Een veel besproken rapport
1992-05-22
Rond deze tijd wordt in veel van onze kerken hard gestudeerd op het rapport over een mogelijke "openstelling diakenambt voor zusters der gemeente". Ik denk, dat er geen kerkgenootschap is waar aan een studierapport z6veel aandacht wordt besteed. Het rapport verdient deze aandacht ook, vanwege de degelijke aanpak. Alle kaarten worden op tafel gelegd en er wordt geen beslissing geforceerd, zodat velen kunnen meedenken. In een maand, waarin zoveel kerken hieraan werken, wil ook ik daar graag een bijdrage bij geven.- Jaargang 36
- nummer 11
Het belangrijkste vind ik trouwens: we moeten als kerken ook ná deze discussie samen verder met Gods Woord. En het is duidelijk, dat de discussie over het onderwerp 'de vrouw in het ambt' alles te maken heeft met onze manier van omgaan met de Schrift en haar gezag. Terwille van de toekomst van onze kerken til ik daar minstens even zwaar aan als aan de zaak zelf.
Daarom stel ik nu de vraag aan de orde hoe we met dit studierapport omgaan. Het is nu immers de fase, waarin antwoorden moeten komen op de vragen, die het rapport open laat.
Voor alle duidelijkheid: ik lever geen kritiek op het rapport zelf, want de opstellers hebben zich voortreffelijk gekweten van de hun opgelegde taak.
Maar ik ben er beducht voor, dat deze omvangrijke studie (de derde in successie) het onbedoelde resultaat zou hebben, dat velen gaan denken: het is kennelijk allemaal z6 ingewikkeld, dat een gewoon mens er geen zinnig woord over kan zeggen. Als dat gebeurt, zou je weer het gezegde kunnen krijgen dat mijn vader voor de scheuring zo vaak op de classis hoorde: "met de Bijbel kun je alle kanten op".
En dat gezegde is de dood in de pot.
Het is ook niet waar. Wij geloven, dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat, en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden (art. 7 NGB). Dit betekent volstrekt niet, dat je op alle vragen een antwoord vindt in de Schrift, maar wel dat we dáár het enig betrouwbare licht op ons pad vinden.
We hebben zeker pech
Als ik nu in het rapport de minitieuze behandeling van teksten lees, dan kan ik me voorstellen dat mensen die niet vertrouwd zijn met exegetische en theologische lectuur zullen denken: we hebben zeker de pech, dat we net het ingewikkeldste onderwerp van de hele Bijbel te pakken hebben, want van .
elke tekst die behandeld wordt is de betekenis omstreden. In werkelijkheid kun je, als je er maar de tijd voor neemt, over ieder woord uit de Bijbel wel een aantal verschillende meningen vinden. Maar dat betekent heus niet, dat de betekenis van al die teksten zo duister is.
Het lijkt me dan ook wenselijk om vooraf na te denken over de vraag hoe je met zo'n grondig studie-rapport omgaat. Laten we de hele zaak eerst eens samenvatten op een vingernagel.
De apostel zegt: "ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag heeft over de man" (1 Tim. 2:12) en wij zien eigenlijk niet in wat daartegen is.
Dan heb je een probleem ...
De vraag is nu, hoe we omgaan met dit probleem. In andere kerken is de oplossing gekozen om dit onderwijs van de apostel, samen met veel van zijn andere woorden, tijdgebonden te noemen. Wij schrikken daarvoor terug.
Een andere oplossing is om alles bij het oude laten en het probleem negeren, maar daar voelt ook niet iedereen voor. Dus moet je studeren en ook discussiëren. Maar dat moet wel op de goede manier gebeuren.
Iedere organisatie-deskundige kan je vertellen: je moet niet beginnen met het breed naast en tegenover elkaar zetten van meningen. Het resultaat is dan chaos en het praktisch nadeel is, dat iedereen stuurloos z'n eigen gang gaat. In plaats daarvan moet je eerst zoveel mogelijk vastleggen wat je wél weet en met elkaar eens bent. Dat schept duidelijkheid en vooral vertrouwen om verder te gaan. Want op basis van wat je met elkaar eens bent, moet je stap voor stap verder naar vragen die moeilijker liggen. Alleen wanneer je je uitgangspunten zo duidelijk mogelijk samen gemarkeerd hebt, kan het ook wel lijden als er vragen zijn waar je niet uitkomt.
Inzetten aan de goede kant
Ik bedoel dit: als we meteen aanvallen op de vraag "Mag de vrouw in het ambt van diaken?", dan krijgen we wel veel meningen, maar weinig luisteren naar de Schrift. Het valt dan ook niet te vermijden dat de discussie belast wordt met de vraag: waar zijn jullie eigenlijk op uit? Gaat het om het zoeken naar een beter verstaan van de Schrift of gaat het om een vlotte aansluiting bij de geest van onze tijd?
Maar als we eerst goed van elkaar weten, hoe we discussiëren, dan geloof ik dat we er als kerken alleen maar beter van kunnen worden. Het rapport biedt een uitstekende aanzet voor zo'n principieel begin van de discussie, met een hoofdstuk over het gezag van de Bijbel. Het komt er alleen op aan, dat we dit hoofdstuk zover mogelijk concretiseren. Zo stelt het rapport, dat de bezinning vanuit de Heilige Schrift moet gebeuren. "Deze heeft hierin gezag, en tegen het gezag van de Schrift in mag er niet besloten worden". Terecht wordt gewaarschuwd tegen een geïsoleerd beroep op een enkele Schrifttekst. De tekst uit 1 Timotheüs die ik citeerde in mijn 'samenvatting op een vingernagel' moet bijvoorbeeld in z'n verband gelezen worden. De koningin hoeft er zich niet door bedreigd te voelen en een directrice ook niet. Het gaat duidelijk over gezag binnen de gemeente en daarmee over geestelijk gezag.
Ook dit hoofdstuk uit het rapport over Schriftgezag eindigt met open vragen, met name met de open vraag of de 'leeswijzer' van de kerk van Eindhoven bruikbaar is, die stelt dat wij lijnen van emancipatie kunnen voortzetten, waarvan de aanzet in de Bijbel te vinden is. Deze open vraag verdient een antwoord en ik zou denken dat het ervan afhangt of dit voortzetten van lijnen ons in conflict brengt met een uitgedrukt woord van God. Daarover schrijft Johannes: "Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet" (2 Joh. 9). De afschaffing van slavernij is een voorbeeld van een Bijbelse lijn, die erom vroeg om voortgezet te worden. Paulus verbood slaven wel om gewelddadig in opstand te komen, maar nergens verdedigt hij dat instiuut. Maar een vermeende Bijbelse lijn voortzetten tegen de tekst van Gods Woord in, dat is een heel ander verhaal.
Niet van toepassing
In elk geval zou het de discussie zeer ten goede komen, als we afspreken _ dat we niet kiezen voor de weg die ons ook bepleit is en die erop neerkomt, dat een kerkeraad uitspreekt "dat de voorschriften die Paulus geeft over de plaats van de vrouw in de gemeente.
niet zonder meer worden toegepast in onze gemeente". Dit is namelijk wat je in de politiek zou noemen een "open eindregeling" , een oplossing waarvan de kosten onbegrensd zijn. Concreet: een kerke raad die dit uitspreekt, moet niet verbaasd zijn als jongeren vervolgens zeggen dat zij de woorden van Paulus over het huwelijk niet van toepassing verklaren. En ik zou nog wel wat voorbeelden weten. De prijs van zo'n regeling is onbegrensd en het vervelende is, dat ik bij onze kerkelijke buren wel zo'n beetje te weten kan komen, hoe hoog de prijs is. Ik ben ervan overtuigd: als we van elkaar zeker weten dat we zo'n kant niet op willen, dan kan de rest van de discussie veel vruchtbaarder worden gevoerd.
De concrete vraag die in onze kerken speelt,' is nog afkomstig van het verzoek, dat de kerk van Amsterdam-C deed aan de landelijke vergadering van 1985/1986. Het verzoek luidde om uit te spreken "dat het een zaak van Christelijke vrijheid is, als een plaatselijke kerk onder biddend opzien tot de Heer een zuster tot het diakenambt roept". Bij de opeenvolgende rapporten en studies is dat steeds de vraag geweest: is het Schriftuurlijk verantwoord om vrouwen te roepen tot het ambt van diaken? Sommige studies kwamen tot de conclusie, dat de Schrift dit wel toelaat en anderen concludeerden het tegenover gestelde.
Welke vragen stellen we?
Deze verschillende uitkomst heeft te maken met het feit, dat de vraag mankementen vertoont. Je vindt in de Bijbel niet iets massiefs als 'het ambt', en wat wij daarmee bedoelen wordt in de Bijbel eerder op ouderlingen dan op diakenen toegepast. Om dan toch een antwoord te forceren, dat biedt slechts schijnoplossingen. Een echt antwoord krijgen we alleen, als we de vraag aanpassen. In wezen gaat het om drie vragen: welke plaats wil de Here, dat ook zusters in het geheel van de gemeente hebben, hoe wil de Here zijn gemeente ingericht zien, en: hoe is volgens de Schrift de verhouding van man en vrouw? Wie deze vragen stelt, staat op Schriftuurlijke bodem en daar kun je op bouwen.
Ik kan die vragen natuurlijk onmogelijk in dit artikel uitwerken. Het gaat me meer om een lijn, die ons aan een ècht antwoord kan helpen.
Heel duidelijk is in de Schrift, en zeker in het Nieuwe Testament, dat de gaven van vrouwen voluit ingeschakeld worden.
Joël mocht al aankondigen, dat God zijn Geest zou uitstorten op zonen en dochters, op dienstknechten en dienstmaagden (Joël 2:28v). En Paulus leert, dat allen die in Christus gedoopt zijn, met Christus bekleed zijn. "Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk" (Galaten 3:28). Weliswaar wordt deze tekst vaak uit z'n verband gerukt en absoluut gebruikt, maar op dlt punt is Paulus duidelijk: allen zijn gelijkelijk met Christus bedeeld. En heel het werk van de apostelen, ja van Jezus zelf, zou ondenkbaar zijn zonder de medewerking van vrouwen.
Inrichting van de gemeente
Gods wil voor de inrichting van de gemeente valt niet samen met de drie ambten die wij kennen. We treffen in het Nieuwe Testament een enorm breed scala van diensten en bedieningen.
Er zijn profeten en apostelen, evangelisten en herders en leraars. Er zijn oudsten of opzieners en ook diakenen.
Weduwen worden voor bepaalde taken geroepen en de gaven van wijsheid en kennis, geloof en krachten krijgen een plaats. In de samenkomsten heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging, terwijl mannen zowel als vrouwen er bidden.
Heel weinig van dit alles wordt voorgeschreven en bepaalde diensten lenen zich ook niet voor herhaling, omdat ze voor die tijd gegeven waren.
Maar het scala is duidelijk breder dan onze drie ambten.
In dit brede scala geeft Paulus eigenlijk alleen de opdracht "dat gij in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen, die onberispelijk zijn" enz.
(Titus1:5-9). En Petrus, die zelf de opdracht kreeg om Christus' gemeente te weiden (Johannes 21), geeft deze opdracht woordelijk door: "De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste (...): hoedt de kudde Gods, die bij u is" (1 Petrus 5:1-4). Van deze ene dienst, de uitoefening van geestelijk gezag, kan ik niet anders zien dan dat Paulus hem reserveert voor mannen.
Het rapport biedt een uitvoerige bespreking van alle relevante teksten, die ik hier niet over zal doen. Wel passen daar twee opmerkingen bij.
In de eerste plaats is het wrang, dat het ambt van ouderling in de Bijbel één van de vele diensten is, terwijl het in onze gemeenten soms lijkt of er daarnaast weinig over blijft. Er rest alleen nog het ambt van diaken en daar weten we dan nog weinig raad mee. Ik heb erover gesproken voor de diaconale conferentie en die toespraak moet nog in ons blad verschijnen, dus ik ga er nu niet nader op in. Maar het blijft een groot bezwaar, dat er bij onze traditionele invulling naast het werk van ouderlingen weinig overblijft.
In het Nieuwe Testament hebben vrouwen met hun gaven een plaats in de gemeente. Sterker: ze worden door de gemeente ook tot bepaalde taken geroepen, waaronder die van 'diaken'.
De bewijzen hiervoor uit Hand. 6:1, Rom. 16:1..1 Tim. 3:11 en 5:1-16 zijn duidelijk. De tweede kanttekening is, dat bij ons de ouderlingen naast hun eigenlijke werk ("hoedt de kudde Gods, die bij u is" - geestelijk gezag) ook van alles regelen, van de aanvang van de kerkdiensten tot de vaststelling van de begroting en het collecte rooster.
Hier is niets op tegen, als we maar niet doen alsof dit behoort tdt het werk dat volgens de apostel alleen door broeders verricht mag worden.
Waarom?
Bij dit alles blijft natuurlijk de vraag: waarom wil de apostel, dat mannen het geestelijk gezag in de gemeente dragen?
Een studie daarnaar zou heel zinvol zijn. Niet om overwegingen te beoordelen, ik bedoel: niet om te testen of wij de apostel gelijk geven. Dat doen we ook niet met de leer van de verzoening of van de opstanding. Maar wel om te zoeken naar een verstaan van wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Het is daarbij te eenvoudig om te stellen, dat Paulus zich aansloot bij de gewoonten van zijn tijd. Die neiging heeft hij nauwelijks, vgl. zijn aansporing tot nederigheid en zijn prediking van de opstanding der doden. Ik heb de indruk, dat we in Efeze 5 Paulus' diepste motivatie vinden. Daar beschrijft hij Gods orde voor het huwelijk, waarbij hij alles uit de kast haalt, van schepping tot verlossing, om duidelijk te maken dat de man geroepen is om het hoofd te zijn van de onlosmakelijke eenheid in het huwelijk.
Natuurlijk is het huwelijk iets heel anders dan de gemeente, maar hij schrijft wel met het oog op die gemeente.
Kennelijk vindt hij de gemeente z6 dicht op het huwelijk zitten, dat de orde daar niet andersom mag zijn.
De leer der apostelen
Goed, tot zover dit meedenken in de discussie, waar zovelen op dit moment mee bezig zijn. Wie antwoord zoekt op de concrete vragen van dit moment, kan terecht concluderen dat ik uitkom op: wel vrouwelijke diakenen, geen vrouwelijke ouderlingen. Maar nog belangrijker is het voor mij, dat we vasthouden aan de weg die ik bepleit: niet uit te gaan boven hetgeen geschreven staat in de Bijbel. Als men ooit over een eigen karakter van onze kerken wil spreken, dan lijkt me dat hierin te liggen: dat we er niet zo'n punt van maken als sommigen andere wegen gaan dan we traditioneel gewend waren. Maar dat we wel zo zuiver mogelijk proberen te volharden in de leer der apostelen. Als we daarvan zouden afstappen, dan zijn er in kerkelijk Nederland ruim voldoende alternatieven aanwezig.
De oplossing die ik verdedig doet tenslotte ook maximaal recht aan het verzoek, dat de kerk van Amsterdam-C deed. Ze schreef destijds, te beseffen dat het wat vrouwelijke ouderlingen betreft "moeilijk is om zonder het omstreden begrip van 'tijdgebondenheid' met de apostolische voorschriften van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2:11 en 12 klaar te komen". Hoewel eenstemmigheid daarover ontbrak, was iedereen het erover eens, "dat we het begrip 'tijdgebondenheid' als uitlegkundige sleutel, vooral in z'n gevolgen, nog niet geheel kunnen overzien. Immers, hoe voorkomen wij, dat vitale delen van de Schrift met behulp van deze zelfde sleutel van hun kracht worden beroofd?". Die vraag staat nog recht overeind en we moesten hem maar niet verdoezelen.
Daarom zou Amsterdam-C na al die [aren een dubbel 'ja' op haar brief verdienen. Ja, het hoort tot de Christelijke vrijheid als een gemeente zusters roept tot het diakenambt. En ja, de risico's voor vitale delen van de Schrift zijn te groot als we met een beroep op 'tijdgebondenheid' ook vrouwelijke ouderlingen roepen. Zodra dat is uitgesproken, kunnen de kerken aan de slag met het eigenlijke werk: in trouw aan Gods Woord méér mensen, broeders en zusters, inschakelen bij het werk in de gemeente. Want het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig.
Noord-Holland (1)
Noord-Holland is allang een weinig kerkse provincie. Dat zou je niet zeggen wanneer je door het Noordhollandse landschap rijdt. Overal steken torens hun spitsen als vingerwijzingen naar de hemel. De meeste kerkgebouwen worden op zondag echter weinig gebruikt (al zijn er ook gunstige uitzonderingen).
In het begin van deze eeuw was Ds. H.J. Heijnes predikant in Landsmeer. Hij beschreef op ironische, maar toch ook warme wijze een boekje over de bevolking van deze provincie. Zijn boek begint met een verhandeling over 'Land en Volk'. Bij punt 11 treffen we de godsdienst aan.
"De godsdienst is verwant aan het christendom.
Er zijn godgeleerderi en anderen die dit ontkennen; maar dat moet liggen aan een gebrek in hun kennis, hetzij van het christendom, hetzij van den inlandschen godsdienst. Ik ben van gevoelen dat de bij de Noord-Hollanders inheemsche godsdienst inderdaad een soort van christendom is. Want in hun kerken ligt op den kansel een bijbel, en zij passen goed op."
Noord-Holland (2)
De bevolking van Noord-Holland neigt ook tot mystiek, schrijft Ds. Heynes. Dat merkt de predikant niet alleen, maar ook de dokter. Het flesje met gekleurd vocht (kleurloze drankjes werken niet) "staat in de ziekenkamer als de fetisch in de heiden tempel; de blik, daarop geslagen, is voor den patiënt en voor die hem omringen van wonderbare vertroosting".Het flesje is niet het instrument
van de dokter, het is zijn konkurrent. Het bezoek van de dokter is nodig, maar alleen om het 'fleschje goed' tot aanzien te brengen.
De predikant komt voor een vergelijkbare situatie te staan. Het bidden voor de ernstig zieke "heeft wel het minst te klagen aan opprijssteling'. Let goed op: het gaat om het gebed van de dominee.
Gebed van een ander, een ouderling, een gemeentelid, dat zou 'fijnigheid' zijn. "Niks niet, ook niet!"
Met het gebed van de dominee acht men ten aanzien van de stervende alles geregeld. "Bevoorrecht de mens, voor wien dominee nog gebid heeft. Want waaraan wij bij een sterfbed allen nog gelooven, is: niet de kracht des gebeds, maar: de kracht des dominees. Men zegt wel dat de mystiek de liefste dochter is van den godsdienst. Bij ons in Noord-Holland laat zich echter ruimschoots het verschijnsel genieten, dat de lieve dochter het stelt zonder den vader, al komt dit weinig ten goede aan wat te noemen valt als vrucht van ouderlijke leiding."
Uit: Ds. H.J. Heijnes: Bij ons in Noord-Holland (zonder jaartal; rond 19OO?)
Televisie-avond
Iedere week glijdt bij familie De Vries op donderdag de gids met de radio- en TV-programma's van de volgende week door de bus. En iedere keer betekent dat oorlog. Wie mag de gids het eerste lezen? Uit het feit dat ze als eerste een streep zetten bij hun favoriete programma ontlenen de kinderen ook het 'recht' welk programma gekeken moet (!) worden ...
In een gezin met een vader, een moeder, een jongen van 12, een meisje van 10 en een jongen van 7 word je het natuurlijk niet snel eens over de vraag wat er gekeken moet worden. Sterker nog: je weet zeker dat je iedere keer weer heibel krijgt.
Er kunnen in deze situatie minstens 3 oplossingen bedacht worden: a) de ouders bepalen alléén wat er gekeken mag worden; b) de TV gaat de deur uit; c) iedereen krijgt op zijn eigen kamer zijn eigen televisie (minder ruzie, maar je weet ook niet wat je kinderen kijken en je leert ze in ieder geval om géén rekening met een ander te houden).
De familie De Vries heeft een eigen oplossing gevonden. Geen recept voor alle andere gezinnen, maar zij zijn er op dit moment tevreden over. Het familierecept: iedereen streept één favoriet programma aan. Dat programma wordt op video opgenomen. De hele week gaat de TV niet aan, alleen nog voor een journaal. Op vrijdagavond wordt er TV gekeken. De programma's staan op video. Het programma van de zoon van 7 komt het eerste, daarna de dochter van 10 en daarna is de zoon van 12 aan de beurt. De ouders weten wat de kinderen kijken. En het is nog best gezellig ook, één zo'n avond.
En de zaterdagavond dan? De sjoelbak is bijna versleten. De zoon van 7 wil het liefste de hele avond worden voorgelezen.
Daar hebben zijn ouders niet de hele avond zin in. Soms kan hij daar boos over worden. De dochter van 10 vindt het 'best tof' op deze manier. De zoon van 12 wint het met schaken van zijn vader. Soms gaat hij ook boos naar boven. Er is al een ruitje in de deur aan gruzelementen, want hij had t6ch TV willen kijken. Het blijft toch een gewoon gezin, die familie De Vries.
H. Algra, Den Helder