Mystiek in de literatuur (slot)

1992-05-08
  • Jaargang 36
  • nummer 10
Het wordt tijd dat we deze reeks afsluiten.
Er zijn nog twee boeken waaruit ik één en ander wil citeren. Het eerste is van Maarten 't Hart: De Jacobsladder.
Niet dat ik zo ingenomen ben met het boek, maar het past wel in de reeks waarmee we bezig zijn. Voor ons is dan de centrale figuur: Ruygveen. De grootvader van de ik-figuur vertelt van hem: "Toen zijn eerste kind stierf, is hij bij ons uit de kerk gegaan. Hij dacht toen dat het een straf van God was omdat hij, vanwege zijn vrouw, uit de Christelijke Gereformeerde Kerk was overgegaan naar de Gereformeerde Kerk. Hij zei altijd dat er bij ons een stoomgeloof wordt gepreekt."
"Ja", zei mijn vader, "hij vindt dat er bij ons veel te weinig gewicht aan de klok hangt."
"Hij is een doodgoeie kerel", zei mijn grootvader, "het is nog een echte ouderwetse Ledeboeriaan, zo een die de bijbel uitvlooit om 't allerzwartste eruit op te diepen."
De familie Ruygveen kerkt de laatste tijd in Delft bij de Oud Gereformeerde Gemeente. "Daar staat, meen ik, dominee Van Minnen", zei mijn grootvader, "dat is een mirakels zware, die kan preken - Maleachi en Zefanja zijn er niets bij." En dat Ruygveen inderdaad van zware kost houdt, blijkt wel uit zijn commentaar op een preek: "Hij verkondigt veel te weinig de doodsstaat van de mens. Zelfs vanmorgen met die tekst, en die komma, kwam hij nog te spreken over het aanbod van vrije genade. En dat voor al die avondwolven, al die helwaardigen, al die verwoesters van Sion! Het lijkt wel of we bij de gereformeerden hebben gekerkt."
(Dat kunt u in uw zak steken, gereformeerde lezers van Opbouw! En om even in die sfeer te blijven: Het Liedboek is ook maar niks, vindt Ruygveen. "Papen kost in geuzenschotels!" Dat weet u dan maar weer.)

Maar de situatie in het gezin van Ruygveen wordt héél ernstig. Ruygveen zelf is dominee 'op artikel acht' geworden, hij is bijna nooit thuis, altijd bezig andere mensen "in de diepte van hun schuld in te leiden", moeder is ook altijd weg, zij waakt bijzieken en bejaarden, heeft twee bijbelclubjes, maar aandacht voor haar kinderen is er niet. Intussen is er wel sprake van incest: twee broers 'doen het' met hun zus. De ene vertelt: "Ja, het is een vreselijke zonde, maar m'n vader zegt altijd dat je een heel groot zondaar moet zijn geweest, voor je je bekeert.
Ruth is al bekeerd, die doet het dus niet. Maar zelfs als je bekeerd bent, maakt het toch ook niet uit. God heeft vóór eeuwigheid al vastgesteld of je bent uitverkoren of niet. Daar kun je zelf niets aan doen. Dus als je uitverkoren bent, kun je maar raak zondigen, je gaat toch naar de hemel. En als je niet uitverkoren bent, kun je nóg zo braaf zijn, maar ga je toch naar de hel. Honderd miljoen jaar geleden en nog daarvóór heeft God al besloten of je zalig zult worden of niet."
Het is een treurige toestand. Het zusje, Hendrikje, wordt door haar vader het huis uitgegooid, omdat ze zich heeft opgemaakt. Van wat er werkelijk aan de hand is, heeft hij niets in de gaten.
Zij wordt prostituée in Den Haag, dat lijkt voor haar de enige uitweg. Eén van haar broers hangt zich op. Later sterft de moeder, uitgeteerd door verdriet.
Ruygveen treedt af als dominee, want in 1 Timotheüs 3:2 staat dat een opziener de man van één vrouw moet zijn en een weduwnaar voldoet niet aan die eis.
Tenslotte raakt Ruygveen geestelijk helemaal gestoord en komt hij in een psychiatrische inrichting terecht. Hij gelooft dat God hem straks, net als Elia, zal halen in een vurige wagen met vurige paarden. Nee, hij kan niet de ladder beklimmen die tot de hemel reikt en waarvan de ik-figuur uit het boek heeft gedroomd: "Dat kan toch nooit, dat zou betekenen dat ik zelf zou moeten klimmen, terwijl ik nog geen zucht kan toedoen aan mijn behoud.
Het moet enkel van Hem komen, het is enkel Genade. Nee, een ladder, geen sprake van; hoe zou God dan Zijn terugleidende genade aan mij kunnen verheerlijken. Nee, Hij komt met wagen en paarden, ik weet alleen niet wanneer Hij zal komen en daarom moet ik mijn kleren aanhouden, als ik naar bed ga. Want Hij komt als een dief in de nacht..."
Maarten 't Hart heeft ook in dit boek een karikatuur gegeven, een overdreven en eenzijdige schets van een soort christenen voor wie hij dan volgens zijn zeggen sympathie heeft, maar die hij in feite helemaal niet heeft begrepen.
En de buitenwacht die er al evenmin begrip van had, reageerde enthousiast op dit boek. Ik heb meer waardering voor de roman waarmee ik deze reeks wil beëindigen:

De overkant van de rivier, door Jan Siebelink.

Jan Siebelink: De overkant van de rivier.

Een man, Schuit, is met een zware koffer vol boeken op weg naar een gezin Puyman. Hij heeft gehoord dat Puyman zich niet meer kan vinden in de leer die de Hervormde Kerk verkondigt.
Hans Innemee helpt Schuit door de koffer een poos te dragen.
Schuit raadt hem één van de boeken aan, preken van ds. Poort uit de tijd na zijn bekering. Volgens Schuit bevat het "de zuiver waarheid des geloofs". Han Innemee zegt: "Maar ik denk dat God boven mij is. Dat geloof heb ik van mijn ouders gekregen. Mijn ouders waren hervormd. Ze zijn bij een ongeluk om het leven gekomen. Ik bid dagelijks voor hen. Ik heb nog nooit aan mijn geloof getwijfeld." Maar Schuit zegt: "Dit is het geloof: weet hebben van de betrekking die er is tussen God en de ziel. U bent niet bekeerd want u bidt voor uw ouders alsof de Almachtige zich nog in zijn oordeel op de jongste dag door ons zal laten beïnvloeden.
Dat is de leugenachtigheid van de Roomsen, een leugenachtigheid die nu ook de Hervormde kerk is binnengeslopen. Wie bekeerd is, kan en mag zeggen dat God in zijn leven alles is geworden en dat hij daardoor zelf tot niets geworden is. Dat is gelukzaligheid.
Dat is genade."

Later komt ook Simon, de zoon van Puyman, onder invloed van Schuit en soortgenoten. "De ziel moet zichzelf als vijand van God leren, kennen. Het onvoorwaardelijk kiezen voor God brengt de ziel ertoe de wereld vaarwel te zeggen en heilig te leven." En Simon antwoordt: "Ik wil nietig leven, ik wil de hebbelijke heiligheid ontvangen."
Door deze vorm van vroomheid komt er een zware sfeer in huis te hangen. Simon en zijn vrouw raken van elkaar vervreemd.
Regelmatig krijgt Simon bezoek van een in het zwart geklede man die een koffer vol oude boeken meesjouwt.
Simon geeft veel geld aan boeken uit, terwijl ze het eigenlijk niet kunnen missen. Hij komt steeds meer onder het beslag van de sombere gelovigen.
Zijn vrouw vangt wel eens een deel van een gesprek op, maar kan er geen touw aan vastknopen: " ...altijd bezig zijn ... in de profijtelijke grond voor de eeuwigheid in de bevinding te zoeken..."
De sombere bezoekers blijven komen.
Hoe Anna, de vrouw van Simon hen ziet, wordt als volgt beschreven: "hogepriesters met slaperige kattetronies.
Eerst stellen ze zich tevreden met omtrekkende bewegingen, maken gebruik van sluipwegen. Je hoort.ze niet, ze zitten op plaatsen waar je niet bij kunt komen, zoals muizen in de spouwmuur, maar al gauw gaat het geluid van hun activiteiten maaltijden verstoren, gesprekken, nachtrust. Ze zijn ernstig en plechtig, ze nemen de aarde in bezit en dan de mensen, zijn beleefd, hebben een zachte, bijna onhoorbare stem, maar zijn toch goed te verstaan, dringen in alles door en houden nooit op. Maar ze kennen geen haast. Nooit· haast. Til een bemoste steen op. Daar zitten ze onder, de donkere geleedpotigen." .

Eén van hen vertelt op een dag aan Anna dat de Here haar man al lang geleden "in de woestijn heeft geleid ... Vanaf dat moment is hij Hem smartelijker gaan missen dan ooit. Maar de ziel kan niet in enkele ogenblikken door de standen der genade heen worden gevoerd. Er zijn in de bekeringsweg twee werkingen te onderscheiden. Een zondaar die bekeerd wordt, wordt overgezet uit de staat des doods in de staat des levens - de staatverwisseling.
Dit kan in één ogenblikje gebeuren, het moment de wedergeboorte.
God schenkt die genade in het uurtje der minne. De tweede genade is de rechtvaardigmaking - de ziel wordt er zich bewust van wat God aan hem gedaan heeft. Dit is de staat der volle genade. Hierna kan de ziel standelijk worden geleid. De ziel moet standelijk vorderingen maken op zijn weg."
Maar volgens hem is Simon "in de verleiding om de voor het vlees aangenaamste weg te nemen. Hij heeft de neiging het stuk der ellende over te slaan." Anna heeft haar eigen kijk op dit soort godsdienst: "Stakkers waren het. En wie bekeerd werd, veranderde in een treurige, angstige schim. Allemaal door dat fantastische aanbod van een jaloerse, wrede God die het heil om niet schonk."

De sombere broeders staan tenslotte bij het sterfbed van Simon. Hun woorden worden steeds onbegrijpelijker ...
"dode belijders zijn al dood voor de doodsstaat. Zware tijden wachten ons.
Benauwde tijden. Verwaterde tijden.
Droeve tijden. Kommervolle tijden.
Donkervolle tijden. Boze tijden. Op Safershoogten, in Haradaäsdiepten."
Hun vreemde, onnatuurlijke gedrag stoot Anna af: "Ze was er op dat moment van overtuigd dat God niet bestond.
Allemaal waan. Allemaal verzinsels.
God kon onmogelijk met deze colporteurs zijn."

Op de verdere inhoud van beide romans ga ik nu niet in. Het was mij erom te doen iets uit de sfeer van de mystiek naar voren te halen. Scholieren kunnen beide romans voor hun literatuurlijsten gebruiken, maar ik meen dat ze bij Siebelink een meer reëel beeld van de 'zwaren' krijgen dan bij Maarten 't Hart. Om een beter inzicht te krijgen zouden ze de problematiek best eens bij de catechisatie aan de orde kunnen stellen!

Voorlopig stop ik hiermee. Wel hoop ik nog eens iets te schrijven over het bijzondere taalgebruik in mystiek aangelegde kringen, de zg. Tale Kanaäns.
Maar de voorbereiding daarvan zal nog wel enige tijd vragen. En we gaan straks eerst eens met vakantie: Er is voor elke zaak en elk werk een bestemde tijd. Dat staat in Prediker 3:17.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief