Persschouw
1992-05-08
Gezagskrisis- Jaargang 36
- nummer 10
Dat er een gezagscrisis is heb ik heel duidelijk kunnen zien in de jaren dat ik rijd met de metro van het Amsterdamse Gemeentevervoerbedrijf, van een overheidsbedrijf dus. Heel lang geleden (ik denk in 1981)maakte ik mee dat er twee controleurs verschenen en alle reizigers naar hun vervoersbewijs vroegen. Eén man, die niets kon laten zien en heel weerspannig bleek, werd bij zijn lurven gepakt en de wagon uitgezet. (Of er nog politie aan te pas kwam, kon ik niet zien, want de metro reed door). De twee controleurs leken hun taak te volbrengen zonder daar veel arbeidsvreugde aan te beleven, en misschien hebben ze later bij het GVB werk gevonden dat leuker was. In ieder geval heb ik na dit voorval jarenlang geen controle meer meegemaakt bij de metro.
Controle bij de toegang van de metrostations was er ook nooit, en zo nam het zwart-rijden dus flink toe. Tot men besloot daar een stokje voor te steken door het aanstellen van "veiligheidsadviseurs".
Deze veiligheidsadviseurs verschenen in ploegen van vijf in de metro, en gaven ons dus adviezen over onze veiligheid, maar ze vroegen ook of we onze strippenkaart wel goed afgestempeld hadden. (Ze heetten natuurlijk geen controleurs, want we zouden het allemaal als een ernstige inbreuk op onze privacy opgevat hebben als we gecontroleerd werden, en de vraag of we eigenlijk wel betaalden voor het openbaar vervoer, waarvan wij gebruik maakten, was dus ingebed in de zorg voor onze veiligheid.) Wat deden de veiligheidsadviseurs als je geen geldig vervoersbewijs kon laten zien? Dan schreven ze je naam en je adres op en zeiden ze dat je er nog meer van zou horen. Maar omdat ze je niet konden dwingen je te legitimeren, begreep iedereen al gauw dat je zonder enig bezwaar een valse naam en adres op kon geven, en dat werd dan ook gedaan.
Laat op een avond maakte ik eens mee dat de veiligheidsadviseurs binnenkwamen terwijl, er zoals je vroeger zei, "een groep aangeschoten jongelui" in de metro zat. Ze lachten eens vriendelijk naar deze groep, en vroegen niet naar een vervoersbewijs, terwijl figuren als ik, die geen druppel gedronken hadden, wel hun kaartje moesten laten zien.
Sinds enige tijd zie ik geen veiligheidsadviseurs meer en blijven we dus verstoken van hun adviezen.
Er is nu alweer een paar jaar sprake van dat er controle komt bij de ingang van de metro-stations, maar ik heb nog niets gezien, en zo sukkelen we dus maar weer verder. Wat een land, wat een land! Je ziet aan zulke dingen dat het de overheid ontbreekt aan moed om op te treden, en nu kom ik terug bij de moskee, waarop een aanslag werd gepleegd. Ik noem daar nog iets anders bij: begin februari werden in Den Haag allochtonen gemolesteerd door skinheads, van wie er zeven zijn aangehouden, en van wie er inmiddels twee hebben bekend. Goed werk van de politie!
Leden van de Tweede Kamer hebben verontwaardigd gereageerd op de acties van de skinheads en gezegd dat daar een eind aan gemaakt moet worden.
Helemaal juist!
Maar ik vraag nu aandacht voor mensen - allochtonen en autochtonen! - die jarenlang geteisterd worden door de kleine criminaliteit, en aan wie bijna niemand zich iets gelegen laat liggen.
Wanneer zij brieven aan de burgemeester of aan een minister schrijven, krijgen ze nietszeggende antwoorden en hun klachten worden weggewuifd. Waarom?
Omdat hun klachten niet passen in de denkkaders van degenen die politieke verantwoordelijkheid dragen en van degenen die grote delen van de publiciteit beheersen. Waarom komt een Haïtiaan, die door skinheads in elkaar geslagen wordt op de voorpagina van het NRC-Handelsblad (3 februari 1992),en waarom doen kamerleden uitspraken naar aanleiding van wat hem overkomen is, en waarom komt mevrouw X, die geld is wezen halen bij de post, die door Y en Z op klaarlichte dag beroofd wordt van haar geld en daarbij een lelijke val maakt, helemaal in geen enkele krant (behalve dan misschien in het plaatselijke advertentieblad) en waarom doen kamerleden over haar geen uitspraken?
Voor alle zekerheid: mevrouw X is de enige niet, ze is een van de velen uit een lange rij, die ik in de afgelopen jaren alleen nog maar langer heb zien worden. De criminaliteit, ook de kleine, is niet tot nul terug te brengen.
Maar er kan veel meer gedaan worden dan er nu gedaan wordt om mevrouw X en vele anderen tegen allerlei onverlaten te beschermen. Om dat te doen zal de overheid moeten gaan zien dat ze een roeping heeft en dat ze haar gezag eindelijk eens een keer moet laten geIden.
Als het haar ernst is met de bescherming van moskeeën, van Haïtianen en van andere vreemdelingen die hier wonen, zal ze dit gezag ook daarvoor nog hard nodig hebben.
Dit is het slot van een artikel, dat Dr. A.A. Spijkerboer publiceerde in het blad: "KERK EN THEOLOGIE". Wij namen het over via "DE WAARHEIDSVRIEND".
Terecht legt Spijkerboer de vinger bij een selektieve verontwaardiging ten aanzien van de kleine kriminaliteit.
Dat leidt tot een onevenwichtige en onrechtvaardige bejegening van ettelijke medemensen. Het is goed de overheid te stimuleren op grote en kleine schaal haar verantwoordelijkheid te bedienen. Bovenal geldt voor ons in dat kader de eis voor de overheid regelmatig te bidden. Daartoe vermaant de apostel Paulus ons heel duidelijk in I Timotheüs 2 : 1 en 21 Enschede
O. Mooiweer