doen, dan wij bidden of beseffen", vs.
20. Onze kleinmenselijke maten en begrippen passen hier niet. Dan moet je daar bij je bidden ook niet van uit gaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief